Sneeuw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Sneeuw (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Sneeuw.
Winter met sneeuw op de Sjipkapas in Bulgarije, 2006

Sneeuw is een vorm van neerslag die bestaat uit ijskristallen. In Nederland en Vlaanderen valt gemiddeld op ongeveer 30 dagen per jaar sneeuw,[1] maar er gaan jaren voorbij zonder sneeuwval van betekenis. De hoeveelheden zijn er bovendien gemiddeld klein vanwege het ontbreken van stuwingsneerslag. Anders is dit bijvoorbeeld in een gebied als het Kleinwalsertal in Oostenrijk of Oregon in het noordwesten van de Verenigde Staten waar sneeuwhoogtes van vijf meter geen uitzondering zijn. Wel kunnen boven de Noordzee boven het relatief warme zeewater makkelijk zware sneeuwbuien ontstaan die bij een noordelijke stroming met name op de Waddeneilanden buitengewoon forse hoeveelheden sneeuw kunnen achterlaten, zoals in 1987 op Terschelling.

Ontstaan[bewerken]

Foto's van sneeuwkristallen, rond 1902 gemaakt door Wilson Bentley, Jericho, Vermont. Uit Studies among the Snow Crystals. Annual Summary of the Monthly Weather Review for 1902.
Het bedevaartplaatsje Warfhuizen in de sneeuw, 2004

Bij temperaturen onder het vriespunt vormt sneeuw zich wanneer waterdamp tot ijskristallen verrijpt. Dit proces vindt vooral plaats tussen -5 en -20 °C en optimaal bij een temperatuur rond -12 °C. Bij deze waarde is het verschil in de dampdruk ten opzichte van water en ijs het grootst en gaan watermoleculen van onderkoelde waterdruppels naar vrieskernen. Deze vrieskernen dienen als een soort katalysator en brengen de bevriezing versneld op gang. Door botsingen onderling en op de weg naar beneden groeien deze ijsdeeltjes geleidelijk aan tot sneeuwkristallen. Deze kunnen allerlei vormen hebben, maar ze zijn altijd zespuntig (hexagonaal), zoals goed te zien is op foto's die amateurwetenschapper Wilson Bentley al in 1902 maakte.

Wanneer het waait, klitten de sneeuwkristallen, vaak in de vorm van sterren, op hun weg naar de aarde samen en vormen een vlok. Zo'n vlok bestaat uit wat ijs en heel veel lucht tussen de ijsnaaldjes, zo ongeveer als een kussen vol veren met lucht ertussen. Vlokken zijn onregelmatig, klein of groot, maar wanneer het windstil is, dwarrelen ze één voor één naar beneden. Vlokken vormen zich met name in voldoende vochtige lucht die niet al te koud is. Bij vrij lage temperaturen in drogere lucht vallen dikwijls losse sneeuwkristallen. In de poolstreken komt dit vaak voor.

Overlast[bewerken]

Sneeuw kan voor overlast zorgen, niet alleen door gladheid maar vooral bij natte sneeuw ook door vermindering van het zicht. Tijdens zware sneeuwval is het zicht minder dan 500 meter, vergelijkbaar met mist. Met name de eerste sneeuw van het seizoen of plotselinge sneeuwbuien leveren problemen op. Tijdens periodes met herhaaldelijk sneeuw en winterse buien is de weggebruiker eraan gewend en past het verkeer zich aan. Grote hoeveelheden sneeuw op de weg kunnen worden bestreden met behulp van sneeuwschuivers.

Sneeuw veroorzaakt de grootste problemen wanneer de neerslag valt bij vorst, vooral bij matige tot strenge vorst. Als het dan ook hard waait, gaat de sneeuw stuiven en ontstaan sneeuwduinen. Wanneer in Nederland sneeuw wordt verwacht bij windkracht 6 of 7 geeft het KNMI een weeralarm uit voor sneeuwjacht. Bij windkracht 8 of meer en sneeuw geldt een weeralarm voor sneeuwstorm. Ook bij aanhoudend zware sneeuwval met op grote schaal meer dan 5 cm per uur en een vers sneeuwdek van ten minste 5,5 cm wordt een weeralarm uitgegeven. Zulke omstandigheden zijn gevaarlijk voor het verkeer en leiden tot grote overlast. Sneeuw zelf is niet glad, maar wordt door het verkeer tot glad ijs gereden.

Op hellingen kan de sneeuwlaag in beweging komen en lawines veroorzaken die grote schade kunnen veroorzaken.

Als er veel sneeuw valt, kunnen daken van gebouwen het soms begeven door de sneeuwbelasting.

Dichtheid[bewerken]

De dichtheid van verse sneeuw bedraagt circa 100 kg/m3; de waarde hangt sterk af van de hoeveelheid lucht die tussen de ijskristallen aanwezig is oftewel de mate waarin de sneeuw samengedrukt is. Wanneer de sneeuw platgetrapt of platgereden is, is de dichtheid veel hoger (mogelijk oplopend tot ruim 900 kg/m3, dus nog steeds minder dan water met een dichtheid van 997 kg/m3). Een vuistregel is dat 1 eenheid regen gelijk is aan 8 eenheden sneeuw, dat wil zeggen dat er voor 1 cm sneeuw ongeveer 1,2 mm regen nodig is. Sneeuw heeft tevens een geluiddempende werking. Nadat er een redelijk pak is gevallen is merkbaar hoe relatief rustig het is in de omgeving.[bron?]

Soorten[bewerken]

Er zijn vele soorten van sneeuw. Wat betreft de soort sneeuwval en het soort sneeuwdek:

Sneeuwval[bewerken]

  • Natte sneeuw: sneeuw gemengd met regen of half gesmolten sneeuwvlokken, kan ook bij grondtemperaturen onder nul. De vlokken zijn vaak groot. In België spreekt men van smeltende sneeuw.
  • Droge sneeuw: sneeuw in kleinere vlokken zonder vloeibare component.
  • Motsneeuw: sneeuw in (natte) vlokjes van hooguit 5 mm groot.
  • Poedersneeuw: sneeuw in fijne droge vlokjes van hooguit 5 mm groot.
  • Korrelsneeuw: sneeuw in onregelmatig gevormde korrels (zacht en samendrukbaar) tot 5 mm groot.
  • Driftsneeuw: sneeuw die al gevallen is en door een krachtige wind zich ophoopt.
  • Poolsneeuw: sneeuw in de vorm van glassplinters bij temperaturen fors onder nul.
  • Lichte sneeuw: sneeuw in kleine vlokjes of sneeuw die minder intensief valt.
  • Stuifsneeuw: al gevallen sneeuw die door de wind wordt verstoven (synoniem aan driftsneeuw).

Sneeuw op de grond[bewerken]

Sneeuw die op de grond gelegen is wordt bij het skiën onderscheiden in verschillende soorten.[2]

  • Poedersneeuw: een zachte sneeuw van kleine vlokjes en kristallen
  • Crud: oneffen ondergrond met losse en compacte sneeuw
  • Crust: bovenop zachtere sneeuw een laag met een harde korst als gevolg van een gesmolten bovenlaag die weer bevroren is
  • Slush: natte sneeuw dat door het smelten relatief veel water bevat
  • IJs: een harde, vrij gladde ondergrond als gevolg van sneeuw die gesmolten is en weer bevroren is

Afbeeldingen uit de elektronenmicroscoop[bewerken]

De onderstaande afbeeldingen zijn gemaakt met een elektronenmicroscoop. Dit apparaat kan nog veel fijnere details laten zien dan een lichtmicroscoop.

Records[bewerken]

Wereldwijd[bewerken]

Van 19 februari 1971 tot 18 februari 1972 viel er meer dan 31 m sneeuw in Paradise op Mount Rainier in de staat Washington (Verenigde Staten). Dat is de grootste hoeveelheid sneeuw die ooit in een jaar in een gebied viel.

Nederland[bewerken]

In Nederland woedde op 14 en 15 februari 1979 in het noorden een zware sneeuwstorm met sneeuwduinen tot meer dan twee meter hoog. Steden en dorpen waren tijdelijk van de buitenwereld afgesloten; trein- en autoverkeer waren amper meer mogelijk. De sneeuw in januari 1987 op Terschelling kwam tot circa 80 cm, de grootste niet-opgewaaide sneeuwhoogte in Nederland. Buys Ballot nam 60 cm waar in Zaltbommel in 1867. In Sneek en Heeg (Friesland) kwam in maart 2005 een sneeuwdek voor van respectievelijk 54 en 50 cm. In december 2009 werd in Ureterp (Friesland) een sneeuwdek van 70 cm gemeten.[3] Hierbij zijn geen sneeuwduinen in de metingen meegenomen. Opgewaaide sneeuw veroorzaakt veel hogere waarden. Op deze wijze zijn in Nederland sneeuwhopen van een tot twee meter waargenomen.

België[bewerken]

In België werd het record gevestigd in de Hoge Venen. In 1942 en 1952 werd er meer dan een meter sneeuw opgetekend op Botrange (695 m boven zeeniveau[4]). De grootste sneeuwhoogte ooit gemeten in België is officieel: 1,15 m. [5]

Symbolen[bewerken]

WMO (SYNOP): 68 en 69 (gemengd met regen); 70 t/m 75 (77 = motsneeuw 78 = poolsneeuw)
ICAO (METAR/SPECI/TAF): SN, SG (=motsneeuw) (licht: -SN matig: SN zwaar: +SN)

De volgende symbolen worden gebruikt op weerkaarten:

Symbolen Nr. Beschrijving
Symbol Drizzle1.png
20 Motregen of motsneeuw in het afgelopen uur
Symbol Snow1.png
22 Sneeuw in het afgelopen uur
Symbol Precipitation4.png
23 Regen en sneeuw, of ijsregen in het afgelopen uur
Symbol Shower13.png
26 Sneeuwbui, of regen- en sneeuwbui in het afgelopen uur
Symbol Shower3.png
27 Hagelbui of korrelsneeuwbui in het afgelopen uur
Symbol Precipitation6.png
68 Lichte regen en sneeuw en/of motregen met sneeuw
Symbol Precipitation5.png
69 Matige of zware regen en sneeuw en/of matige of zware motregen met sneeuw
Symbol Snow6.png
70 Lichte sneeuw met onderbrekingen
Symbol Snow11.png
71 Lichte sneeuw zonder onderbrekingen
Symbol Snow7.png
72 Matige sneeuw met onderbrekingen
Symbol Snow10.png
73 Matige sneeuw zonder onderbrekingen
Symbol Snow9.png
74 Zware sneeuw met onderbrekingen
Symbol Snow8.png
75 Zware sneeuw zonder onderbrekingen
Symbol Snow13.png
77 Motsneeuw, met of zonder mist
Symbol Snow12.png
78 Poolsneeuw (kleine geïsoleerde sneeuwkristallen)
Symbol Shower7.png
83 Lichte sneeuw- en regenbui
Symbol Shower6.png
84 Matige of zware sneeuw- en regenbui
Symbol Shower16.png
85 Lichte sneeuwbui
Symbol Shower17.png
86 Matige of zware sneeuwbui
Symbol Shower5.png
87 Lichte korrelsneeuwbui, met of zonder regen en/of regen en sneeuw
Symbol Shower4.png
88 Matige of zware korrelsneeuwbui, met of zonder regen en/of regen en sneeuw
Symbol Shower9.png
89 Lichte hagelbui, met of zonder regen en/of regen en sneeuw, en nog zonder donder
Symbol Shower8.png
90 Matige of zware hagelbui, met of zonder regen en/of regen en sneeuw, en nog zonder donder
Symbol Thunder3.png
93 Onweer in het afgelopen uur en lichte sneeuw, regen en sneeuw, of hagel op het moment van waarneming
Symbol Thunder10.png
94 Onweer in het afgelopen uur en matige of zware sneeuw, regen en sneeuw, of hagel op het moment van waarneming
Symbol Thunder8.png
95 Licht of matig onweer met regen, sneeuw, of regen en sneeuw
Symbol Thunder5.png
96 Licht of matig onweer met hagel of korrelsneeuw
Symbol Thunder9.png
97 Zwaar onweer met regen of sneeuw
Symbol Thunder11.png
99 Zwaar onweer met hagel of korrelsneeuw

Sneeuw als bouwmateriaal[bewerken]

In koude gebieden met veel sneeuw wordt sneeuw toegepast als bouwmateriaal. Er kunnen kleine iglo's of sneeuwhutten van gemaakt worden, maar ook grote sneeuwhotels. In deze toepassing wordt compacte sneeuw vaak in uitgezaagde of gecomprimeerde blokken verwerkt, maar ook als opgespoten berg die dan uitgehold wordt. Sneeuw wordt ook door sneeuwkanonnen op een gewenste plek aangebracht, waardoor bijvoorbeeld een skipiste kan worden gebouwd op plekken waar door weersomstandigheden wellicht te weinig sneeuw voorhanden is. Door de sneeuw nat te maken ontstaat een harde sterke substantie, die eigenschappen heeft die tussen vast ijs en sneeuw in liggen. Kinderen bouwen vaak sneeuwmuren of hutten door emmertjes met sneeuw te vullen, dit aan te drukken en vervolgens te storten.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • De tekst op deze pagina of een eerdere versie daarvan is afkomstig van de website van het KNMI

Referenties

  1. Langjarige gemiddelden en extremen, tijdvak 1971 - 2000. KNMI Geraadpleegd op 1 december 2010
  2. Soorten sneeuw
  3. Leeuwarder Courant (17 december 2009): "Record in Ureterp: pak van 70 centimeter"
  4. 694 m TAW (gemiddeld laagwater in de Noordzee bij Oostende) is 696 m NAP (gemiddeld hoogwater in de Zuiderzee bij Amsterdam)
  5. Sneeuw (sneeuwgebeurtenissen volgens KMI)
Zoek dit woord op in WikiWoordenboek