Sneeuwwoordenverhaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Glinsterende sneeuwkristallen
Sneeuwlandschap met sneeuwscooter
Iglo in sneeuwlandschap

Het sneeuwwoordenverhaal is de bewering dat Eskimo's een ongebruikelijk groot aantal woorden voor sneeuw zouden hebben. De eerste bron voor dit verhaal is te vinden in de inleiding van The Handbook of North American Indians, een werk van linguïst en antropoloog Franz Boas uit 1911. Boas zegt daar dat Eskimo's vier verschillende woorden hebben voor sneeuw: aput ("sneeuw op de grond"), gana ("vallende sneeuw"), piqsirpoq ("opwaaiende sneeuw") en qimuqsuq ("sneeuwjacht"), en het Engels maar één. Het is natuurlijk niet erg correct om te zeggen dat Engelstaligen maar één woord hebben voor sneeuw. De bedoeling van Boas was om verband te leggen tussen culturele verschillen en taalverschillen.

De linguïst Benjamin Lee Whorf gebruikte Boas' bewering om er zijn theorie van Linguïstische Relativiteit mee te illustreren: de belevingswereld van een individu wordt in hoge mate bepaald door de taal die hij tot zijn beschikking heeft. Om onbekende redenen breidde Whorf het aantal sneeuwwoorden uit tot 'minstens zeven'.

Het sneeuwwoordenverhaal sprak kennelijk zodanig tot de verbeelding dat het voorbeeld in de loop der jaren talloze malen werd aangehaald, waarbij een toename van het aantal sneeuwwoorden tot 'enige honderden' optrad. Een soortgelijk voorbeeld is het verhaal over Arabieren en het hun toegeschreven scala aan woorden voor zand in allerlei soorten en toestanden.

De Eskimosneeuw is ook tot de Nederlandse literatuur doorgedrongen. De dichter Willem Wilmink schreef het plastische gedicht Duizend woorden voor sneeuw. Hij omschrijft er overigens maar elf.

In 1986 wees de antropologe Laura Martin er in een artikel in American Anthropologist op dat de beweringen over Eskimosneeuwwoorden en de conclusies die eraan verbonden werden, inmiddels sterk uiteen liepen en dat geen enkele wetenschapper het nodig scheen te vinden om de feiten te controleren.

Eigenlijke aantal woorden[bewerken]

Het precieze aantal Eskimowoorden voor sneeuw is moeilijk te bepalen. Dit is niet alleen vanwege linguïstische verschillen, maar ook vanwege classificatieproblemen. Vaak worden lijsten gegeven van de bedoelde Eskimo-woorden, zoals hieronder:

  1. apun: sneeuw
  2. aput: uitgespreide sneeuw
  3. nutagak: poedersneeuw
  4. aniu: samengedrukte sneeuw
  5. ersertok: bewegende sneeuw
  6. akeirorak: nieuwe bewegende sneeuw
  7. pukak: suikersneeuw
  8. pokaktok: zoutachtige sneeuw
  9. ayak: sneeuw op kleren
  10. kimauguk: blokkerende sneeuw
  11. kalyuqiak: geribbeld sneeuw
  12. massak: met water gemengde sneeuw
  13. auksalak: smeltende sneeuw
  14. aniuk: sneeuw om te laten smelten
  15. akillukkak: zachte sneeuw
  16. milik: heel zachte sneeuw
  17. mitallak: zachte sneeuw die de opening in een gletsjer bedekt
  18. sillik: harde, korstige sneeuw
  19. kiksrukak: geglazuurde sneeuw in de dooi
  20. mauya: sneeuw die doorgebroken kan worden
  21. katiksunik: lichte sneeuw die diep genoeg is om over te kunnen lopen
  22. iglupak: sneeuw voor het maken van iglo's

Dit soort lijsten is echter problematisch wat betreft classificatie. Bijvoorbeeld het woord iglupak, is niets meer dan een verbasterde vorm van de woorden iglu- (huis) en -ksaq (materiaal voor). Een meer precieze vertaling dan "sneeuw voor het maken van iglo's" zou zijn: "bouwmateriaal voor huizen". Spijkers en hout zouden dan ook beschouwd worden als igluksaq.

Op dezelfde wijze komt nutagak van de woorden nutar- (nieuw) en -yug (wat gewoonlijk is), dat in combinatie de betekenis 'datgene wat nieuw is' aanneemt - en niet specifiek 'verse sneeuw'.

We kunnen bovendien kijken naar het eigenlijke aantal Engelse woorden voor sneeuw en gerelateerde begrippen. Er is namelijk sprake van een schijntegenstelling als het enkele woord snow in contrast wordt gezet tegen een groot aantal woorden die in een Eskimotaal te vinden zijn.

  1. snow: sneeuw
  2. ice: ijs
  3. sleet: natte sneeuw of ijzel
  4. slush: sneeuwbrij, smeltende sneeuw
  5. flurry: sneeuwvlaag, sneeuwjacht
  6. frost: rijp, vorst
  7. hail: hagel
  8. powder: poedersneeuw
  9. avalanche: lawine
  10. blizzard: sneeuwstorm
  11. hardpack
  12. dusting: dun laagje
  13. iceberg: ijsberg
  14. igloo: iglo
  15. pingo
  16. snow cornice: stuifsneeuwrand
  17. snowflake: sneeuwvlok
  18. blowing snow
  19. ice lens
  20. snow bank
  21. snow fort
  22. snowstorm: sneeuwbui

De vraag is dan ook niet hoeveel woorden er zijn vóór sneeuw, maar hoeveel over sneeuw.

De linguïst Steven Pinker stelde in 1994 in zijn boek The Language Instinct dat Eskimo's en Engelstaligen ongeveer even veel woorden over sneeuw tot hun beschikking hebben. Engels is namelijk een taal met een veel grotere woordenschat (ongeveer 500.000 woorden) dan Eskimotaal.