Sobibór (vernietigingskamp)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vernietigingskamp Sobibór
Sobibór (vernietigingskamp)
Sobibór (vernietigingskamp)
Ingebruikname 1942
Gesloten 1943
Locatie Sobibór
Verantwoordelijk land Nazi-Duitsland
Coördinaten 51° 27′ NB, 23° 36′ OL
Beheerder SS
Dodental 170.165[1][2]
Het station van Sobibór in 2007
Het station van Sobibór in 2007

Sobibór (uitspraak in het Pools Sobiboer) was een vernietigingskamp in het Generaal-Gouvernement (tegenwoordig Oost-Polen), dat gevestigd was nabij het dorp Sobibór. Het kamp, gebouwd en gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog, stond onder gezag van nazi-Duitsland. Het kamp bestond van april 1942 tot november 1943. Er zijn 170.165[1][2] mensen vermoord, voornamelijk Joden, maar ook Roma en niet-Joodse Polen. Andere bronnen spreken van 150.000 tot 250.000 doden.[3] Er werden ruim 34.313 Nederlandse Joden vermoord. Het was vrijwel het enige concentratiekamp van waaruit een geslaagde ontsnapping plaatsvond. In oktober 1943 ontsnapten ongeveer driehonderd gevangenen, onder wie de Nederlandse Selma Wijnberg.

In tegenstelling tot Auschwitz en Majdanek bestond Sobibór niet gedeeltelijk uit een werkkamp. Het enige doel was de gevangenen uit te roeien. De meesten die er aankwamen, stierven nog dezelfde dag. Degenen die de eerste schifting overleefden, werden tewerkgesteld in voornamelijk het Sonderkommando of een nabij gelegen werkkamp zoals kamp Dorohucza. Uiteindelijk wachtte ook hen de dood.

Bouw[bewerken]

Het kamp Sobibór werd in 1942 gebouwd bij Sobibór in de buurt van Włodawa en Chelm (Generaal-Gouvernement, 1939-1945), door ca. 80 Joodse dwangarbeiders uit omliggende getto's, die na de bouwwerkzaamheden werden doodgeschoten. Het was het tweede kamp dat in het kader van Aktion Reinhard werd gebouwd. In april 1942 werd Polizeioberleutnant Franz Stangl, op dat moment nog een politiefunctionaris, benoemd tot commandant van het nieuwe kamp. Hij moest er voor zorgen dat de bouwwerkzaamheden versneld werden en ging hiervoor te rade bij commandant Christian Wirth van kamp Bełżec. Medio april was het kamp gereed. In september 1942 nam Polizeihauptmann Franz Reichleitner over als commandant van Sobibór nadat Stangl naar Treblinka was overgeplaatst. Zowel Stangl als Reichleitner werd later dat jaar in de SS geassimileerd.[4][5]

Indeling[bewerken]

Het complex mat ca. vierhonderd bij zeshonderd meter, en bestond uit vier zones: Het Vorlager, waar de SS'ers en de Oekraïense Trawniki's verbleven en de treinen binnenkwamen; Kamp I waar de dwangarbeiders woonden en werkten; Kamp II was het ontvangstterrein waar de gevangenen hun bagage en kleding afgaven en Kamp III was de locatie waar de vernietiging plaatsvond.

Het Vorlager was als een vriendelijk park ingericht. Er stonden bloemperken en wegwijzers naar een niet-bestaand zwembad en restaurant, zodat de gevangenen de indruk moesten krijgen in een comfortabel vakantiepark te zijn aangekomen. Of dat inderdaad het gewenste effect had, valt zeer te betwijfelen, want de SS'ers gedroegen zich allesbehalve vriendelijk. Om ontsnappingen tegen te gaan, was het kamp omgeven door een mijnenveld van ongeveer vijftien meter breed.

Bij aankomst werden de gevangenen in Kamp II uitgesplitst naar mannen en vrouwen. Bovendien werd een aantal personen uitgekozen die het Sonderkommando moesten vormen. De anderen kregen te horen dat ze een douche zouden krijgen. Bagage en waardevolle bezittingen werden afgegeven, de gevangenen kleedden zich uit en van de vrouwen werd het hoofdhaar afgeschoren. Vervolgens gingen de naakte gevangenen naar een van de drie gaskamers (later zes), tot het laatste moment denkend dat het doucheruimtes waren.

De gaskamers van Sobibór werden gevoed met het uitlaatgas van een benzinemotor.[6]

Op 12 februari 1943 kwamen Reichsführer-SS Heinrich Himmler en Adolf Eichmann het kamp bezichtigen. Het kamp werd voordien opgeruimd en schoongemaakt, en ter demonstratie werden enkele honderden Joodse vrouwen uit een nabijgelegen kamp vergast. De vrouwen waren op hun schoonheid geselecteerd. Himmler beval tijdens zijn bezoek dat ook transporten uit Nederland op Sobibór moesten rijden.

Tussen 3 maart en 20 juli 1943 kwamen 34.313 Joden uit Nederland naar het kamp, verdeeld over negentien transporten vanuit Westerbork. Het merendeel van de gedeporteerden werd nog op de dag van aankomst in de gaskamers vermoord. In totaal zijn ongeveer duizend mensen direct na aankomst doorgestuurd naar werkkampen, waaronder ongeveer zevenhonderd naar het turfkamp Dorohucza, in de omgeving van Lublin. Velen van hen bezweken onder de zware omstandigheden aan mishandeling, uitputting, ondervoeding en ziekte of werden om arbitraire redenen geëxecuteerd. Enkele tientallen werden in het kamp Sobibór te werk gesteld als "Arbeithäftlinge".[4]

Onderzoekers uit Polen en Israël vanaf 2006 onderzoek verricht naar de locatie van de gaskamers in het kamp en kwamen in 2014 naar buiten met de exacte locatie. Zij gaven aan dat het resultaat van groot belang is voor het onderzoek naar de Holocaust, omdat het aanwijzingen zou geven over de laatste momenten van de mensen die er vermoord zijn en over hun precieze aantal. Bij muurresten werden nog persoonlijke bezittingen gevonden, zoals sieraden en gouden tanden.[7]

Nevenkampen[bewerken]

Tijdens de Aktion Reinhard ressorteerden vele dwangarbeiderskampen onder kamp Sobibor. De meeste van deze kampen waren opgericht om arbeiders te huisvesten die werkten aan het reguleren van de waterloop van de beken. Tijdens het beheer door Sobibor werden die kampen jodenkampen. Zij waren bedoeld om de mensen zich letterlijk dood te laten werken. De kampen waren onder andere gevestigd in: Czerniejów gemeente Jabłonna, indirekt Dorohucza, Dorohusk, Kamien, Krychow, Luta , Nowosiółki gemeente Telatyn, Osowa, Ruda Opalin gemeente Ruda-Huta, Sawin, Siedliszcze, Sobibor, Staw-Sajczyce, Tomaszowka, Ujazdów gemeente Nielisz, Wlodawa en Żmudź. Slechts enkelen van de bewoners van deze kampen hebben het verblijf overleefd. Aktion Erntefest maakte een einde aan veel van deze kampen en hun inwoners.

Sonderkommando[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Sonderkommando (kampfunctie) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Sonderkommando werd gedwongen de lijken te onderzoeken op waardevolle zaken, zoals ringen en gouden tanden en ten slotte de dode lichamen in massagraven te begraven. In een later stadium was het Sonderkommando ook werkzaam bij het heropenen van de massagraven toen de nazi's overgingen op het cremeren van lichamelijke overschotten. Een deel van het Sonderkommando (dat niet wist wat er elders in het kamp gebeurde) kreeg de taak de kleding te onderzoeken en te sorteren. Aanvankelijk werd het Sonderkommando na gedane plicht doodgeschoten. Er werd dus na elk transport een nieuw Sonderkommando samengesteld. Waarschijnlijk voldeed het Sonderkommando niet altijd even goed, want later werd tot een permanent Sonderkommando besloten (waarvoor natuurlijk huisvesting gebouwd moest worden). Hun uiteindelijke lot was echter hetzelfde en wie weigerde te werken werd direct vermoord. Van diegenen die werden gedwongen in Kamp III te werken heeft niemand de oorlog overleefd.

Opstand en sluiting[bewerken]

Op de plaats waar de gaskamers waren staat nu een herdenkingsteken

In de zomer van 1943 kwam een verzetsgroep tot stand in het kamp onder leiding van Leon Feldhendler en Alexander Petsjerski, leden van het Sonderkommando. Deze groep organiseerde een opstand op 14 oktober 1943, waarbij tien Duitsers, twee Volksduitsers en acht trawniki's werden gedood. Circa driehonderd gevangenen wisten het kamp te ontvluchten, maar de meesten kwamen om bij de klopjacht die daarop volgde. De meeste Joden die in het kamp waren achtergebleven werden gedood. In november kwam ten slotte het bevel de nog resterende dertig Joden dood te schieten, en aldus geschiedde. Over deze ontsnapping is de film Escape from Sobibor gemaakt.

Na de opstand besloten de Duitsers het kamp op te heffen. Er werden dertig Joden uit Treblinka gehaald om het vernietigingskamp te slopen. Na de sloop werden ook deze mensen doodgeschoten. Na de sloop groeide er een bos over het voormalige kamp.

Toen in de zomer van 1944 het gebied rond Sobibór werd bevrijd door Sovjets en Polen werden in de omgeving nog ongeveer vijftig Joden aangetroffen. Zij hadden zich schuil gehouden, of hadden zich aangesloten bij groepen partizanen.

Stolperstein in de Himmelstrasse.

Uit de negentien transporten met 34.313 Joden die vanuit Kamp Westerbork werden gedeporteerd hebben slechts achttien mensen de oorlog overleefd. Twee vrouwen die vanaf het transport van 6 april 1943 als "Arbeithäftlinge" waren te werk gesteld overleefden de opstand en ontsnapping. Van de ongeveer duizend mensen die direct na aankomst in Sobibór naar andere kampen waren doorgestuurd werden niet meer dan dertien vrouwen en drie mannen uiteindelijk bevrijd na twee jaar op verschillende plaatsen als dwangarbeiders te werk gesteld te zijn geweest. De dertien vrouwen waren uit het transport van 10 maart 1943 afkomstig. De drie mannen kwamen met de treinen van respectievelijk 17 maart, 11 mei en 1 juni 1943 in Sobibór aan.[4][8]

Van de kinderen en jongeren tot zestien jaar oud, die 5, 6 en 7 juni in Kamp Vught geselecteerd werden is het overgrote deel ook in Sobibór terechtgekomen, waar zij vrijwel direct na aankomst vergast werden.[9] Ook Philip Slier, bekend om zijn brieven vanuit Rijkswerkkamp Molengoot, en zijn ouders kwamen via Kamp Vught in Sobibór terecht en zijn er vergast.

Dodental[bewerken]

Een na de oorlog ontcijferd bericht van SS-Sturmbannführer Hermann Höfle van 11 januari 1943 waarin de moord op 101.370 personen in kamp Sobibor wordt bevestigd

Tot 2002 werd aangenomen dat het dodental in ieder geval tussen de 150.000 en 250.000 lag. In 2000 werd echter een belangrijk document publiekelijk vrijgegeven.[10]

Op 11 januari 1943 had Hermann Höfle vanuit het hoofdkwartier van de Aktion Reinhardt in Lublin een telegram gestuurd aan Franz Heim in Krakau. Het betrof onder meer het aantal Joden dat per 31 december 1942 in de vier vernietigingskampen van de Aktion Reinhardt was aangekomen. Het bericht werd op dezelfde dag echter nog gedecodeerd door de Britse geheime dienst. In die tijd werd er echter niet veel mee gedaan en zag men het belang van het document niet. Toen het in 2000 publiekelijk werd vrijgegeven zagen diverse historici het belang van het document. In dit document stond namelijk het aantal slachtoffers van de vernietigingskampen Sobibór, Majdanek, Bełżec en Treblinka tot aan december 1942. Door het gedecodeerde bericht kan worden vastgesteld dat het totale slachtofferaantal van Sobibór per 31 december 1942 is vastgesteld op 101.370.

Vanaf 1943 werden nog eens 68 795 mensen naar Sobibór gedeporteerd, waarvan 34 313 afkomstig uit Nederland.[1] Daarnaast werden er nog mensen uit Polen (14.900), de Sovjet-Unie (13.700), Frankrijk (3500) en Joegoslavië (2382) naar Sobibór afgevoerd.[1] Dit brengt het totaal aantal slachtoffers van Sobibór op 170 165.

Zie ook[bewerken]

Overlevenden van Sobibor:

Naslagwerk[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c d http://stichtingsobibor.nl/index.php/367/het-vernietigingskamp-sobibor
  2. a b Auschwitz.nl - Sobibór
  3. www.holocaustresearchproject.org/ar/sobibor.html
  4. a b c "Vernietigingskamp Sobibor", Jules Schelvis, Amsterdam, Bataafsche Leeuw 1993 542p ISBN 90-6707-319-9
  5. "Into That Darkness", Gita Sereny, Vintage; McGraw-Hill 1974 ISBN 0-07-056290-3
  6. "Het was een zware Russische benzinemotor, vermoedelijk uit een pantserwagen of uit een tractor ..." ex-SS-Scharführer Erich Fuchs tijdens verhoor in Düsseldorf, 2 april 1963, geciteerd in "Vernietigingskamp Sobibór", Jules Schelvis.
  7. Gaskamers Sobibor gevonden, NOS.nl, 17 september 2014
  8. "Binnen de Poorten: een authentiek relaas van twee jaar Duitse concentratiekampen 1943-1945", Jules Schelvis, Bussum, De Haan 1982 128p ISBN 90-228-3693-2
  9. "Joodse Kinderen in het Kamp Vught", Janneke de Moei, Stichting Vriendenkring Nationaal Monument Vught, Vught 1999. ISBN 90-800656-6-8
  10. http://hgs.oxfordjournals.org/cgi/reprint/15/3/468.pdf