Sociëteit van Suriname

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
De Sociëteit van Suriname vergaderde tijdelijk in de voormalige Voetboogdoelen. Het gebouw, tweede van links, werd vanaf 1674 verhuurd aan de WIC en wordt soms Westindisch Binnenhuis genoemd.
De Sociëteit van Suriname vergaderde tijdelijk in de voormalige Voetboogdoelen. Het gebouw, tweede van links, werd vanaf 1674 verhuurd aan de WIC en wordt soms Westindisch Binnenhuis genoemd.

De op 21 mei 1683 opgerichte Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname was een particuliere onderneming, gebaseerd op de ideeën van Jean-Baptiste Colbert, met als doel winst te maken op het beheer (en de verdediging) van de kolonie. De Sociëteit telde drie deelgenoten die elk voor een derde participeerden: de West-Indische Compagnie, de familie van Aerssen van Sommelsdijck en de stad Amsterdam. Deze participanten verdeelden de kosten en de baten gelijkelijk.[1] Alleen met onderlinge instemming mochten de leden hun aandeel van de hand doen. De handel op Suriname was voor iedere ingezetenen van de Republiek vrij,[2] en de inspraak in het bestuur van de kolonie was uniek.[3]

Inhoud

[bewerk] Geschiedenis

Plantage Alkmaar, 18e-eeuwse gravure
Plantage Alkmaar, 18e-eeuwse gravure

Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, de eerste gouverneur van Suriname vroeg in 1686 de aalmoezeniers van het weeshuis om de toezending van enige tientallen kinderen, die onder de gereformeerde planters zouden worden verdeeld.[4] De gouverneur klaagde in zijn brief aan de over het gebrek aan ambachtslieden in de kolonie. In 1688 vroeg hij om honderd slaven voor de bouw van een fort, alsmede honderd soldaten. Van Aerssen en zijn assistent zijn door de rebellerende militie "gemassacreerd". Zijn weduwe verzocht onmiddellijk haar aandeel in de kolonie in te leveren, wat niet werd toegestaan.

In januari 1687 kwamen er van de 485 slaven die waren ingescheept 420 levend ter bestemde plaatse aan. Een slaaf was ongeveer 5.000 pond suiker waard. De Baron de Belmonte verzocht tot tweemaal toe namens de joodse eigenaren van de plantages om de slaven toch ook op zondag te laten werken en daarvoor geen boetes, te betalen in suiker, uit te delen. Op de joodse plantages hadden de slaven op zaterdag vrij. Dat er op zondag met bootjes op de rivier werd gevaren, bleek ook een probleem.

Pas in 1714 kwam de aanvoer van slaven in geregelde banen, er werden drie reizen per jaar gemaakt, elk met ca 300-500 slaven aan boord. In 1743, toen de slavenhandel door de WIC al was vrijgegeven, was er sprake van dat de Compagnie zich uit de Sociëteit van Suriname zou terugtrekken. Het omgekeerde gebeurde. Nadat eerdere pogingen waren mislukt, wist de familie Van Aerssen van Sommelsdijck in 1770 haar aandeel in de Sociëteit van 700.000 gulden aan de stad Amsterdam te verkopen, te betalen in drie termijnen. Op verzoek van het stadsbestuur participeerde de West-Indische Compagnie voor de helft in dit bedrag.

De stad Amsterdam plukte vooral de vruchten van de handel op Suriname en het moest geheim geheim gehouden worden hoeveel de stad eigenlijk aan Suriname verdiende. Misschien was Suriname wel even belangrijk als Oost-Indië, is door Elie Luzac opgemerkt, maar ieder wezenlijk inzicht ontbreekt.[5] De Sociëteit bleef na de opheffing van de WIC bestaan, maar is in 1795 opgeheven. De werkwijze van de Sociëteit werd niet langer aanvaardbaar geacht.

De Jodensavanne
De Jodensavanne

[bewerk] Gouverneurs voor de Sociëteit van Suriname

Niet minder dan vijf gouverneurs zijn teruggeroepen tijdens het bestuur van de Sociëteit van Suriname: Johan van Scharphuizen, Paul van der Veen, Joan Raye, Van de Schepper en Johan Jacob Mauricius.

Zie Lijst van gouverneurs van Suriname

[bewerk] Functionarissen bij de Sociëteit van Suriname

De Sociëteit had tijdens zijn bestaan 101 directeuren en zeven secretarissen. Meer dan de helft woonde op de Herengracht, tussen Leidsegracht en de Amstel. De directeuren hielden zich - in willekeurige volgorde - bezig met verzoeken tot gratis overtocht, reisgeld, uitgifte van land, aanstellingen in en uittreding uit het leger of in het ambtenarenapparaat, verhoging van gage, verzending van levensmiddelen, ammunitie, medicijnen en bouwmateriaal, slaventransport, weglopers, overleg met de raadspensionaris, geldleningen, uitbetaling van wisselbrieven, het laten vervaardigen van landkaarten, averij, zaden voor de hortus botanicus, pensioenen en onderstand bij ziekte.

Enkele directeuren waren Albert Geelvinck, Jacob Boreel, Jacob J. Hinlopen de jonge, Cornelis Munter, Paul van der Veen, Willem Röell, Jan Wolters van de Poll, Nicolaas Geelvinck, Joachim Rendorp, Joan Cornelis van der Hoop, secretaris (1769-1781), Johannes Fähraeus en John Gabriël Stedman, soldaat.

[bewerk] Plantages in Suriname

Aan het eind van de 17e eeuw stichtten de Labadisten de plantage La Providence; de Hugenotenfamilies Crommelin, Texier, Nepveu, Coutier, De Cheusses en De Rayneval stichten La Liberté, La Confiance, L'Espérance, Mon Plaisir, Mon Trésor, À la Bonne Heure en Ma Retraite en hadden bestuurlijke functies.

In resp. 1685 en 1686 werden een okra en een ananas opgestuurd aan de Hortus Botanicus Amsterdam. Vanuit Amsterdam werd een moerbeiboom opgestuurd om te proberen zijderupsteelt op te zetten. George Clifford of Nicolaes Witsen zouden hierbij een rol kunnen hebben gespeeld. Het is niet onmogelijk dat ook de schilderes Merian, die in deze periode Suriname bezocht, uitgenodigd was. Merian was een kenner van rupsen en insecten. Witsen wordt genoemd met de aanplant van de eerste koffiestruik.

Plantage in Surinamen door Dirk Valkenburg (1707?)
Plantage in Surinamen door Dirk Valkenburg (1707?)

Ook de bosbouw in Suriname zou perspectieven en alternatieven kunnen bieden voor de scheepsbouw in Amsterdam en omstreken. Pogingen om muskaat, kruidnagel en kaneel naar Suriname over te brengen werden gedwarsboomd door de VOC.[6]

Het aantal plantages nam toe van vijftig (in 1683) tot tweehonderd in 1713. Het aantal slaven in die periode nam toe van 3.226 tot 13.000. In 1730 bedroeg het aantal plantages ruim 400, waarvan 115 in joods bezit. De plantages in Suriname waren van belang voor de productie van suiker, maar ook voor tropisch hout, indigo, en vanaf 1720 steeds meer voor koffie en cacao. In 1721 werd de eerste koffie geëxporteerd. In 1733 is de eerste cacaoboom en in 1735 de eerste katoenstruik aangeplant.

93% van alle suiker, 99% van alle koffie (na 1724) en 87% van alle cacao (na 1740) had als bestemming Amsterdam, soms voer een schip naar Delfzijl. Verder exporteerde de kolonie katoen, limoensap en letterhout, ideaal voor het maken van wandelstokken. De tabak die werd verbouwd was na 1749 voornamelijk bestemd voor inlands gebruik. De plaatselijke rum werd naar de Engelse koloniën geëxporteerd. Rond 1750 bestond de export voor de helft uit koffie, een steeds populairder wordende drank. In 1770 waren er rond 500 plantages, veelal geleid door op provisiebasis werkende administrateurs.

De Sociëteit van Suriname is in 2008 opgenomen in de Amsterdamse Canon.[7]

[bewerk] Externe links

[bewerk] Referenties

Referenties:
  1. ^ Habermehl, N.D.B. (2000) Joan Cornelis van der Hoop (1742—1825). Marinebestuurder voor stadhouder Willem V en koning Willem I, p. 34-41.
  2. ^ Meiden, G.W. (2008) Betwist Bestuur. De eerste eeuw bestuurlijke ruzies in Suriname 1651-1753, p. 11.
  3. ^ Buddingh, H. (1995) Geschiedenis van Suriname, p. 26.
  4. ^ Slot, E. (1990) Vijf gulden eeuwen. Momenten uit 500 jaar gemeentefinanciën, p. 84.
  5. ^ Meiden, G.W. (2008) Betwist Bestuur. De eerste eeuw bestuurlijke ruzies in Suriname 1651-1753, p. 10.
  6. ^ Wijnands, D.O. (1993) Een sieraad voor de stad: de Amsterdamse Hortus Botanicus: 1638-1993, p. 67, 76, 89, 90).
  7. ^ http://www.canonvanamsterdam.nl/

[bewerk] Bronnen

  • Aa, A.J. Beknopt Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, Gorinchem 1851-'54.
  • Winter, P.J. van (1987) De Westindische Compagnie ter kamer Stad en Lande, p. 201-4, 217.
 
Persoonlijke instellingen
in andere talen