Sociaal-Economische Raad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gebouw van de SER in Den Haag

De Sociaal-Economische Raad (SER) adviseert de Nederlandse regering en het Nederlandse parlement over de hoofdlijnen van het te voeren sociaaleconomisch beleid. Ook voert de SER bestuurlijke en toezichthoudende taken uit, waaronder het toezicht op product- en bedrijfschappen. In de SER werken ondernemers, werknemers en onafhankelijke kroonleden samen.

Samenstelling[bewerken]

De SER is samengesteld uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties en uit zogenoemde kroonleden (door de regering benoemde deskundigen). Omdat er drie partijen (geledingen) in de SER zitten, wordt ook gesproken van een tripartiete samenstelling. De raad telt 33 leden: 11 werkgevers-, 11 werknemers- en 11 kroonleden. De verdeling van de zetels over de werkgevers- en werknemersorganisaties is als volgt:

  • Werkgevers: VNO-NCW (7)
  • MKB Nederland (3)
  • LTO Nederland (1)
  • Werknemers: FNV (8)
  • CNV (2)
  • VCP (1)

Het Dagelijks Bestuur telt 12 leden (vier van elke geleding). Bij vergaderingen van de SER zijn altijd ministeriële vertegenwoordigers als waarnemers aanwezig. Een zittingsperiode van de SER duurt twee jaar. Sinds 10 september 2014 is de huidige voorzitter Mariëtte Hamer.

Advisering van regering en parlement[bewerken]

De meest in het oog vallende taak van de SER is de advisering van regering en parlement over het te voeren sociaaleconomisch beleid. Bij sociaaleconomische vraagstukken wegen de adviezen van de SER zwaar, zeker wanneer de verschillende geledingen (werkgevers, werknemers, kroonleden) een eensluidend advies uitbrengen.

In een van zijn eerste adviezen zette de SER de doelstellingen voor het sociaaleconomisch beleid op een rij. Voor een goed werkende overlegeconomie is eensgezindheid hierover heel belangrijk. De gezamenlijke uitgangspunten helpen om tot overeenstemming te komen over meer concrete keuzes in het sociaaleconomisch beleid. De drie doelstellingen van de SER zijn:

  • een evenwichtige economische groei, passend binnen het streven naar duurzame ontwikkeling;
  • een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie;
  • een redelijke inkomensverdeling.

Gemiddeld genomen duurt het ongeveer 6 maanden voordat een SER-advies is afgerond.

Toezicht op product- en bedrijfschappen[bewerken]

Product- en bedrijfschappen, ook wel bedrijfslichamen genoemd, zijn publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van ondernemers en werknemers, die activiteiten ontplooien ten behoeve van een hele sector. Activiteiten van schappen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het voorkomen van plant- en dierziekten, het bevorderen van de innovatie in een branche of het verbeteren van arbeidsomstandigheden. Bedrijfslichamen worden, na advies van de SER, op basis van een algemene maatregel van bestuur ingesteld.[1].

Verschillende ministeries (SZW, LNV, EZ) en de SER houden toezicht op het functioneren van de schappen. In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte II uit 2012 is opgenomen dat de schappen opgeheven worden. Dit zal waarschijnlijk per 2015 wettelijk geregeld zijn. De Toezichtkamer ziet erop toe dat de afbouw en opheffing van de schappen zorgvuldig gebeurt.

Geschiedenis[bewerken]

Bijeenkomst van de SER over de representativiteit der hog ambtenaren, 25 September 1959 (foto Anefo)

In het boek Een andere SDAP? geschreven door W. Huygens (N.V. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1934) wordt voor het eerst geschreven over "De Centraal Economiese Raad" (C.E.R.) met kroonleden, afgevaardigden van bedrijven en afgevaardigden van bedrijfsraden. In dit boek krijgt de C.E.R. met verantwoordingsplicht aan Regering en Parlement en indirect naar onderen naar de bedrijfsschappen,het karakter van een uitvoerend regeringsorgaan. Er is dus een langere ontstaansgeschiedenis voorafgaande aan de vorming van de uiteindelijke SER. De SER is in 1950 als gevolg van het aanvaarden van de Wet op de Bedrijfsorganisatie opgericht.[2] Dat was na een lange periode van discussie over de sociale en economische orde in Nederland. Het ging vooral over de rol die de overheid en maatschappelijke organisaties daarin moesten spelen. Het was de tijd van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. De grote economische crisis van de jaren dertig lag nog vers in het geheugen. Algemeen vond men dat de overheid zich meer moest gaan bemoeien met economische groei, werkgelegenheid en sociale zekerheid. Maar de overheid kon die zware taak alleen waarmaken door het bedrijfsleven (ondernemers en werknemers) blijvend bij het oplossen van deze vraagstukken te betrekken.

Dat gebeurde onder andere door de adviezen die de regering sinds de oprichting in 1950 aan de SER vroeg. Sinds 1 januari 1997 mogen de Eerste en de Tweede Kamer de SER ook advies vragen. De eerste adviesaanvraag van het parlement (in dit geval de Tweede Kamer) ging over onvolledige AOW-opbouw en dateert van december 1999.

Voorzitters[bewerken]

Overheidsorgaan?[bewerken]

De SER is formeel geen overheidsorgaan maar wordt wel getypeerd als semioverheid. De SER wordt gefinancierd uit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Het kabinet stelt jaarlijks de hoogte van de premies vast die werkgevers dienen af te dragen aan het AWf. Hiervoor werd de SER betaald uit een heffing die alle ondernemingen in Nederland jaarlijks betaalden aan de kamers van koophandel. Deze financieringswijze kwam voort uit de visie dat ondernemingen een samenwerkingsvorm zijn van werkgevers en werknemers. De hoogte van de heffing was afhankelijk van de ondernemingsvorm en de grootte van de onderneming. Met de omvorming van de Kamers van Koophandel tot Ondernemingspleinen is de heffing komen te vervallen.

Het budget van de SER bedraagt circa €15 miljoen per jaar. Dit bedrag is exclusief de Kamers van Koophandel, de productschappen en de bedrijfschappen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. 2 Artikel 134 Grondwet en artikel 66, leden 1 en 2. Wet bo
  2. Over het ontstaan (officiële site)
  3. Benoeming nieuwe voorzitter SER Nieuwbericht Rijksoverheid.nl d.d. 29 augustus 2014