Sociaal contract

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
John Lockes geschriften over het Sociaal Contract waren in het bijzonder bij de Amerikaanse Founding Fathers heel invloedrijk.

Het sociaal contract is een belangrijke term in de sociale en politieke filosofie. De belangrijkste contractdenkers zijn Thomas Hobbes, John Locke, Jean-Jacques Rousseau en Immanuel Kant. Zij probeerden onze huidige maatschappelijke samenleving te verklaren vanuit de fictie dat mensen ooit zonder regels en in onbeperkte vrijheid (in een soort natuurtoestand) leefden, maar om uiteenlopende redenen (maar altijd uit eigenbelang) een contract met elkaar hebben gesloten. De contractfilosofen hebben verschillende ideeën over de inhoud van dit contract, maar ze hebben gemeen dat de mensen in het sociaal contract bepaalde vrijheden opgaven, waaronder het recht om voor eigen rechter te spelen. Individuele vrijheidsrechten werden (deels) overgedragen aan de gemeenschap (leidt tot democratie) of aan een soeverein.

Het contractdenken ontstond naar aanleiding van de bloedige godsdiensttwisten in het Europa van de 16e en 17e eeuw. Het wegvallen van de almacht van Rome zorgde ervoor dat verschillende denkers een antwoord gingen zoeken op de vraag hoe ervoor te zorgen dat een vorst voldoende macht had – en de legitimiteit om die macht te behouden – om de vrede langdurig te handhaven.

Filosofen[bewerken]

Hoewel er reeds bij de Griekse sofisten sporen van worden gevonden, wordt de term voornamelijk geassocieerd met Thomas Hobbes, John Locke en Jean-Jacques Rousseau. In onze tijd is John Rawls de belangrijkste politieke filosoof die over het sociaal contract schreef.

Thomas Hobbes[bewerken]

Volgens Hobbes' 'Leviathan' (1651) leefden de mensen oorspronkelijk in een natuurlijke toestand zonder besef van goed of kwaad. Ieder mens voorzag in zijn eigen behoeften en nam wat hij kon nemen. "Man's life was solitary, poor, nasty, brutish and short'". Die 'natuurlijke toestand' was dus een toestand van voortdurende oorlog, die pas eindigde toen de mensen bereid waren hun persoonlijke vrijheid op te geven en in handen te geven van een soeverein.[1] Hobbes verklaart de sociale cohesie daarmee vanuit de macht van de staat, ook wel het conflictmodel genoemd.

John Locke[bewerken]

John Locke's "Second Treatise of Government" (1689) bracht een ander concept van het sociaal contract naar voren, dat op een aantal punten verschilde van dat van Hobbes. Locke aanvaardt het centrale denkbeeld dat personen in een natuurstaat vrijwillig samenkomen om een staat te vormen. Hij denkt wel dat de individuen in een natuurlijke staat zich sterkere morele grenzen oplegden die hun acties bepaalden maar dat zij niettemin in een toestand van angst leefden. Ze zagen in dat een 'neutral judge' voor hun belangen zou kunnen opkomen en hun vrijheid, hun materieel bezit en hun levens zou kunnen beschermen. Waar Hobbes in zijn Leviathan gepleit had voor een bijna absoluut gezag, argumenteerde Locke dat alle acties van de staat slechts gelegitimeerd konden worden vanuit het algemeen belang. Locke was er ook van overtuigd dat mensen in een samenleving het 'juiste' zouden doen en dat alle mensen beschikten over natuurlijke rechten.

Jean-Jacques Rousseau[bewerken]

Jean-Jacques Rousseaus "Het maatschappelijk verdrag" (1762) stelde dat de mensen in hun presociale natuurstaat vredelievend en timide waren. Het ontstaan van wetten was volgens hem terug te voeren op het feit dat die mensen een deel van hun individuele vrijheid wilden inleveren in ruil voor meer bescherming. Uitgangspunt is hierbij dat wanneer de mens in volledige vrijheid leeft, dit een bedreiging vormt voor diens veiligheid. Derhalve diende een regering gebaseerd te zijn op de wil van de geregeerden, de "volonté générale". Dit hield ook in dat een regering niet door macht alleen gelegitimeerd mocht zijn.[1] Bij Rousseau komt de sociale cohesie dus tot stand door consensus, daarom ook wel het consensusmodel genoemd tegenover het conflictmodel van Hobbes.

John Rawls[bewerken]

In 1971 blies John Rawls (1921–2002) het sociaal contract nieuw leven in met zijn werk A Theory of Justice. Hij stelde een contracttheorie voor met kantiaanse trekjes. In A Theory of Justice stelde hij een soort gedachte-experiment voor waarbij rationele mensen zich moesten voorstellen dat ze zich in een hypothetische 'original position' bevonden. Daarbij worden ze verondersteld geen weet te hebben van hun toekomstige positie in de maatschappij en vanuit die positie stellen ze dan een 'sociaal contract' op. Door op die manier vanachter een veil of ignorance (sluier van onwetendheid) de principes van een rechtvaardige samenleving op te stellen, zou gewaarborgd worden dat ieders rechten gevrijwaard bleven. Niemand zou immers zichzelf in een benadeelde situatie willen plaatsen, waardoor de rationele mensen die het contract opstelden hun best deden dat niemand onrecht werd aangedaan en dat alle leden van de maatschappij fair behandeld zouden worden. De theorie is in dat opzicht dus kantiaans te noemen, omdat Rawls tracht universele wetten op te stellen die het principe van rechtvaardigheid waarborgen. Thomas Nagel was één van de eerste filosofen om dit werk kritisch te belichten (1973, "Rawls on Justice", Philosophical Review).

Referenties aan het sociaal contract[bewerken]

Bataafse Republiek[bewerken]

Het concept van het sociaal contract, of zoals het werd vernederlandst, van het Maatschappelijk Verdrag, was voor de grondleggers van de Bataafse Republiek in 1795 een leidraad geweest voor de constitutie en latere wetgeving. De Boekenwet 1803, die onder de Bataafse Republiek korte tijd de eerste nationale regeling in Nederland werd ter bestrijding van ongeoorloofde nadruk, maakte in artikel 1 uitdrukkelijk melding van dit (desalniettemin hypothetisch) verdrag.

Thomas Donaldson[bewerken]

De Amerikaanse bedrijfsethicus Thomas Donaldson gaf met zijn stakeholders-theorie in 1982 een toepassing van het sociaal contract binnen de bedrijfsethiek. Hiermee kwam hij tot een erkenning van het bestaansrecht van ondernemingen.

Mogelijke uitweg voor interculturele conflicten[bewerken]

Verwant aan het idee van een sociaal contract is dat van omgangsregels of een zogenaamde straatetiquette in problematische wijken, waartoe Jan Willem Duyvendak en Evelien Tonkens in juni 2007 opriepen.[2] Dat zou het samenleven van autochtonen en nieuwkomers moeten vergemakkelijken en mogelijk zelfs het zich 'thuis voelen' van immigranten. Een dergelijk recept is minstens tussen de regels door ook te vinden bij Edward R. Shapiro en A. Wesley Carr, die een heel boek wijdden aan het zich verloren voelen in wat een vertrouwde omgeving zou moeten zijn.[3] Een gevoel dat bij tal van oudere autochtone Nederlanders te beluisteren is. Overigens, in de meeste gevallen is daarbij sprake van een sluimerend conflict, hoe ongemakkelijk ook.

Onderzoeker Geert Driessen bracht tegen de suggestie van Duyvendak en Tonkens in dat het maar zeer de vraag is of de autochtonen en allochtonen waar het dan vooral vaak om gaat, nog afgezien van de taalbarrières, wel de daarvoor vereiste onderhandelingsmores en -vaardigheden hebben en of de autochtone minderheid wel de bereidheid heeft om zich te voegen naar de religieus en cultureel bepaalde regels van de dominante allochtone groepen (lees: moslimmannen).[4]

De meest voor de hand liggende uitweg voor het probleem dat Duyvendak/Tonkens, Shapiro/Carr en Driessen aansnijden, is wellicht dat een min of meer machtige, bekwame en gezaghebbende partij een bemiddelende rol op zich neemt.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Encyclopædia Britannica, 11the Edition (Public domain): 'Social contract'
  2. de Volkskrant, Het Betoog, 23 juni 2007
  3. Shapiro, E.R. en A.W. Carr (1991) Lost in Familiar Places. New Haven & London: Yale University Press.
  4. de Volkskrant, Het Betoog, 7 juli 2007