Sociale institutie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een institutie is een formele of informele regel die het gedrag en de interactie binnen een groep beperkt. Formele instituties zijn onder meer wetten, terwijl informele instituties bijvoorbeeld gewoonten zijn. Instituties worden ervaren als voorgegeven feiten die door de samenleving aan individuen zijn opgelegd. Soms wordt er een morele autoriteit aan toegekend en wordt aantasting ervan als een heiligschennis gezien.

Deze beperkingen vormen de sociale structuur door bepaald gedrag te verbieden of juist te vereisen. Het zijn de spelregels van een samenleving die de onzekerheden moeten verminderen die ontstaan bij interacties en uitwisseling.[1] Hiermee brengen instituties stabiliteit in de samenleving, wat overigens niet betekent dat bestaande instituties de meest doeltreffende structuur bieden. Instituties bepalen samen met de omgevingsfactoren in belangrijke mate de mogelijkheden binnen een samenleving.

Transactiekosten[bewerken]

In de neoklassieke economie wordt impliciet aangenomen dat iedereen volledig rationeel handelt, dat iedereen winstmaximalisatie nastreeft en dat alle partijen beschikken over alle relevante informatie, de perfecte markt. Als dat het geval zou zijn, zouden instituties onnodig zijn, aangezien ieders handelen voorspelbaar zou zijn. Uitwisseling zou daarbij kosteloos zijn en is er alleen sprake van de prijs van het product zelf.

Zodra dit niet het geval is, zoals bij de imperfecte markt, ontstaat er onzekerheid over de uitkomst van de uitwisseling. Het opheffen of verminderen van deze onzekerheid brengt kosten met zich mee, zogenaamde transactiekosten. Instituties kunnen bijdragen aan het verminderen van de onzekerheid en daarmee de transactiekosten verlagen.

Verandering[bewerken]

Hoewel instituties stabiliteit bieden, zijn zij wel aan verandering onderhevig, veelal gradueel. Verandering wordt in gang gezet door veranderingen in smaak, maar vooral door veranderingen in relatieve prijzen. Veranderingen in de laatste kunnen zowel exogeen als endogeen zijn, van buiten of binnen het systeem afkomstig. Exogene veranderingen vinden hun oorzaak in de omgeving, zoals klimaatverandering en epidemieën, terwijl endogene veranderingen voortkomen uit pogingen om het eigenbelang te dienen, winstmaximalisatie.

Veranderingen in relatieve prijs vinden hun oorzaak onder meer in veranderingen in de verhouding van productiefactoren - de verhoudingen tussen land tot arbeid, arbeid tot kapitaal of kapitaal tot land. Technologische veranderingen zijn ook van grote invloed, onder meer door het dalen van de kosten van informatie. Daarbij geldt een wisselwerking aangezien veranderde instituties transactiekosten kunnen verlagen. Zo kan nieuwe wetgeving en de handhaving daarvan op het gebied van eigendomsrecht het aantrekkelijker maken om overeenkomsten aan te gaan. Dit kan weer de bereidheid vergroten tot grote investeringen en langetermijnlangetermijninvesteringen.

Groepen met veel onderhandelingsmacht kunnen instituties meer beïnvloeden, zodat het resultaat niet altijd voor de samenleving als geheel het meest optimale resultaat geeft. North maakt in dit verband onderscheid tussen allocative efficiency en adaptive efficiency, vrij vertaald kostendoelmatigheid en aanpassingsvermogen. Allocative efficiency maakt huidige bedrijven en beslissingen sterk, maar adaptive efficiency houdt rekening met de creatieve vernietiging van Schumpeter die bedrijven op lange termijn sterker maakt.

Er bestaat daarnaast veelal een verschil tussen formele en informele veranderingen. Zo werkt een wetswijziging met vertraging door in het gedrag en de normen, terwijl andersom een verandering in normen niet direct wordt vertaald in wetswijzigingen. Dat kan resulteren in een gedoogbeleid omdat de noodzaak tot handhaving niet meer gevoeld wordt.

Zoals gesteld zijn instituties van groot belang bij de mogelijkheden binnen een maatschappij. Er zijn dan ook wel pogingen ondernomen door ontwikkelingslanden om instituties over te nemen van succesvolle ontwikkeld landen. Dat is niet altijd succesvol gebleken, doordat nooit alle instituties overgenomen kunnen worden. Zo is de common law van het Verenigd Koninkrijk overgenomen door veel voormalige koloniën. Daarbij zijn de Verenigde Staten en Australië wel succesvol gebleken, maar veel koloniën in Afrika niet. Oude gewoontes en normen die in gebruik bleven naast de nieuwe wetgeving zijn daarbij van groot belang. Padafhankelijkheid - de invloed van het verleden - maakt het daarbij moeilijk om hier verandering in aan te brengen.

Organisaties[bewerken]

Grote maatschappelijke organisaties, of manieren waarop de maatschappij is georganiseerd, vormen zulke instituties. Te denken valt aan organisatievormen die een wettelijke of staatkundige basis hebben: het rechtssysteem is een institutie, het politieke bedrijf eveneens, en het onderwijs is weer een ander voorbeeld. Vaak zijn deze instituties voor een individu onmiddellijk als zodanig herkenbaar.

Maar de maatschappij is ook op minder herkenbare wijzen georganiseerd. Zo valt de economie van een samenleving minder onmiddellijk op als regulerend patroon voor de individuen, maar toch vormt zij een programma waarnaar die individuen hebben te leven. Dit valt temeer op wanneer men verschillende economische systemen met elkaar vergelijkt: dan blijkt de economie geen vanzelfsprekend, objectief vaststaand gegeven, maar er zijn varianten mogelijk.

Andere patronen[bewerken]

Regulerende patronen die niet onmiddellijk op grond van organisatie tot stand komen, zijn bijvoorbeeld het familieverband en de taal. Dat men onderdeel uitmaakt van een familie, heeft doorgaans wettelijke consequenties, maar is ook van grote invloed op de privé-sfeer; de banden zijn niet of met grote moeite te verbreken.

De taal is een institutie die het individu helpt de werkelijkheid te benaderen: die werkelijkheid wordt ingedeeld door middel van begrippen, die het denkbeeld dat het individu van de werkelijkheid heeft, sturing geven.

Die sturing is maatschappelijk: een individu kan bijvoorbeeld niet zelf woorden verzinnen voor realia die door een bepaalde maatschappij niet onderkend of erkend worden, ook al komen die begrippen wellicht in andere taalgebieden en maatschappijen wél voor.

  • Zo zal een woord voor "televisie" niet in iedere samenleving bestaan.
  • En sommige samenlevingen onderscheiden generatiegenoten naar geslacht (broer tegenover zus), terwijl andere een leeftijdsonderscheid maken (oudere tegenover jongere, of die nu man of vrouw is).

Basiskenmerken[bewerken]

Sociale instituties hebben een aantal basiskenmerken:

  • zij zijn extern: zij bestaan buiten het individu; dat individu kan niet, als hij dat mocht willen, een institutie elimineren
  • zij zijn objectief of intersubjectief: iedereen is het erover eens dat zij bestaan, dat hun regels geldig zijn; iets is volgens een maatschappelijke meerderheid, of volgens nagenoeg iedereen, moreel onverantwoord ("zoiets doe je niet!"), taalkundig correct, wettelijk toegestaan
  • zij zijn dwingend: ongewenst taalgebruik wordt op meer of minder subtiele wijze tegengegaan in de opvoeding of zelfs door wetgeving; op het overtreden van wetten staan straffen, hoewel de opvoeding (zelf een institutie) er deels op gericht is het zover niet te laten komen
  • zij hebben moreel gezag: wie de wet overtreedt, is niet alleen strafbaar, maar wordt ook als immoreel gezien; wie taalfouten maakt, roept ridiculisering over zich af
  • zij zijn historisch gegroeid: de huidige economie, de tegenwoordige staatsinrichting, het gezin, het taalgebruik, zij alle zijn niet van de ene dag op de andere in de huidige vorm ontstaan, maar hebben die vorm in de loop van eeuwen, soms millennia aangenomen.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Berger, P.L.; Berger, B. (1976): Sociology: A Biographical Approach, Harmondsworth,
  • North, D.C. (1990): Institutions, Institutional Change and Economic Performance, Cambridge University Press.

Noten[bewerken]

  1. North (1990)