Sociale stratificatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Stratificatie binnen het kapitalisme, waarbij de onderverdeling in verschillende strata duidelijk naar voor komt

Sociale stratificatie is het indelen van groepen mensen in maatschappelijke lagen, waartussen een ongelijkheidsverhouding bestaat. Hierbij wordt sociale ongelijkheid vereenvoudigd door de maatschappij in slechts enkele sociale klassen te verdelen. Veelgebruikt is bijvoorbeeld de verdeling onderklasse, middenklasse en bovenklasse. Redenen voor het indelen van een persoon of een familie in een klasse zijn onder andere: inkomen, bezit, opleiding, afkomst, ras, sekse, geloof. Het begrip is ontleend aan de geologie waarbij in de stratigrafie de volgorde van opeenvolgende gesteentelagen - ook wel strata genoemd - wordt bestudeerd.

Sociale stratificatie is echter meer dan enkel de onderverdeling in sociale klassen, het verwijst ook naar geïnstitutionaliseerde sociale ongelijkheid[1] In veel samenlevingen is de sociale ongelijkheid immers diep verankerd. De verdeling van schaarse middelen, diensten en posities - vaak verdeeld onder een klein percentage van de bevolking, de bovenklasse - wordt dan erkend door de leden van de samenleving. Dit wil niet zeggen dat ze die verdeling goedkeuren, wel dat ze beseffen dat die verdeling er effectief is.

Er zijn verschillende middelen waarop de elite zijn positie legitimeert, verwijzen naar de eigen goddelijke afstamming bijvoorbeeld. In andere samenlevingen wordt de hogere strata meer middelen gegund door hun (al dan niet reële) grotere bijdragen aan het algemeen welzijn.

Bij Karl Marx speelde het begrip klasse en vooral de klassenstrijd een centrale rol. Hoewel hij meerdere klassen onderscheidde, draaide het in de klassenstrijd om het proletariaat, de arbeidersklasse die geen toegang heeft tot het kapitaal, en de bourgeoisie, de kapitalistische klasse. Marx besprak vooral een economische klasse waarbij lidmaatschap van een klasse afhankelijk is van iemands toegang tot productiemiddelen ("kapitaal"). Hij baseerde zich daarbij op de Engelse klassieke economen, met name Smith en Ricardo, en op het Franse ("utopische") socialisme van Saint-Simon.

Max Weber maakte onderscheid tussen klasse, stand en partij. Vooral Amerikaanse sociologen hebben dit uitgewerkt tot een zogenaamd driedimensionaal model van sociale stratificatie waarin klasse, status en macht elk een rol spelen. Een bepaalde groep kan daarbij hoog aangeschreven staan in de ene dimensie, maar laag in de andere. Pierre Bourdieu heeft deze indeling gebruikt voor zijn theorieën over economisch, sociaal en cultureel kapitaal. Hij legde hierbij een sterke nadruk op de resulterende levensstijl en de esthetische voorkeuren.

Ontstaan van sociale stratificatie[bewerken]

De introductie van sociale stratificatie in een maatschappij start zodra ongelijkheid zijn intrede doet in diezelfde maatschappij[2].

Jager-verzamelaars joegen en verzamelden in groepsverband, omdat dit veel efficiënter was. Het verdelen van het voedsel - collectief delen - werd dan ook als een sociale norm gezien. In zulke leefomstandigheden is er geen sprake van ongelijkheid (en er is dus ook geen sociale stratificatie), het is immers onmogelijk voedsel te accumuleren dat daarna ongelijk zou kunnen worden verdeeld.

Pas wanneer de jagers-verzamelaars zich in een zeer vruchtbare omgeving vestigden en in toenemende mate sedentair werden, werd het groepsleven steeds meer gekenmerkt door ongelijkheid.

Zolang men voornamelijk voedsel bekomt via jagen en verzamelen, blijft de sociale ongelijkheid beperkt. Eén groep kan een andere groep immers nooit verbieden ook op jacht te gaan.

Maar stilaan ontwikkelde men landbouw. Het bewerken van grond vereist geen coöperatie met andere families, waardoor het verdelen van voedsel niet langer tussen maar binnen families gebeurde. Collectieve jacht verdwijnt immers op de achtergrond, collectief delen is niet langer de norm. Jachtgebieden kan men onmogelijk opeisen, bij landbouwgronden is dat wel het geval.

Landbouw zorgt voor een toenemende ongelijkheid. Families met voldoende en geschikte toegeëigende grond beschikken sneller over voldoende middelen om een tweede akker te bewerken, daarna volgt een derde akker, etc. Middelen zoals grond zijn doorgaans niet in overvloed beschikbaar en dus eigent één groep een grond op ten koste van een andere groep. De introductie van landbouw leidt dus de facto tot het ontstaan van sociale stratificatie.

Een andere cruciale factor in het ontstaan van sociale stratificatie, bestaat uit het ontstaan van klassen. Rudimentair komt dit neer op het ontstaan van een ongelijke toegang tot de beschikbare productiemiddelen, zoals bijvoorbeeld machines, gereedschap maar vooral ook grond. Schaarste zorgt hierbij voor toename van sociale ongelijkheid. Klassen ontstonden dankzij landbouw. Bevolkingsgroei en een intenser wordende landbouw met steeds kleiner wordende beschikbare gronden per persoon zorgt voor bevolkingsdruk. Die bevolkingsdruk zorgt voor competitie want landbouwgrond wordt schaars. Iedere groep of familie probeert een stuk grond te bemachtigen maar er zijn niet langer voldoende landbouwgronden beschikbaar om iedereen zichzelf te laten voorzien van voedsel. Bepaalde groepen worden dus afhankelijk voor hun voedselvoorziening van andere, meer succesvolle groepen. Die afhankelijkheid uit zich logischerwijze in ongelijkheid. De sterke groepen (of families) zijn in staat hun grond te verdedigen.

Als eenmaal een groep zich boven een andere groep heeft geplaatst, zal zij altijd proberen de ongelijkheid te bestendigen in de vorm van coalities met andere sterke groepen en door het ontwikkelen van erfrecht. Zo wordt de kloof tussen arm en sterk steeds groter.

Stratificatie in landbouwsamenlevingen[bewerken]

Geleidelijk aan leidt de verdere ontwikkeling van landbouw tot steeds meer geraffineerde manieren om de bestaande sociale ongelijkheid in stand te houden. Zo onderscheidt men drie stratificatiestelsels[3]: De slaven-, kasten- en standenmaatschappij. Zij hebben gemeenschappelijk dat de toegang tot landbouwgrond te voornaamste basis van sociale ongelijkheid was.

Slavernij[bewerken]

Bijna elke bekende landbouwsamenleving kende slavernij. Pas de laatste 1.000 jaar wordt slavernij als economisch systeem ernstig in vraag gesteld. Krijgsgevangenen vormden de basis voor slavernij. Waar gevangenen voor een nomadisch volk eerder een last zijn, is dat bij sedentaire landbouwbeschavingen helemaal niet het geval. In tegendeel zelfs, de gevangenen kunnen op productieve wijze worden ingezet, bijvoorbeeld bij het bewerken van gronden. In zulke samenlevingen is er immers voortdurend nood aan extra arbeidskrachten. Er zijn tal van voorbeelden waarbij men slavernij (succesvol) als een volwaardig economisch systeem hanteerde, denk maar het oude China, Griekenland, Rome, het 18de eeuwse Latijns-Amerika en 19de eeuwse Noord-Amerika.

Wanneer slavernij binnen een racistische context wordt toegepast, krijgt de slaaf een status van minderwaardig wezen aangemeten.

Kasten[bewerken]

De kastensamenleving is een uiterst geraffineerd systeem, gericht op de legitimatie van sociale stratificatie. De ordening van mensen op basis van eer of prestige is het uitgangspunt van dit stratificatiestelsel. Eer kan bijvoorbeeld worden toegekend op basis van een positieve maatschappelijke evaluatie van niet-economische kenmerken zoals etniciteit, ras en/of religieuze status. Deze niet-economische kenmerken worden dan gekoppeld aan economische posities (zoals bijvoorbeeld grondbezit of uitoefening van een beroep). Mensen die deel uit maken van een bepaalde religie of ras, kunnen bijvoorbeeld uitgesloten worden van bepaalde categorieën beroepen. Joden mochten bijvoorbeeld alleen "slechte" beroepen uitoefenen zoals arts of bankier, dat is een typerend voorbeeld van sociale stratificatie binnen een kastenstelsel. Mensen kunnen ook onrein geboren worden (een religieuze status) op basis van slechte prestaties in een vorig leven, hetgeen impliceert dat ze niet kunnen opklimmen op basis van tijdens hun leven verworven vaardigheden. Hun positie in de sociale stratificatie ligt vast van bij de geboorte en is dus onveranderlijk.

Het koppelen van niet-economische kenmerken aan economische kenmerken, heeft een duidelijk legitimerende functie. Als mensen zélf geloven dat ze inferieur zijn omwille van een onveranderbaar beschouwde eigenschap, dan zullen ze de consequenties van hun "inferioriteit" ook sneller aanvaarden.

Conclusie is dat kastensysteem expliciet gebaseerd is op een religieuze of ideologische verantwoording van sociale stratificatie.

Een hedendaags voorbeeld van het kastensysteem, is India.

Noten

  1. Kerbo, Harold R. (2006). Social stratification and Inequality. Class conflict in Historical, Comparative, and Global Perspective.
  2. Bracke, Piet, Van De Putte Bart, Van Houtte Mieke, Vermeersch Hans (2013) Sociologie, een hedendaagse inleiding
  3. McCord William & McCord Aline (1977). Power and Equity: An Introduction to Social Stratification. New York: Praeger.

Bronnen