Soerapati

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Soerapati of Surapati (Bali, voor 1660 - Bangil bij Pasuruan (Oost-Java), 5 december 1706) was een guerrillaleider die op het eind van de 17e en in het begin van de 18e eeuw de hoofdtegenstander van de VOC op Java was. In de Republiek Indonesië wordt Soerapati beschouwd als een nationale held (Held van Indonesië) en als een van de eerste voorvechters van de Indonesische onafhankelijkheid.

Batavia[bewerken]

De Balinees Soerapati, wiens oorspronkelijke naam waarschijnlijk Sie Oentoen (Untung) was, werd al jong door Chinezen of Arabieren op de slavenmarkt van Batavia verkocht. Volgens de Javaanse kroniek Babad Tanah Jawi kwam hij, na door zijn eerste eigenaar, VOC-kapitein van Beber, goed te zijn behandeld, na diens dood, in handen van een andere VOC-officier, genaamd Moor, die hem mishandelde, omdat hij met diens dochter Suzanne wilde trouwen. Na hiervoor eerst gevangen te hebben gezeten, ontsnapte de nu ongeveer 20-jarige Soerapati uit Batavia en sloot zich in de 'ommelanden' van Batavia bij een merendeels Balinees opstandelingenleger aan (1678-1679).

Bantam[bewerken]

In het Sultanaat Bantam had de VOC haar eigen kandidaat (Sultan Aji) in de troonstrijd die daar laat in de jaren 70 en in het begin van de jaren 80 van de 17e eeuw plaatsvond. Soerapati wist een belangrijke tegenstander van de VOC in deze troonstrijd (Sjeik Yusuf of Purbaya) bij de Gunung Gede met een vrijgeleide in de handen van de Nederlandse kapitein Ruys, de bevelhebber van het fort Tanjungpura, te spelen. In deze fase versterkte Soerapati die onder de naam Untung (de gelukkige) opereerde de positie van de VOC. Men probeerde nu van Nederlandse kant om hem en zijn troepen door hen een militaire opleiding te geven tot een deel van het VOC leger om te vormen. Soerapati leerde op deze manier de westerse gevechtsmethoden kennen. Hij was er de gehele tijd dat hij in contact was met VOC-officieren op bedacht dat men hem weer als slaaf naar Batavia kon terugbrengen. Nadat Untung/Soerapati westerse militaire ervaring had opgedaan, brak hij met de VOC toen hij had gezien hoe Purbaya door de Nederlandse vaandrig Kuffeler werd mishandeld. Het lukte Soerapati niet om Purbaya uit handen van de Nederlanders los te krijgen, maar samen met diens vrouw Gusik Kusuma en met zijn Balinese troepen, vertrok hij, na Kuffeler bij de rivier de Cikalong te hebben verslagen (28 januari 1684), naar het hof van de Soesoehoenan van Mataram op Oost-Java. Zijn troepen waren voorzien van westerse vuurwapens en munitie, volgens de VOC door Chinese 'smokkelaars' aangeleverd. Onderweg naar Mataram kreeg hij hooglopende ruzie met Raden Surapati uit het gevolg van de sultan van Cirebon: Na een rechtszaak waarin hij in het gelijk werd gesteld werd Raden Surapati terechtgesteld en Untung voerde sindsdien de naam Soerapati/Surapati.

Mataram[bewerken]

In Mataram regeerde sinds 1677 Soesoehoenan Amangkoerat II van Mataram. Zijn opvolging in de hoofdstad Kartasoera was niet onomstreden: Om zijn positie op de troon te behouden was hij afhankelijk van een klein Nederlands garnizoen dat orde en rust in de kraton moest garanderen en dat eventuele naaste familieleden van Amengkoerat die aanspraken op de troon meenden te kunnen maken moest ontmoedigen. Na de aankomst van Soerapati (die intussen met Purbayas vrouw Gusik Kusuma was getrouwd, na een ontmoeting met haar vader, de fel anti-Nederlandse hoveling Nerang Kusuma) raakte Amengkoerat in een lastig parket. Aan de ene kant kon Soerapati hem helpen de impopulaire buitenlandse troepen kwijt te raken en zo zijn aanzien onder de Javaanse bevolking versterken, aan de andere kant moest hij de machtige VOC te vriend zien te houden. In februari 1686 wist Soerapati de aanvoerder van het Nederlandse garnizoen, François Tack, samen met een groot deel van diens troepen, te doden. Amengkoerat benoemde hem daarop tot aanvoerder van zijn lijfwacht, en gaf hem bovendien een van zijn dochters ten huwelijk. Soerapati kreeg gebieden op het oostelijk deel van Java in leen en vanaf 1687 had hij daar, rond Pasuruan, samen met Nerang Kusuma zijn vrijwel onafhankelijke machtsbasis. De 'gelukkige' voormalige slaaf Untung Soerapati voerde nu de titel van Tumenggung Wiranegara (Schild-Gong, Held van het Land), regent van Pasuruan. De VOC wist in de daarop volgende jaren niet terug te slaan: de troonstrijd in het veel dichter bij Batavia gelegen Bantam eiste de aanwezigheid van de beste VOC troepen op en de geslaagde aanval van Soerapati op het Nederlandse garnizoen in Kartasoera had bewezen dat men in hem met een geduchte tegenstander van doen had. Hoewel de VOC er bij Amengkoerat II sterk op aandrong om iets tegen Soerapati te ondernemen, liet deze het bij een loze schijnaanval op Pasuruan (1690) om de Nederlanders enigszins van zijn goede intenties te overtuigen.

Pasuruan[bewerken]

In Pasuruan (Pasoeroean) op Noord-Oost Java wist Soerapati zich in de late jaren 80 en de jaren 90 van de 17e eeuw een sterke onafhankelijke positie te verwerven. Zijn Balinese achtergrond zorgde ervoor dat hij steun van het aangrenzende Hindoeïstische oostelijk deel van Java behield, ten zuiden was Mataram zolang Amengkoerat II op de troon zat militair van hem afhankelijk. Soerapati's kraton in Pasuruan, strategisch gelegen direct langs de zeeweg die Batavia met het oosten van de Indische archipel verbond, maakte hem ook economisch onafhankelijk.

Eerste Javaans Successie Oorlog[bewerken]

Pas in september 1706 nadat de troonstrijd in Bantam was beëindigd kon de VOC genoeg troepen vrij maken om zich in de 'Eerste Javaanse successie-oorlog' te mengen: In 1703 was Amengkoerat II gestorven, de VOC steunde Pakoeboewono I van Soerakarta of Puger als nieuwe Soesoehoenan terwijl Soerapati Amangkoerat III van Mataram (Soesoehoenan Mas) als zijn kandidaat naar voren schoof. Deze Amangkoerat III vluchtte naar Pasuruan toen zijn positie in Kartasoera onmogelijk was geworden. Onder de VOC generaal Govert Cnol gingen de Nederlanders, gesteund door Surabaya, Madura en Pakoeboewonno bij Bangil, op de weg naar Pasuruan, de slag aan met Soerapati. Deze overleed na zich tot het uiterste te hebben verweerd aan de verwondingen die hij in deze slag had opgelopen. De nakomelingen van Soerapati probeerden zijn overlijden geheim te houden: Hij werd anoniem begraven en een veldbed met daarop een 'valse' Soerapati werd nog een half jaar door zijn opgejaagde troepen rondgedragen. Pas op 18 juni 1707 vond Herman de Wilde, die op jacht was naar Amengkoerat III het graf van Soerapati. Zijn lijk werd door de Nederlanders verbrand en zijn as op zee verspreid. Nakomelingen van Soerapati, waaronder Bridal Raden Soerapati en Raden Suradilaga, getrouwd met vrouwen uit aanzienlijke Javaanse families, behielden met hun gemengde Balinese en Javaanse troepen echter de macht in de bergen van Oost-Java rond Malang en Lumajang, en nog generaties lang voerden zij een verzet tegen de groeiende macht van de VOC. Soerapati wordt in de Republiek Indonesië beschouwd als een van de eerste voorlopers van de onafhankelijkheidsstrijders uit de 19e en 20e eeuw. Hij wordt in de literatuur, onder anderen door Busken Huet (Het land van Rembrand, II, blz. 335), vanwege zijn achtergrond als in opstand gekomen slaaf, vergeleken met Spartacus. De Indonesische president Soeharto heeft Soerapati op 3 november 1975 tot nationale held uitgeroepen.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Busken Huet: Het land van Rembrand, 1882-84
  • Abdoel Moeis (Muis): Surapati, 1979
  • Melati van Java: Soerapati, historisch romantische schets uit de geschiedenis van Java, 1887, derde druk 1927/28
  • Babad Tanah Jawi