Sophia Albertina van Zweden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Prinses Sophia Albertina

Sophia Albertina van Zweden (Stockholm, 8 oktober 1753 - aldaar, 17 maart 1829) was een Zweedse prinses uit het huis Holstein-Gottorf. Ze was van 1787 tot 1803 de laatste abdis van de Abdij van Quedlinburg, nabij de stad Quedlinburg. Daardoor was zij ook een monarch binnen het Heilige Roomse Rijk.

Leven[bewerken]

Sophia Albertina werd geboren in Stockholm als jongste kind en enige dochter van koning Adolf Frederik van Zweden en diens vrouw koningin Louisa Ulrika van Pruisen. Ze kreeg de volgende namen: Sophia Maria Lovisa Fredrika Albertina. Haar roepnamen kreeg ze van haar grootmoeders, de naam Sophia komt van Sophia Dorothea van Hannover, koningin van Pruisen, dochter van koning George I van Groot-Brittannië. En de naam Albertina kwam van Louisa Albertina Frederike, prinses van Holstein-Gottorp-Eutin, de moeder van haar vader. Ze had drie oudere broers: Prins Gustaaf (1746-1792) later koning van Zweden als Gustaaf III, huwde Sophia Magdalena van Denemarken. Prins Karel (1748-1818), na de gedwongen troonsafstand van koning Gustaaf IV Adolf (zoon van Gustaaf III) koning van Zweden als Karel XIII, huwde Hedwig Elizabeth Charlotte van Holstein-Gottorp. En prins Frederik Adolf (1750-1803), bleef ongehuwd, was hertog van Östergötland. Haar broer Gustaaf III heeft haar geprobeerd uit te huwelijken aan Willem, hertog van Oldenburg en aan koning Stanislaus II August van Polen. Van deze beide partijen kwam geen resultaat en prinses Sophia Albertina bleef ongehuwd.

Haar moeder, Louisa Ulrika van Pruisen, zusje van koning Frederik II van Pruisen.

Haar leven was tijdens de regeringen van haar broer Gustaaf III en diens zoon en haar neefje koning Gustaaf IV Adolf. Sophia Albertina was zeer gehecht aan haar broer Frederik Adolf, zij waren ook de favoriete kinderen van haar moeder, Louisa Ulrika. Ze kozen beiden de kant van hun moeder tijdens een groot conflict tussen Gustaaf III en Louisa Ulrika, 1778-1782. In die tijd spendeerde Sophia Albertina haar tijd aan het hof van haar moeder.

In 1787 werd zij Prinses-Abdis van Quedlinburg. In 1803 werd haar die titel ontnomen. Ze keerde toen terug naar Zweden.

In 1792 was haar broer, Gustaaf III, overleden. Sindsdien was Gustaaf IV Adolf aan de macht. Zijn regering was een ramp en hij regeerde als een absolute monarch. Toen tijdens de Napoleontische oorlogen in 1809 Finland werd veroverd door Rusland, vond er in het Stockholms slot een revolutie plaats. Koning Gustaaf IV Adolf werd afgezet en haar oudere broer Karel werd benoemd tot regent. Niet veel later op 5 juni van dat zelfde jaar werd hij uitgeroepen tot koning van Zweden. Karel had geen kinderen en daarom moest er worden gezocht naar een geschikte troonopvolger. Die vonden de Zweden, Jean-Baptiste Jules Bernadotte, generaal in het leger van keizer Napoleon I van Frankrijk. In 1810 werd hij benoemd tot kroonprins en in 1818 volgde hij Karel XIII op als koning van Zweden en Noorwegen. Hij werd koning als Karel XIV Johan. In het begin was Sophia Albertina niet echt blij met de nieuwe dynastie. Maar tijdens haar laatste jaren raakte ze steeds beter bevriend met de nieuwe monarch en zijn groeiende familie.

Ze bracht veel tijd door met de familie van de kroonprins en kroonprinses. Sophia Albertina was zich erg goed bewust van haar positie als laatste Wasa-telg aan het Zweedse hof. Ze zette zich met veel tijd en energie in voor ceremonies aan het hof. Ze hield zich ook aan de geldende etiquette aan het hof van de familie Bernadotte. In 1823 plaatste zij de Kroonprinselijke Kroon op het hoofd van prinses Josephine van Leuchtenberg, die in dat jaar trouwde met kroonprins Oscar. En in 1826 was zij getuige van de geboorte van prins Karel, later koning Karel XV van Zweden en Noorwegen.

Prinses Sophia Albertina stierf op 17 maart 1829 te Stockholm. Zij werd 75 jaar oud.