Spaanse Burgeroorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Spaanse burgeroorlog)
Ga naar: navigatie, zoeken
Spaanse Burgeroorlog
Situatie in Spanje, november 1938
Situatie in Spanje, november 1938
Datum 17 juli 1936 - 1 april 1939
Locatie Continentaal Spanje, Spaans-Marokko, de Spaanse Sahara, de Canarische Eilanden, de Balearen, Spaans-Guinea, de Middellandse Zee en de Noordzee
Resultaat Nationalistische overwinning
Strijdende partijen

Flag of the Second Spanish Republic.svg Republikeinen

Gesteund door:

Flag of Spain Under Franco 1936 1938.png Nationalisten

Gesteund door:

Commandanten
Flag of the Second Spanish Republic.svg Flag of the Popular Front (Spain).svg Manuel Azaña
Flag of the Second Spanish Republic.svg Socialist red flag.svg Francisco Largo Caballero
Flag of the Second Spanish Republic.svg Flag of the Popular Front (Spain).svg Juan Negrín
Flag of the Second Spanish Republic.svg Flag of the Popular Front (Spain).svg Indalecio Prieto
Flag of the Second Spanish Republic.svg Bandera CNT-AIT.svg Buenaventura Durruti (†)
Estelada blava.svg Lluís Companys
Flag of the Basque Country.svg José Aguirre
Flag of Spain Under Franco 1936 1938.png Flag of Traditionalist Requetes.svg Emilio Mola
Flag of Spain Under Franco 1936 1938.png Francisco Franco
Flag of Spain Under Franco 1936 1938.png Bandera FE JONS.svg Manuel Hedilla
Troepensterkte
450.000 soldaten
350 vliegtuigen
200 batterijen
(1938)
600.000 soldaten
600 vliegtuigen
290 batterijen
Verliezen
Totaal (beide zijden) 500.000 doden[1][2]
Een kolenmijn in Asturië

De Spaanse Burgeroorlog was een groot conflict dat uitgevochten werd in Spanje van 17 juli 1936 tot 1 april 1939. De oorlog begon na een pronunciamiento (oppositieverklaring) van een groep rechtse generaals onder leiding van José Sanjurjo tegen de regering van de Tweede Spaanse Republiek, op dat moment onder leiding van president Manuel Azaña. De militaire staatsgreep werd gesteund door conservatieve groepen als de CEDA, monarchisten zoals de religieus-conservatieve carlisten, en de fascistische falangisten. De generaals hadden autoritaire en anti-separatistische inspiratiebronnen. Aan nationalistische zijde waren er sterke anti-Baskische en anti-Catalaanse gevoelens.

Na de slechts gedeeltelijk succesvolle staatsgreep was Spanje militair en politiek verdeeld. Vanaf dat moment startte generaal Francisco Franco een langdurige oorlog tegen de gevestigde regering, omdat de trouwe aanhangers van de linkse republikeinse regering de rebellen bevochten voor de controle over het land. De generalen (nacionales) kregen de steun van nazi-Duitsland en het Koninkrijk Italië, evenals van het naburige Portugal, terwijl de Sovjet-Unie en Mexico hun steun gaven aan de republikeinse regering.

Bloedige zuiveringen deden zich voor in delen van Spanje die veroverd werden door de nationalisten om het toekomstige regime van Franco te consolideren, terwijl gelijkaardige moorden plaatsvonden in gebieden die veroverd werden door de republikeinen. De burgeroorlog werd gekenmerkt door de passie en politieke verdeeldheid die hem inspireerde. Tienduizenden burgers aan beide kanten werden vermoord wegens hun politieke of religieuze standpunten, en na het einde van de oorlog in 1939 werden diegenen die geassocieerd werden met de verliezende republikeinen vervolgd door de zegevierende nationalisten.

De oorlog eindigde met een overwinning voor de conservatieve nationalisten, het omverwerpen van de democratische regering, en de ballingschap van duizenden linkse Spanjaarden, van wie velen vluchtten naar vluchtelingenkampen in Zuid-Frankrijk. Met de oprichting van een dictatuur onder leiding van generaal Francisco Franco in de nasleep van de burgeroorlog, fuseerden alle rechtse partijen in de structuur van het Franco-regime.

Aanloop tot de burgeroorlog[bewerken]

In 1931 werd in Spanje de Republiek uitgeroepen door een revolutionair comité onder leiding van Alcála Zamora toen er na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen rellen uitbraken en koning Alfons XIII het land ontvluchtte. Het revolutionair comité riep zichzelf uit tot interim-regering met Alcalá Zamora als staatshoofd.[3] Hoewel formeel een democratie, was het land politiek instabiel, wat veroorzaakt werd door sterke tegenstellingen tussen links en rechts.

Aanvankelijk had links de meerderheid. Er werd een zeer linkse grondwet aangenomen, met als gevolg landhervormingen en een sterk antiklerikale wetgeving. Lokaal werd hier en daar spontaan overgegaan tot collectivisatie. Betrokkenen bij de aan de republiek voorafgaande dictatuur van Miguel Primo de Rivera onder koning Alfons XIII werden gestraft.

Op 10 augustus 1932 pleegde generaal Sanjurjo een mislukte rechtse staatsgreep tegen de republiek. Sanjurjo werd aanvankelijk tot de doodstraf veroordeeld, maar die straf werd omgezet in een gevangenisstraf. In maart 1934 verleende de Lerroux-regering hem amnestie en hij ging in Portugal in ballingschap.[4]

In november 1933 wonnen de rechtse partijen de verkiezingen, waarna veel maatregelen werden afgezwakt of teruggedraaid. Toen in oktober 1934 de zeer rechtse (semi-fascistische) CEDA tot de regering toetrad kwamen in diverse delen van het land linkse krachten in opstand. Hierbij werd onder andere een groot aantal kerken en kloosters geplunderd en verbrand. Overal braken stakingen en opstanden uit die gepaard gingen met veel geweld en aanvallen op kazernes van de Guardia Civil en openbare gebouwen. De linkse leider Largo Caballero had begin oktober opgeroepen tot een revolutie van de massa's. Zover was het echter niet gekomen zoals hij moest erkennen. De opstand, waarin onder meer Catalonië zich onafhankelijk verklaarde, werd de kop ingedrukt na het uitroepen van de staat van beleg en uiterst hard optreden door de politietroepen. Alleen al in de mijnstreek Asturië had de revolutie meer dan duizend slachtoffers gekost en grote materiële schade veroorzaakt. Daarna werden duizenden arbeiders ontslagen omdat ze hadden deelgenomen aan de opstand. Ook werden duizenden gevangengezet tot in januari 1935 de staat van beleg werd opgeheven. Twintig mensen werden ter dood veroordeeld. Uiteindelijk werden twee vonnissen voltrokken. Er werd een nieuwe regering gevormd met vijf CEDA-leden in het kabinet, met generaal Banjul als ondersecretaris en Franco als bevelhebber van de generale staf. Deze regering draaide veel van de progressieve republikeinse maatregelen terug; kerkelijke bezittingen werden teruggegeven en grootgrondbezitters werden schadeloos gesteld voor de landonteigeningen. Militant links, waaronder Largo Caballero, was na de tijdelijke gevangenzetting verder geradicaliseerd en bereid de strijd aan te gaan. De conservatieven werden door uitspraken van Largo Caballero als "ik wil een Republiek zonder klassenstrijd, maar daarvoor moet één klasse verdwijnen" bevestigd in hun geloof dat ze alles moesten doen om de aangekondigde "dictatuur van het proletariaat" te verhinderen.[5]

In februari 1936 waren er nieuwe verkiezingen waarin het ging tussen de linkse alliantie 'Frente Popular' (Volksfront) en het rechtse blok van de CEDA, het 'nationale contrarevolutionaire front', gesteund door de clerus. Links speelde in op de angst voor de "falangisten" en rechts op angst voor een bolsjewistische revolutie. Beide partijen gebruikten apocalyptische retoriek, wat de verwachting voedde dat er uiteindelijk een gewelddadige oplossing zou komen en geen politieke meer mogelijk was. De linkse krachten, verenigd in het Volksfront, wonnen met krappe meerderheid. Mogelijk mede doordat in het jaar ervoor de lonen van de arbeiders waren verlaagd. Er kwam een nieuwe linkse regering onder leiding van Manuel Azaña, waarin ook de socialisten en communisten zitting hadden. Deze gaf alle resterende gevangenen van de oktober-revolutie amnestie, herstelde de socialistische raden, hervatte de confiscatie van land van de grootgrondbezitters en zegde toe dat alle arbeiders die hun baan kwijt waren geraakt ten gevolge van de oktober-revolutie weer naar hun werk terug zouden kunnen. In het land heerste echter een chaotische situatie en stakingen en gewelddadigheden namen toe. De op zich niet zeer radicale regering kon of wilde niet optreden tegen excessief antiklerikaal geweld van de kant van extreem-linkse groeperingen.

Ook kon de regering niet het rechtse geweld stoppen. In april 1936 werd Spanje opgeschrikt door een reeks aanslagen. Het eerst slachtoffer was de rechter Manuel Pedregal die werd vermoord door een aanhanger van de rechtse Falange, omdat hij een falangist had veroordeeld tot dertig jaar cel voor de moord op een linkse krantenverkoper.[6] Op 14 april ontplofte een bom tijdens een militaire optocht ter ere van het vijfjarige bestaan van de Republiek, waarna een schietpartij ontstond tussen falangisten en de Guardia de Asalto.[6] Ook eiste de Falange de moord op journalist Luciano Malumbres in Santander, de moord op Manuel Andrés in San Sebastian en de moord op de socialist Carlos Faraudo uit Madrid op. Op 16 april schoten falangisten met machinegeweren op arbeiders in Madrid, waarbij drie arbeiders werden gedood en ongeveer veertig werden gewond.[6]

Elke linkse groepering begon zijn eigen militie op te zetten, een ongekend aantal mensen liep daardoor gewapend rond. Ook de falangisten, de monarchisten en carlisten begonnen zich haastig te bewapenen. Op 1 juni werd een stakingsmars van bouwvakkers beschoten door falangisten. Uit wraak werden drie lijfwachten van José Antonio Primo de Rivera – de leider van de Falange – vermoord door anarchisten.[6] Er leek een vicieuze cirkel van geweld te ontstaan.

Volgens CEDA-leider Gil Robles bedroeg de door revolutionairen veroorzaakte verwoesting tussen de verkiezingen in februari en 16 juni 1936: 170 kerken totaal verwoest (door plundering en brandstichting), 269 hoofdzakelijk politieke moorden en 1287 gewonden door politiek geïnspireerde aanslagen.[6] [7] Critici beweren dat Gil Robles ook de moorden van de rechtse Falange ten onrechte aan de linkse revolutionairen toebedeelde. De economie begon sterk te stagneren, arbeiders stelden enorme looneisen, de werkloosheid nam toe en de peseta daalde sterk in waarde. De regering begon het leger te reorganiseren zodat onwelgevallige legerleiders zoals Franco minder belangrijke posten kregen. Met het snoeien in het uitgebreide en dure opperofficierenbestand was voor veel legerofficieren echter de maat vol.

Een groep officieren, aanvankelijk geleid door Emilio Mola, zette op 17 juli 1936 een staatsgreep in gang. De voorafgaande moord op de monarchistische politicus José Calvo Sotelo op 12 juli vormde formeel de aanleiding, maar de werkelijke reden was het naar hun mening onmachtige bestuur in Spanje en het afglijden naar anarchie. De plannen voor een coup lagen al geruime tijd klaar. Het leger van Spaans-Marokko onder leiding van Francisco Franco was onderdeel van de militaire opstand, het stak de Straat van Gibraltar over en rukte op naar het noorden.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Spaans-Marokkaanse opstand

De eerste weken, tot eind 1936[bewerken]

"12.000 fascisten rukken op naar Madrid" in Gazet van Mechelen, 25 juli 1936

De opmars van de nationalisten/falangisten begon direct op de dag van de coup. De nationalisten kregen steun van de monarchisten, de carlisten, de fascistisch georiënteerde falangisten en andere rechtse groepen uit kringen als de middenstand en industriëlen. De arbeiders bewapenden zichzelf voor zover ze nog niet bewapend waren en vormden milities samen met liberalen, socialisten, communisten, anarchosyndicalisten, anarchisten en Baskische en Catalaanse separatisten.

Vanuit het zuiden rukten de nationalistische troepen noordwaarts op richting Madrid en via de kust naar Málaga. Deze toenmalige arbeidersstad en zijn omgeving boden felle tegenstand. Behalve een korte tegenreactie in de volkswijk Triana viel Sevilla vrijwel zonder tegenstand. In het noorden van Andalusië werden Granada en Córdoba ingenomen. De nationalisten prikten oostwaarts nog even door tot in Albacete, maar daar werd de opstand teruggeslagen. Hier werd immers de voor de republikeinen vitale verbinding tussen Madrid en Valencia bedreigd. Tegelijkertijd rukte generaal Mola vanuit Pamplona westwaarts op. Pamplona was het bolwerk van de carlisten, die ijverden voor de terugkeer van de koning en 100% gekant waren tegen de regering in Madrid. Zonder noemenswaardige tegenstand vielen alle binnenlandse Castiliaanse steden in hun handen. Na een dikke week hadden de nationalisten de volledige noordelijke helft van Spanje onder controle, uitgezonderd Baskenland en de kuststreek, waar hevige strijd bleef woeden. In de noordelijk helft van het Spaanse binnenland met steden als Ávila, Soria, Segovia, Salamanca, en Palencia, waren de inwoners van oudsher vroom katholiek en het merendeel van de bevolking aldaar was de nationalisten gunstig gezind. Een kleine opsomming van de gebeurtenissen in belangrijke steden:

  • In Valladolid greep generaal Saliquet de macht. Hij nam de stad in hoewel de spoorwegarbeiders de hele dag weerstand boden tegen de goed gewapende Guardia Civil, de oproerpolitie, boeren en Falangisten.
  • Burgos, een gemoedelijke en conservatieve stad, werd door het nieuwe bewind zonder enige tegenstand ingenomen. Er werd bijna geen schot gelost. Nadat er echter namenlijsten van linkse organisaties werden gevonden bij het politiebureau, werden diegenen die erop stonden door de nationalisten gefusilleerd.[8]
  • In Zaragoza kwamen de troepen op straat bij het krieken van de dag en namen de strategische punten in, voordat de syndicaten enige weerstand konden organiseren. In de rest van Aragón, konden Huesca en Jaca op dezelfde manier overgenomen worden.
  • In Teruel verklaarde een kolonel in aanwezigheid van maar zeven soldaten de Staat van Oorlog. Hij verbond zich met de Guardia Civil en de Oproerpolitie en nam de stad in.
  • In Navarra bestond niet de minste twijfel over een Nationalistische overwinning. Mola riep de Staat van oorlog uit te Pamplona met de hulp van 6000 Carlistische requetes. Er waren daar slechts 1200 geweren aanwezig maar vanuit Zaragoza werden er 10.000 meer toegestuurd.
  • In León verschenen 2.000 mijnwerkers die wapens eisten. De gouverneur ging op deze eis in, maar eiste dat de mijnwerkers de stad direct weer verlieten, wat ook gebeurde. Daarna viel de stad in handen van de nationalisten, toen de mijnwerkers reeds ver in de richting van Madrid waren getrokken.
  • In het iets meer noordelijker gelegen Oviedo gebeurde er iets gelijkaardig: Een contingent gewapende mijnwerkers verscheen ten tonele, maar de plaatselijke militaire gezagvoerder Aranda stelde hen gerust, bewerende dat hij loyaal was aan de Republiek. Nadat de pas bewapende arbeiders naar Madrid trokken verklaarde de generaal de stad voor de nationalisten, waarop een deel van de arbeiders naar de stad terugkeerde en aan een langdurige maar nutteloze belegering begon. De stad zou gedurende een aantal maanden een nationalistische enclave blijven in de republikeinse zone
  • Ávila, een prachtige middeleeuwse stad, niet zo ver van Madrid en Segovia gelegen, lag ook in de nationalistische zone. In de buurt van deze steden werd een front gevormd door de anarchistische kolonel Mangada, tijdens een gevecht met de falangisten onder leiding van Onésimo Redondo, waarbij deze laatste gedood werd. Kolonel Mangada en zijn troepen stonden erom bekend halfnaakt te vechten.[bron?]
  • Soria, in het centrum van Castilië, was een verzamelpunt waar vrijwel onmiddellijk een viertal nationalistische legers samenkwamen, waaronder dat van kolonel Rado. Ze werden door de plaatselijke bevolking zeer geestdriftig onthaald en als bevrijders begroet.
  • Te Zamora, een stad niet ver van de Portugese grens, werd de regeringsgetrouwe liberale republikeinse generaal Caminero verslagen. Hij wilde de nationalistische legers, die voorttrokken op de weg Burgos-Madrid, in de flank aanvallen met de hulp van Asturische anarchistische mijnwerkers uit de streek van Oviedo. Caminero werd in het fort van Pamplona opgesloten.
  • Toen generaal Mola de grote stad Salamanca binnenrukte, was zijn opstandelingenleger inmiddels al aangegroeid tot 40.000 mensen, zowel geregelde troepen als vrijwilligers.
  • De belangrijkste Galicische steden Orense, Vigo, Santiago en La Coruña vielen bijna op één dag. Pontevedra aan de Portugese grens werd ingenomen door slechts 400 falangisten en daarmee was de eerste fase van de noordelijke campagne van Mola afgerond.[9]

Dit offensief werd haarscherp beschreven door Britse en vooral Duitse journalisten, die het offensief op de voet volgden. Rechtse kranten uit heel Europa namen de oorlogsverslagen over.

Een paar weken later was de toestand in de "nationalistische zone" helemaal gestabiliseerd en het leven hernam vlug zijn gewone gang. Er was geen hongersnood en de sociale hulp, de Auxilio Social, was uitgebreid en goed georganiseerd op basis van de christelijke welzijnsorganisatie. Alles kon nu voorbereid worden voor de verovering van Madrid en het Baskenland.

In het zuidwesten, de streek van Badajoz en Huelva waar nogal wat mijnwerkers woonden die de republikeinse kant kozen, waren de gevechten heviger. Het was de bedoeling dat generaal Juan de Yagüe en zijn zuidelijk leger de nationalistische zone zou bereiken en daarbij Madrid niet rechtstreeks zou aanvallen.

In Catalonië zagen de nationalisten hun opstand mislukken. Met name de anarchisten gingen massaal in het verweer en tijdens de straatgevechten vielen vele slachtoffers. De republikeinen herpakten en organiseerden zich en gingen zelf in de tegenaanval in de richting van de nationalistische stad Zaragoza, waar een bekende officiersopleiding gevestigd was. Halverwege de twee steden stabiliseerde het front zich voor enige tijd langs de rivier Ebro. In de republikeinse zone, in feite het zuidoosten van Spanje en Madrid, kwam het leven langzamerhand ook op gang maar het kwam tot interne conflicten tussen de verschillende politieke strekkingen van links in het republikeinse kamp, waarbij de anarchisten door de Moskou-getrouwe communisten bestreden werden.

Vrouw oefent in het schieten van een revolver, in een trainingskamp van de republikeinen. Augustus 1936.
Vlag van de pro-nationalistische Blauwhemden, Ierse vrijwilligers voor Francisco Franco.
Vlag van de Hongaarse pro-republikeinse communistische vrijwilligers in de Internationale Brigades.

In de republikeinse zone werden honderden geestelijken, seminaristen, nonnen en dergelijke vermoord en geëxecuteerd. Alleen al in één week in augustus werden zes bisschoppen gedood. Met name de orde der claretijnen in Catalonië had zwaar te lijden. Het platbranden van kerken, kloosters en religieuze instellingen werd beleid en de totale uitroeiing en vernietiging van de Katholieke kerk in Spanje werd openlijk in de Catalaanse kranten aangekondigd.[10] Overigens vermoordden Franco's nationalisten op hun beurt 16 Baskische priesters die de separatistische Baskische Nationale Partij steunden. Ook werden 20 protestantse dominees in 1936 vermoord door Franco's troepen.[11]

In de nationalistische zone werden vele vakbondsleden en “liberale” mensen vermoord. In het stadje Huesca werden ongeveer honderd bewoners doodgeschoten. In Teruel werden 1005 mensen vermoord en in de 84 meter diepe bronnen van Caudé gegooid. In de provincie Sevilla werd door nationalistische repressie ongeveer 8.000 mensen vermoord. In de nacht van 22-23 augustus werden 1200 republikeinen in de arena van Badajoz doodgeschoten door de nationalisten. [12]

Het gebeurde voortdurend dat de republikeinen, voordat ze een plaats ontruimden, nogal wat leden van rechtse partijen en geestelijken al dan niet met hun gezin, terechtstelden. In Madrid werden er bijvoorbeeld duizenden burgers, inclusief vrouwen en kinderen, in een grote ronde betonnen put gepositioneerd en langs verschillende zijden genadeloos neergemitrailleerd. Daarna werden de lichamen, sommigen nog in leven, overgoten met petroleum en in brand gestoken. Vaak vermeld worden ook de gebeurtenissen in de historische stad Toledo, halverwege Madrid en Sevilla. Een pro-nationalistisch regiment vestigde zich in het Alcazar Real, beschermd door zijn metersdikke muren. Onder hen waren 1100 militairen en vooral kadetten (leerlingofficieren) met vrouw en soms kinderen, maar ook 100 tot 200 linkse burgers die als gijzelaars diende.[13] De gevechten met de republikeinen, die regelmatig de muren probeerden te dynamiteren, duurden twee maanden. De verschansten, waaronder ook vrouwen en kinderen, waren totaal uitgehongerd toen de nationalistische legers hen in de herfst van 1936 konden ontzetten. Ze hadden net tevoren hun laatste paard geslacht.

1937[bewerken]

In februari 1937 rukten de nationalisten vanuit het noorden en vanuit het westen op naar Málaga. Ze werden hierbij geruggesteund door Italiaanse vrijwillige troepen. Het sterk gehavende republikeinse leger vluchtte langs de enige overgebleven vluchtroute, de kustweg, oostwaarts richting Almería via Motril, en werd daarbij van op zee fel beschoten door nationalistische schepen. Later in het jaar deden de republikeinen moeite om grondgebieden terug te winnen, maar het bleef meestal bij een paar tientallen vierkante kilometer. Er werden grote middelen ingezet die eigenlijk meestal resulteerden in relatief kleine gebiedswinst. Voorbeelden hiervan zijn offensieven ten noordoosten van Zaragoza, Guadalajara en Brunete. De nationalisten anderzijds veroverden in 1937 de gehele noordkust, met belangrijke steden als Bilbao, Santander, en uiteindelijk in oktober de laatste stad, Gijón. Deze operatie nam een klein jaar in beslag, maar leverde de nationalisten een geweldig grote gebiedswinst op, inbegrepen de belangrijke staal- en kolenindustrieën die er gevestigd waren. In dit voordien geïsoleerde gebied leefden ook anderhalf miljoen mensen. De enige vluchtweg voor de republikeinen was de zee, maar er waren weinig zeewaardige schepen. De nationalisten konden zich vanaf nu concentreren op Madrid, Valencia en Barcelona.

Het Volksleger[bewerken]

Op 9 oktober 1936 werd door de Republiek het Volksleger opgericht waarin geleidelijk alle arbeiders-, vakbonds- en partijmilities alsmede de Internationale Brigades werden opgenomen. Dit kreeg in Catalonië het laatst zijn beslag ongeveer half 1937. Hiermee werd het revolutionaire karakter van de milities en de vroegere gelijkheid (in beloning, huisvesting, aanspreektitel etc.) opgeheven en opnieuw een groot onderscheid ingevoerd tussen manschappen en officieren en werd ook de militaire groet weer ingevoerd. Mede hierdoor verminderde de (aanvankelijk grote) animo van de arbeiders om dienst te nemen en moest in 1937 de dienstplicht aan republikeinse kant ingevoerd worden. Hierdoor werd de macht van de centrale regering (of tenminste die van de centrale legerleiding) op het leger vergroot en de discipline werd sterk aangetrokken. Voorheen werden binnen de milities vaak discussies gevoerd over acties, hiërarchie, etc.; binnen het Volksleger was dit afgelopen. Aan iedere eenheid van het Volksleger was een politiek commissaris toegevoegd die de controle had op discipline en politieke betrouwbaarheid binnen de eenheid en die zich bezig hield met scholing en propaganda.

Het verdere verloop[bewerken]

De staatsgreep lukte dus slechts ten dele. Spaans-Marokko en een aantal steden in Noord- en Zuid-Spanje vielen in handen van de zogenaamde nationalisten, maar in Madrid, Barcelona en andere steden mislukte de coup door arbeidersopstanden, door gewapend anti-nationalistisch verzet van de communistische en anarchistische partijen en doordat bepaalde legereenheden de linkse regering trouw bleven. Marineofficieren die de coup steunden werden vermoord door hun ondergeschikten. De marine bleef trouw aan de regering maar 98% van de marine-officieren was reeds gestorven.

Vooral in Catalonië was het verzet tegen de Spaans-nationalistische, als fascistisch beschouwde, coup naar de Spaanse macht sterk. Daar waren het in de eerste plaats de anarchisten die de legeropstand neersloegen, en onmiddellijk een revolutie voor de anarchie doorvoerden. Grond en productiemiddelen gingen over in handen van de kleine boeren en arbeiders, terwijl adel, Kerk en middelgrote en grote boeren en grondbezitters al hun land en boerderijen moesten verlaten en overdragen - velen van deze 'vijanden van het volk' werden ook omgebracht. De anarchosyndicalisten van de CNT en hun broederorganisatie FAI - zij telden anderhalf miljoen leden - wisten de hele maatschappij enkele jaren op een vrije en gelijke wijze te laten functioneren, maar hadden ernstig te lijden onder zware voedseltekorten, interne chaos en repressie door de NKVD-spionnen in republikeins gebied. Daarnaast leverden zij echter de meest besliste milities (bijvoorbeeld de bekende 'Durrutti-colonne') in de strijd tegen de Spaanse nationalisten die onder leiding van Franco optrokken.

Nadat de generaals Jósé Sanjurjo en Emilio Mola bij vliegtuigongelukken waren omgekomen, kreeg Franco in september 1936 de leiding van de legeropstand aangeboden. Het gegeven dat alleen Franco's troepen de steun genoten van Hitler en Mussolini, speelde daarbij een rol.

Een bloedige burgeroorlog brak uit tussen de republikeinen, (die werden gesteund door de Sovjet-Unie en de Comintern) en de fascisten/falangisten en monarchisten (verdeeld in carlisten en alfonsisten), onder leiding van Francisco Franco.

Als groepering met de meeste leden vochten de anarchisten een verbeten strijd op twee fronten uit: aan het front tegen de fascisten, en achter het front tegen de republikeinen (burgerij, staatssocialisten en -communisten), die de revolutie van de anarchisten wilden breken.

De Volkenbond reageerde met een wapenembargo tegen Spanje, waarbij Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland en Italië de opdracht kregen de Spaanse territoriale wateren te bewaken om te zorgen dat dit embargo werd nageleefd.

Duitsland en Italië zagen hun kans echter schoon en begonnen de nationalisten te steunen, met wapens en troepen. Duitsland stuurde het beruchte Condorlegioen, Italië stuurde duizenden soldaten en andere vrijwilligers. De Duitse hulp moest worden terugbetaald met ijzer-, wolfraam-, antimoon- en kwikerts uit met name de Baskische regio.

Toch was het Duitsland niet te doen om een snelle nationalistische overwinning. Goebbels, Duits minister van Openbare Voorlichting en Propaganda, schreef in zijn dagboek: "De burgeroorlog in Spanje moet zo lang mogelijk duren. Als de nationalisten winnen, heeft Duitsland een potentiële bondgenoot erbij. Maar als de oorlog voortduurt, zal Italië erin verstrikt raken, en zal Mussolini veel krediet verliezen bij Engeland en Frankrijk. Hij zal dan moeten terugvallen op de enige mogelijke bondgenoot die hem dan nog rest: Duitsland. Hoe dan ook, de führer wint."

Goebbels zou gelijk krijgen. In 1937 - een jaar nadat Italië zich met vrijwillige maar staatsbezoldigde troepen in het Spaanse conflict gestort had - sloten Duitsland en Italië een bondgenootschap, waarna Italië, in tegenstelling tot in 1934, de annexatie van Oostenrijk stilzwijgend toeliet en zelfs diplomatiek steunde.

De republikeinen kregen steun van Mexico, geleid door fanatieke antiklerikalen en radicaal-liberalen, en eveneens van de machtige Sovjet-Unie van Jozef Stalin. Deze hulp diende echter wel betaald te worden met het goud uit de Spaanse staatsbank.

Groot-Brittannië en Frankrijk durfden hierin niet te interveniëren, uit angst voor represailles van generaal Franco en diens vijand, het republikeinse regime, wat invloed konden hebben op hun economie (zoals de mogelijkheid tot nationalisatie van de Britse belangen in de Spaanse kwikmijnen).

De Britse regering werd ook zwaar onder druk gezet door de Amerikaanse ambassadeur Joseph Kennedy om neutraal te blijven. Vele Britten als Churchill neigden naar de kant van Franco, terwijl Frankrijk onder Léon Blum de Republiek en de linkse Spaanse partijen prefereerde.

Mexico stuurde wel enige steun, terwijl de Sovjet-Unie soldaten, vliegtuigen en tanks stuurde.

De Sovjets stuurden echter ook NKVD-agenten, die zich met name tegen de anarchisten en de POUM (een trotskistisch-marxistische partij die de revolutie van de anarchisten gunstig gezind was) richtten. Vanaf herfst 1936 begonnen de communisten de republikeinse politie en veiligheidsdiensten te infiltreren en na de reorganisatie van alle veiligheidsdiensten op 9 augustus 1937 tot de SID (de Servicio de Investigación Militar) stond deze gedurende de eerste acht maanden van haar bestaan geheel onder controle van de NKVD (onder leiding van Aleksandr Orlov). De meest gevreesde sectie van de SID was de Speciale Brigade die de ondervragingen uitvoerde. De SID maakte hoofdzakelijk gebruik van geheime gevangenissen die niet onderdeden in gruwelijkheden voor die in toenmalig Rusland. De communisten waren middels het bezetten van administratieve sleutelfuncties binnen het republikeinse bestuur zeer succesvol geweest in het verwerven van een hoge mate van controle over de regering, de bureaucratie en het systeem van openbare orde. Dit terwijl ze politiek gezien slechts marginaal aanwezig waren met twee kleine ministeries. Het protest tegen de communistische macht groeide dan ook voortdurend, met name in het leger.

Ook kreeg de republikeinse regering steun van de Internationale Brigades, een mengsel van communisten, anarchisten, schrijvers, dichters en avonturiers, die en masse naar Spanje trokken om mee te vechten in de "internationale strijd tegen het fascisme" en voor de idealen van de proletarische revolutie.

Na het Verdrag van München keerde de Sovjet-Unie zich af van het conflict in Spanje, dit vooral door de extreem passieve houding van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Zij gaven in het Verdrag immers Hitler de toestemming tot de annexatie van Sudetenland, in een poging tot vrede tegen elke prijs. De hulp van de Sovjet-Unie aan de sterk verliezende Republikeinse zijde werd vervolgens geleidelijk minder waardoor het republikeinse leger haar tekorten niet kon aanvullen. Stalin zou na het einde van de burgeroorlog zelfs tijdelijk een niet-aanvalsverdrag met Duitsland in de vorm van het Molotov-Ribbentroppact sluiten.

In 1937 bombardeerden Duitse en Italiaanse vliegtuigen het kleine plaatsje Guernica in Baskenland, waar zich drie dagen eerder een Baskische brigade gelegerd had die aan Republikeinse zijde vocht. De nationalisten beweerden dat Baskische terroristen achter de verwoestingen zaten. Later zou Hermann Göring toegeven dat hij zijn nieuwe Luftwaffe wilde uitproberen. Pablo Picasso getuigde van het Bombardement op Guernica in het meesterwerk Guernica.

De frontlinie schoof lange tijd heen en weer. Madrid werd ingesloten en belegerd, maar weerstond alle nationalistische aanvallen keer op keer.

De republikeinen behaalden overwinningen, zoals de slag bij Guadalajara, maar de nationalisten knabbelden stukje bij beetje steeds meer land van de republikeinen weg. Ze verbonden hun noordelijke en zuidelijke deel door een corridor langs de Portugese grens te veroveren, en zetten toen een opmars naar het oosten in. De Middellandse Zee werd bereikt waardoor het republikeinse gebied in twee delen werd gesplitst: een zuidelijk deel waarin de tijdelijke regeringszetel Valencia de belangrijkste stad was, en een kleiner noordelijk deel dat ruwweg Catalonië omvatte. Als een eiland in een nationalistische zee bleef Madrid de aanvallen afslaan.

Einde van de burgeroorlog[bewerken]

In januari 1939 viel Barcelona en de republikeinse weerstand stortte in. Duizenden mensen vluchtten de Pyreneeën over; eind maart werd Madrid binnengetrokken en in april 1939 claimden de nationalisten de overwinning. Na de nationalistische overwinning schreef paus Pius XII aan Franco: “Wij verheffen ons hart tot God en danken uwe excellentie oprecht voor de overwinning van katholiek Spanje.”[14] De Italiaanse Minister van Buitenlandse Zaken – en tevens de schoonzoon van Mussolini – Galeazzo Ciano noemde de inname van Madrid door Franco “een formidabele overwinning voor het fascisme en wellicht de grootste tot dusver.”[14]

Grote zuiveringen volgden; duizenden mannen die in de Republikeinse legers hadden gevochten, werden in de daaropvolgende jaren geëxecuteerd. Vanaf 1939 tot 1975 was Spanje een dictatuur onder Franco.

Voor Duitsland (en Italië in mindere mate) was deze oorlog een testgebied voor de latere Tweede Wereldoorlog.

Sinds 1975 is de Spaanse troon weer bezet door koning Juan Carlos, de kleinzoon van Alfons XIII (Franco had aanvankelijk de staatsvorm van nationalistisch Spanje in het midden gelaten, omdat Alfons XIII voor een meerderheid van de nationalistische fracties geen optie meer was en later gekozen voor een "monarchie zonder koning"; tot Franco's dood zou de troon dan ook vacant blijven). Belangrijk om weten is dat Juan Carlos de eed als koning aflegde door te zweren op de wetten van de Movimiento, opvolger van de Franquistische Falange, en de Bijbel. De continuïteit tussen Franco-Spanje en het koninkrijk werd zodoende vastgelegd.

Doodsoorzaken door de burgeroorlog[bewerken]

W. Blockmans geeft de volgende doodsoorzaken aan beide zijden aan:[15]

Partij Vermoord tijdens
De Burgeroorlog
Gesneuveld bij
de vijandelijkheden
Executies en
lynchpartijen
Burgers omgekomen
door militaire operaties
Burgers en militairen
omgekomen door ziekte
Nationalisten 6.000 75.000 70.000 5.000 90.000
Republikeinen 10.000 77.000 60.000 10.000 230.000
TOTAAL 16.000 152.000 130.000 15.000 320.000

Tot nu toe worden nog steeds 114.000 republikeinen vermist, waar de onderzoeksrechter Garzon onderzoek naar probeert te doen.

De etnische diversiteit in de republikeinse en nationalistische legers[bewerken]

Het republikeinse leger bestond deels uit vrijwilligers uit alle delen van Europa. Deze vrijwilligers stonden ook wel bekend als de 'Internationale Brigades'. In het republikeinse leger dienden 10.000 Fransen, 5.000 Duitsers en Oostenrijkers, 5.000 Polen en Oekraïners, 3.200 Italianen, 3.000 Amerikanen, 2.000 Britten, 1.800 Tsjechen, 1.800 Canadezen, 1.800 Hongaren en 1.800 Scandinaviërs. Daarnaast werkten 10.000 buitenlandse artsen en ingenieurs in het republikeinse leger.[16] Andere bronnen gaan uit van een maximale omvang van 35.000 vrijwilligers, afkomstig uit bijna alle Europese landen, Amerika, Afrika en zelfs China en India.[17] Naar schatting 700 Nederlanders hebben als vrijwilliger gediend in de Internationale Brigades. Aan de andere kant vochten er tienduizenden strijders van verschillende nationaliteiten aan de kant van Franco: tienduizenden Italianen van de Corpo Truppe Volontarie (gestuurd door Mussolini), de Duitsers van het Legioen Condor, maar ook duizenden Ierse, Russische en verschillende Oost-Europese vrijwilligers vochten tegen de Spaanse Republiek.[18] Niet minder belangrijk waren 75.000-100.000 Marokkanen die als eerste-linie-stormtroepen werden ingezet en samen met het Spaanse Vreemdelingenlegioen behoorden tot de meest effectieve militaire eenheden van het leger van Franco.[19]

De burgeroorlog in jaartallen[bewerken]

  • 1931 Koning Alfons XIII ontvlucht het land. Uitroeping van de republiek.
  • 1934 Linkse gewapende opstand in diverse delen van Spanje, het hevigst in Asturië, 1500 slachtoffers waarbij 1100 doden bij de rebellen. Catalonië roept de onafhankelijkheid uit.
  • Februari 1936 Parlementsverkiezingen; Volksfront en Nationaal Front krijgen 34,3% en 33,2% van het electoraat. De rest blijft thuis of kiest een splinterpartij. Vorming van een Volksfrontregering.
  • 13 juli 1936 Moord op de parlementaire monarchistische conservatieve leider José Calvo Sotelo.
  • 17 juli 1936 Een groep generaals (onder wie Francisco Franco) onder leiding van de generaals Jósé Sanjurjo (b.d.) en Emilio Mola, begint een opstand tegen de Volksfrontregering. Een nationalistisch en een republikeins territorium ontstaan. Hitler en Mussolini steunen de nationalisten, Stalin de Republiek. De grootmachten stichten een non-interventiecommissie. De enigen die zich aan de daar gemaakte afspraken houden zijn Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten.
  • 20 juli 1936 De nationalistische leider generaal José Sanjurjo komt om bij een vliegtuigongeluk.
  • 21 juli - 27 september 1936 Het beleg van het Alcázar van Toledo.
  • Oktober 1936 Franco krijgt de absolute macht bij de nationalisten.
  • November 1936 Eerste slag om Madrid. Internationale Brigades betreden het strijdtoneel. Het bloedbad van Paracuellos.
  • 26 april 1937 Namens de nationalisten bombarderen Duitse vliegtuigen Guernica (Gernika), waar enkele dagen tevoren Baskische Republikeinen troepen verzameld hadden.
  • Mei 1937 Op communistisch initiatief worden revolutionaire socialisten en anarchisten in Barcelona met geweld buitenspel gezet. Oorlogspremier Francisco Largo Caballero wordt afgedankt omdat hij zich tegen de communistische invloed verzet. Zijn opvolger is Juan Negrín.
  • 20 juni 1937 Moord op Andrés Nin in opdracht van Stalin.
  • 30 januari 1938 Franco vormt de eerste formele nationalistische regering en de Wet voor het Centrale Bestuur van de Staat wordt opgesteld.
  • 12 maart 1938 Frankrijk heft na bezoek van Juan Negrín aan Parijs het embargo tegen Republikeins Spanje op.
  • 15 april 1938 De nationalisten nemen de kustplaats Vinaroz in. Hierdoor wordt Catalonië gescheiden van het resterende zuidelijke deel van Republikeins Spanje.
  • mei 1938 Vredesinitiatief (13 punten-plan) door Juan Negrín, wordt afgewezen door Franco.
  • september 1938 Terugtrekking van het front van de Internationale Brigades door Stalin.
  • 28 oktober 1938 Afscheidsparade van de Internationale Brigades in Barcelona voor de republikeinse regering.
  • november 1938 De Internationale Brigades verlaten Spanje.
  • 27 februari 1939 Erkenning van Franco door het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.
  • 5 maart 1939 In republikeins Madrid wordt een tegenregering opgezet, de Nationale Verdedigingsraad.
  • 6 maart 1939 Juan Negrín vlucht met de rest van de Republikeinse regering per vliegtuig naar Frankrijk.
  • 7-12 maart 1939 Interne gevechten tussen troepen van de Nationale Verdedigingsraad en de communisten in Madrid. (2000 doden)
  • 27 maart 1939 Spanje treedt toe tot het Anti-Cominternpact.
  • 28 maart 1939 De nationalisten trekken Madrid binnen, algemene ineenstorting van het republikeins verzet.
  • 1 april 1939 Einde van de burgeroorlog. Erkenning van Franco door de Verenigde Staten.
  • 400.000 Republikeinen vluchten naar het buitenland en er volgt een grote zuiveringsactie. Hoeveel republikeinen nog na de burgeroorlog zijn vermoord is omstreden, vermoedelijk meer dan 100.000. Het totale aantal doden van de burgeroorlog inclusief nasleep is ongeveer 500.000.
  • 1975 Met de dood van Franco eindigt diens dictatuur.

Veldslagen (chronologisch)[bewerken]

De belangrijkste actoren: nationalisten en republikeinen[bewerken]

Nationalisten[bewerken]

Republikeinen[bewerken]

Catalonië (republikeinen)[bewerken]

Baskenland (Euzkadi; republikeinen)[bewerken]

  • José Aguirre (voorzitter van katholieke-separatistische Baskische PNV; president van het autonome Baskenland)

Zie ook[bewerken]

Nasleep[bewerken]

De linkse regering Zapatero heeft op 24 juli 2006 een wetsvoorstel ingediend waarmee alle symbolen die verwijzen naar de dictatuur van generaal Franco uit het straatbeeld en het openbare leven worden gebannen.

Aan het wetsvoorstel is enkele jaren gewerkt. Als het door het parlement komt, moeten lokale overheden alle verwijzingen naar Franco, die regeerde van 1939 tot 1975, verwijderen. De Spaanse regering is daarnaast van plan om de rijksarchieven uit de Franco-periode voor iedereen toegankelijk te maken.

Literatuur en film[bewerken]

  • De Nederlandse filmregisseur Joris Ivens (1898-1989) maakte in 1937 de film Spaanse aarde over de burgeroorlog; Ernest Hemingway schreef het scenario en sprak de begeleidende teksten in. Hemingway was ook oorlogsverslaggever gedurende dit conflict en schreef er de roman For Whom the Bell Tolls over.
  • De Nederlands-Surinaamse auteur Lou Lichtveld met pseudoniem Albert Helman vocht in de Spaanse Burgeroorlog als vrijwilliger aan de zijde van de Republikeinen. Hij verklaarde: "Ik wil het grote ook beleven. Ik wil de kruitdamp ruiken." Aan de gewapende strijd nam hij overigens niet direct deel.
  • Lichtveld's medestrijder Jef Last schreef in zijn oorlogsdagboek: "De strijd in Spanje is niet slechts een strijd voor de democratische Republiek, zij is een strijd voor de democratie in Europa."
  • Martha Gellhorn was er oorlogscorrespondent.
  • De Britse schrijver George Orwell nam dienst bij de militie van de marxistische POUM en schreef een documentaire over de oorlog. Over zijn eigen ervaringen verscheen Homage to Catalonia Mede naar aanleiding van zijn ervaringen daar met de NKVD keerde Orwell zich tegen het totalitaire stalinisme en schreef Animal Farm en 1984.
  • In 1986 maakte de Engelse televisiezender BBC een uitgebreide documentaire over dit conflict.
  • De film Land and Freedom van Ken Loach speelt tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Het gaat voornamelijk over de strijd tussen enerzijds de anarchisten en de Partido Obrero de Unificación Marxista en anderzijds de door stalinisten bestuurde Communistische Partij.
  • De novelle Wir sind Utopia van Stefan Andres speelt tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Het boek gaat over een uitgetreden monnik die door de communisten gevangengezet is in een klooster, en over zijn zoektocht naar wat vrijheid is, en wat juist is.

Film[bewerken]

  • The Angel Wore Red (1960)
  • The Good Fight (1984)
  • The Spanish Civil War (55 minuten, Cromwell Productions) (1998)
  • The Spanish Civil War (ong. 6 uren, Granada Video) (1983)
  • Golpe de mano (Explosión) (1970)
  • Behold A Pale Horse (1964)
  • The Good Fight(1990)
  • The Spanish Earth (1937)
  • Amanecer sobre España (1939)
  • Land And Freedom (1995)
  • Libertarias (1996)
  • ¡Aye Carmela! (1990)
  • Los Canadienses (1975)
  • The Last Train From Madrid (1937)
  • Confidential Agent (1945)
  • For Whom The Bell Tolls (1943)
  • The Disappearance Of Garcia Lorca (1996)
  • Blockade (1939)
  • El laberinto del Fauno (2006)
  • Defenders of the Faith: the Spanish Civil War in Colour (2006)
Bronnen, noten en/of referenties

Bibliografie

  • Beevor, Anthony: De strijd om Spanje, De Spaanse burgeroorlog 1936-1939 (1982), vertaald door Textcase/Marjan Terpstra, Anthos, 524 blz., uitgebreide noten en bibliografie, ISBN 90-414-1088-0
  • Blockmans, W.: Oorlog door de eeuwen heen, pag. 121, 122 en 141, Rijksuniversiteit Leiden, 1939
  • Carroll, Warren H.: The Last Crusade: Spain 1936, Christendom Press, Front Royal (Virginia), 1998, ISBN 0-931888-67-0
  • Dankaart, H., Flinterman, J., Groot, F. en Vuurmans, R.: De oorlog begon in Spanje, Nederlanders in de Spaanse Burgeroorlog 1936-1939 (1985)
  • Lemm, Robert: Goed fout, relaas van een Spaanse falangist, Aspekt, 276 blz.
  • Lichtveld, Lou: De sfinx van Spanje; beschouwingen van een ooggetuige, Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1937
  • Moa, Pío: Los orígenes de la Guerra Civil española, Encuentro, Madrid, 1999, ISBN 84-7490-526-5
  • Payne, Stanley: The Collapse of the Spanish Republic 1933-36, Origins of the Civil War, Yale University Press, 420 blz.
  • Payne, Stanley: The Spanish Civil War, the Soviet Union and Communism, Yale University Press, 400 blz.
  • Ploetz, Karl: Aula wereldgeschiedenis in jaartallen, deel 4, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1980, ISBN 90-274-5431-0
  • Preston, Paul: Een kleine geschiedenis van de Spaanse Burgeroorlog, Atlas, 366 blz.
  • Schoots, Hans: Doodgravers van de democratie, in Cultureel Supplement van het NRC Handelsblad, 14 juli 2006
  • Soto y Koelemeijer, Gerardo: Armelia, De eerste dagen van Spaanse burgeroorlog, 272 blz.
  • Thomas, Hugh: De Spaanse Burgeroorlog, vertaald door Tinke Davids, Eisso Post en Melle Snijders, Anthos/Standaard, 927 blz.

Referenties

  1. Spanish judge opens case into Franco's atrocities
  2. Thomas Barria-Norton: The Spanish Civil War, pag. xviii & 899–901, 2001
  3. Anthony Beevor: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 39, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006), ISBN 90-414-1088-0
  4. Anthony Beevor: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 44, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006, ISBN 90-414-1088-0
  5. Anthony Beevor: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 50, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006, ISBN 90-414-1088-0
  6. a b c d e Anthony Beevor: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina's 62 t/m 65, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006, ISBN 90-414-1088-0
  7. Warren H. Carrol: The Last Crusade: Spain 1936, pag. 42, Christendom Press, Front Royal (Virginia 1998), ISBN 0-931888-67-0
  8. Anthony Beevor: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 83, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006, ISBN 90-414-1088-0
  9. De Gazet van Mechelen, 19 tot 31 juli 1936
  10. Warren H. Carrol: The Last Crusade: Spain 1936, pag. 111, Christendom Press, Front Royal (Virginia 1998), ISBN 0-931888-67-0
  11. Anthony Beevor: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 99, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006, ISBN 90-414-1088-0
  12. Anthony Beevor: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, Hoofdstuk 9, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006, ISBN 90-414-1088-0
  13. Anthony Beevor: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 94, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006, ISBN 90-414-1088-0
  14. a b Anthony Beevor: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 407, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006, ISBN 90-414-1088-0
  15. W. Blockmans: Oorlog door de eeuwen heen, pag. 141, Rijksuniversiteit Leiden, 1993
  16. W. Blockmans: Oorlog door de eeuwen heen, pag. 122, Rijksuniversiteit Leiden, 1993
  17. Hans Dankaart et al.: De oorlog begon in Spanje. Nederlanders in de Spaanse Burgeroorlog 1936-1939
  18. Judith Keen: Fighting for Franco: International Volunteers in Nationalist Spain during the Spanish Civil War, Londen en New York, 2001.
  19. Ali Al Tuma: Franco's Moren: Marokkaanse troepen tijdens de Spaanse Burgeroorlog, ZemZem, nr.2/2010, pag. 119-126.