Soortelijke warmte
De soortelijke warmte c, ook specifieke warmte of specifieke warmtecapaciteit geheten, is een grootheid die de hoeveelheid warmte
beschrijft die nodig is om de temperatuur van een eenheidsmaat massa met een temperatuursinterval te verhogen. De soortelijke warmte kan uitgedrukt worden in J kg-1.K-1 en is dan de benodigde hoeveelheid warmte-energie (in J) om één kg stof één graad in temperatuur te doen stijgen.
Voor veel stoffen is de hoeveelheid warmte die nodig is voor een bepaalde temperatuurstijging bij benadering recht evenredig met de grootte van die temperatuurstijging en met de massa. De soortelijke warmte is daarbij de evenredigheidsconstante.
In het algemeen, maar speciaal voor gassen, is er verschil in de benodigde hoeveelheid warmte bepaald bij constant volume (
) of bij constante druk (
). Bij ideale gassen is
40% groter dan
. Dit komt doordat bij een isobare opwarming (constante druk) er arbeid wordt geleverd aan de omgeving, terwijl dit bij een isochore (constant volume) niet zo is. Bij isobare opwarming moet er dus meer energie aan het systeem worden geleverd om op te warmen, gezien een deel van die energie wordt gebruikt voor het leveren van de arbeid. De verhouding
wordt meestal aangeduid met het symbool
of
.
De soortelijke warmte wordt meestal experimenteel bepaald. Soms kan ze ook berekend worden, maar dat is meestal erg ingewikkeld.
Inhoud |
[bewerken] Vergelijking
- De vergelijking die warmtehoeveelheid aan soortelijke warmte relateert, waarin de hoeveelheid substantie is uitgedrukt in massa, wordt gegeven door:
-
is de toegevoegde warmtehoeveelheid,
is de massa van de substantie,
is de soortelijke warmte en
is de temperatuurverandering.
- Een tweede vergelijking specificeert warmtecapaciteit. Deze vergelijking ziet er als volgt uit:
-
is de toegevoegde warmtehoeveelheid,
is de warmtecapaciteit en
is de temperatuurverandering.
[bewerken] Warmtecapaciteit
Met behulp van de soortelijke warmte (
) kan de warmtecapaciteit (
) van een bepaalde massa (
) stof berekend worden:
Wanneer van een aantal stoffen samen (bijvoorbeeld een glas met water) de warmtecapaciteit berekend moet worden, dienen de afzonderlijke warmtecapaciteiten opgeteld te worden (in het voorbeeld dus
).
Let erop dat de kapitaal
voor warmtecapaciteit staat en de onderkast
voor soortelijke warmte.
[bewerken] Inwendige vrijheidsgraden
De soortelijke warmte hangt ten nauwste samen met de inwendige vrijheidsgraden (trillingswijzen, rotaties, translatiebewegingen, elektronische overgangen) waarin de toegevoegde thermische energie terecht kan. Zijn er maar weinig vrijheidsgraden beschikbaar dan zal de temperatuur sneller omhoog gaan dan wanneer er veel zijn. Daarom heeft een vloeistof in de regel een hogere soortelijke warmte dan de overeenkomstige vaste stof, omdat de moleculen vrijer zijn zich te bewegen in de vloeistof.
[bewerken] Tabel
Voor vaste stoffen en vloeistoffen zijn
en
(soortelijke warmte bij constant volume, respectievelijk constante druk) vrijwel aan elkaar gelijk. Voor gassen is dit niet het geval.
| Vaste stoffen en Vloeistoffen | ||
|---|---|---|
| Materiaal | Fasetoestand | Soortelijke warmte J/(kg.K) |
| aluminium | vast | 880 |
| brons | vast | 380 |
| constantaan | vast | 410 |
| diamant | vast | 502 |
| ethanol | vloeistof | 2460 |
| goud | vast | 129 |
| grafiet | vast | 720 |
| ijzer | vast | 444 |
| koper | vast | 385 |
| kwik | vloeistof | 139 |
| lithium | vast | 3582 |
| messing | vast | 377 |
| olie | vloeistof | ≈ 2000 |
| water | vloeistof | 4186 |
| vast (0°C) | 2060 | |
Voor gassen is de soortelijke warmte onder constante druk of constant volume niet gelijk. Ook de temperatuur speelt een grote rol.
| Gassen | ||
|---|---|---|
| gas | temperatuur (°C) |
Soortelijke warmte: ![]() J/(kg.K) |
| argon | 15 | 320 |
| helium | 18 | 3160 |
| koolstofdioxide | 20 | 650 |
| lucht | 0-100 | 710 |
| stikstof | 0-200 | 730 |
| waterdamp | 100 | 1410 |
| waterstof | 16 | 10140 |
| zuurstof | 13-207 | 650 |

is de toegevoegde warmtehoeveelheid,
is de temperatuurverandering.
