Staat (Plato)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Plato
Dit artikel is een deel van de serie over:
De Dialogen van Plato
Vroege periode:
Apologie van SocratesCharmides
Protagoras - Euthyphro
IonCritoAlcibiades I
Hippias MajorHippias Minor
LachesLysisEuthydemus
Middenperiode:
CratylusGorgias
MenexenusMeno
Phaedo - Symposium
StaatPhaedrus
Late periode:
ParmenidesTheaetetus
TimaeusCritias
SofistStaatsman
PhilebusWetten
Betwiste geschriften:
ClitophonEpinomis
BrievenHipparchus
Minos - Theages
Alcibiades IIMinnaars
Niet geschreven:
Hermocrates - Ongeschreven leer
Manuscript van de Politeia uit 1401

De Staat[1] (Oud-Grieks: Πολιτεία Politeia) is een van de bekendste en meest invloedrijke dialogen van de Griekse filosoof Plato, geschreven omstreeks 380 v.Chr. Hij legde er de fundamenten van zijn politieke filosofie, maar ook zijn ethiek en zijn Ideeënleer[2] komen aan bod. Plato laat zijn personages, waaronder Socrates en andere aanwezigen, in een aantal gesprekken discussiëren over rechtvaardigheid, de rol van de filosoof, de plaats van de poëzie en de onsterfelijkheid van de ziel. De Staat wordt afgesloten door de Mythe van Er. Als geheel is het werk beroemd vanwege zijn rijke inhoud en literaire stijl, en berucht vanwege het 'totalitaire' aspect van de staat die erin ontworpen wordt.[3]

Deelnemers aan het gesprek[bewerken]

Aan het woord is Socrates die een gesprek weergeeft waaraan deelnamen: de oude Kephalos (alleen in het eerste boek), zijn zoon Polemarchos, de sofist Thrasymachos, Plato's broers Glaukon en Adeimantos. Verder worden als (zwijgende) toehoorders genoemd: Lysias en Euthydèmos (ook zoons van Kephalos), Kleitophon, Nikèratos, en Charmantides.

Structuur van het boek[bewerken]

Bertrand Russell onderscheidde in zijn 'History of Western Philosophy' (Geschiedenis van de Westerse Filosofie) uit 1945 drie delen in de Staat: [4]

  1. Boek I-V: het deel dat over de utopische staat gaat en de ideale samenleving. Het vangt aan met een poging om rechtvaardigheid te definiëren.
  2. Boek VI-VII: vermits filosofen in Plato's visie de meest geschikte staatsleiders zijn, concentreert dit deel zich op het precies omschrijven wat een filosoof is. De kern van dit deel is de allegorie van de grot en de ideeënleer.
  3. Boek VIII-X: behandelt de verschillende mogelijke regeringsvormen, met argumenten pro en contra.

Plato's opvatting van rechtvaardigheid[bewerken]

Eigenlijk staat bij Plato's ontwerp van de ideale staat de opvatting centraal dat mensen ongelijk zijn. Daarvoor heeft hij ook een verklaring. Plato onderscheidt drie groepen mensen op grond van de drie zielsdelen:

  • het begerende zielsdeel
  • het strevende zielsdeel
  • het kennende zielsdeel

Het overheersende zielsdeel bepaalt tot welke klasse de mensen zullen behoren:

  1. de mensen bij wie het begerende zielsdeel met verlangens, pleziertjes en genot de overhand heeft, vormen de laagste klasse
  2. de mensen bij wie het strevende zielsdeel de overhand heeft, vormen de middenklasse
  3. de mensen bij wie het kennende zielsdeel de overhand heeft, zijn de bestuurders van de staat en ook de filosofen

Rechtvaardigheid in de staat houdt voor Plato in dat iedereen doet waar hij het best voor geschikt is. Zijn concept van ideale staat is dus geen democratie vanwege de vooronderstelling van ongelijkheid van mensen. Dit heeft ook een gevolg voor de hiërarchie die hij aanbrengt binnen de 5 mogelijke staatvormen (zie verder).

Elke 'klasse' heeft een kenmerkende eigenschap die meteen ook haar rol binnen de staat bepaalt.

  • De laagste klasse (de meeste mensen) vertegenwoordigen de economische functie. Zij vormen de materiële grondslag van de samenleving en produceren de goederen. Als kenmerkende deugd zou zij matigheid moeten tonen.
  • De klasse der 'wachters' (soldaten e.d.) heeft een beschermende en verdedigende taak. Kenmerkende deugd: dapperheid.
  • De leidende klasse ten slotte bestuurt en ordent de staat. Kenmerkende deugd: wijsheid.

De matigheid en zelfbeheersing is in de ideale staat de deugd die de drie klassen samen delen, waardoor ze tevreden zijn met de rol die hen werd toebedeeld. Elke klasse moet werken voor het welzijn van de anderen. De middenklasse beschermt het volk en het volk steunt de leidende klasse. Omdat iedereen de taak toebedeeld krijgt waarvoor hij bekwaam is, zou men deze samenleving aanvoelen als rechtvaardig.

Plato's idee van 'rechtvaardigheid' wijkt dus af van wat wij er tegenwoordig onder verstaan. Met 'rechtvaardigheid bedoelt hij eerder de toestand van orde en evenwicht in de staat, die ontstaat doordat alle delen goed met elkaar samenwerken. Deze indeling komt overeen met Plato's tripartiete opvatting van de ziel, waarbij elke 'functie' moet samenwerken voor innerlijke harmonie en 'rechtvaardigheid'.

De Politeia geeft ook aanwijzingen over de manier waarop de drie klassen moeten worden gevormd en hoe de 'wijzen' en de 'dapperen' gerekruteerd worden. Het is immers in het belang van de staat dat iedereen de functie krijgt waarvoor hij het best geschikt is volgens zijn aard en mogelijkheden. Het leven van de leidende klasse verloopt volgens de Politeia in volledige gemeenschap. De mannen delen alle emoties, opvattingen, vrouwen, kinderen en goederen met elkaar. Ieder lid van de militie doorloopt dezelfde lichamelijke, militaire en theoretische opleiding. Wie naast militaire kwaliteiten ook blijk geeft van filosofische kwaliteiten, wordt geselecteerd voor leidinggevende taken. Vanaf 30 jaar wordt een select groepje ingewijd in de filosofie, vanaf 50 jaar komen de besten in aanmerking voor de regering. De filosofen van de Politeia bezitten de beste militaire en filosofische kwaliteiten. Hoewel Plato beseft dat het twee tegengestelde eigenschappen zijn die zelden samengaan, gelooft hij dat er mensen bestaan die deze kwaliteiten in zich verenigen en in evenwicht houden.

Ideeënleer en de allegorie van de grot[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Ideeënleer voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
1rightarrow blue.svg Zie Allegorie van de grot voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In het tweede gedeelte van de Politeia, van het einde van het Vijfde Boek tot het eind van het Zevende Boek, behandelt Plato vragen van zuiver filosofische aard. Daarbij is de vraag 'Wat is een filosoof?' essentieel. Een filosoof, zegt Plato, is niet gewoon iemand die nieuwsgierig is naar waarheid, maar wel iemand die 'het zien van de waarheid' liefheeft. Hij moet ook leren om 'mening' van 'kennis' te onderscheiden. Om dit te illustreren bedenkt Plato de allegorie van de grot, die de voor de filosoof-staatsman belangrijke opgang naar ware kennis verbeeldt. Vooral in het laatste 'Boek' van de Politeia maakt Plato een zeer duidelijke uiteenzetting van de leer van de Ideeën of Vormen. De ware filosoof, zo betoogt Plato, zal slechts aandacht hebben voor het ene, het ideale ding of begrip. Op die manier zal hij zich van zijn kameraden onderscheiden en opgevoed worden tot filosoof en bestuurder. [5]

Vijf staatsvormen[bewerken]

Plato maakt een onderscheid tussen vijf staatsvormen en rangschikt ze in volgorde van degeneratie. De aristocratie is in zijn opvatting de ideale staat, in de vier andere staatsvormen nemen de gebreken steeds meer toe. De timocratie van de militairen en de oligarchie van de rijken kunnen nog op begrip rekenen. Status en geld kunnen best een zeker genot opleveren, als ze de leiding volgen van het verstand en niet blindelings naar bevrediging streven. Democratie en tirannie daarentegen worden in de Politeia niet toegelaten.

  1. Een aristocratie: wordt bestuurd door de 'besten' (áristos=meest bekwaam). Dat zijn degenen die in filosofisch en militair opzicht de beste prestaties geleverd hebben.
  2. Een timocratie: wordt bestuurd door militairen, vergelijkbaar met het toenmalige Spartaanse systeem. In deze staatsvorm gaan de filosofische kwaliteiten wel verloren en nemen de onderlinge twisten toe.
  3. Een oligarchie: wordt bestuurd door rijken. Plato wil niet dat rijkdom de maatschappelijke positie bepaalt.
  4. Een democratie: wordt meestal bestuurd door 'darren'. Zoals darren een pest zijn voor de bijenkolonie, zijn deze mensen een pest voor de samenleving. Er zijn darren met angel (criminelen) en darren zonder angel (bedelaars)[6]. In een democratie is er te veel vrijheid, waardoor zij zal leiden naar tirannie.
  5. Een tirannie: wordt bestuurd door een tiran. Het volk geeft zijn macht over aan één persoon en moet zich dan aan hem onderwerpen. Dit resulteert onvermijdelijk in uitbuiting en slavernij. Tirannie is volgens de Politeia de hoogste vorm van immoraliteit.

Culturele opvattingen van de Staat[bewerken]

De regering van de Politeia houdt toezicht op culturele aangelegenheden, want de geest van de burgers moet op een juiste manier gevormd worden. Enkel de juiste ideeën worden toegelaten; verkeerde ideeën zijn verboden. Kunstenaars en ambachtslieden zijn verplicht de juiste strekking te volgen. Als iemand in gebreke blijft, wordt hij uit de maatschappij verstoten en naar een ander land gestuurd.

De gangbare Griekse verhalen en literatuur moeten voor het merendeel verworpen worden. In de Griekse mythologie gaan de helden en goden zich immers te buiten aan allerlei wangedrag. Ze komen in opstand tegen hun vader, vermoorden desnoods uit winstbejag hun eigen familie, begaan barbaarse wreedheden in oorlogstijd en geven zich ongeremd over aan verdriet, wanhoop en woede. Soldaten weigeren bevelen op te volgen en veroorloven zich brutaliteiten tegenover hun meerderen. Er zijn vetes binnen de families en oorlogen tussen leden van dezelfde gemeenschap, allemaal verhalen die niet passen in de opvoeding die de Politeia voor ogen heeft. De mythologie vertelt ook over de gruwelen en verschrikkingen die de mens na de dood te wachten staan. Volgens Plato is het verkeerd om de dood als iets verschrikkelijks voor te stellen of om iemand met opzet angst voor de dood in te boezemen. De leidende klasse heeft daarentegen moed en een goede militaire instelling nodig. Ze zouden het verlies van de vrijheid meer moeten vrezen dan de dood.

Kunst wordt in de Politeia voorgesteld als een groot gevaar voor de ziel. Een kunstenaar richt zich immers niet tot het verstand, maar tot de emoties en de begeerten. Zo moeten acteurs in de huid kruipen van de meest uiteenlopende karakters. De personages laten zich meeslepen door pijn, verdriet, wanhoop, woede, genot, seksuele verlangens en alle kinderlijke hartstochten van de massa. En het is precies deze 'empathie' die schadelijk is voor de ziel. Plato heeft nog wel sympathie voor het nabootsen van edele figuren op het toneel, maar niet voor het zich verlagen door een verwerpelijke personage te vertolken. Plato lijkt het een beetje te beschouwen als een soort 'besmetting' van de ziel. Het doet sterk denken aan zijn allegorie van de wagenmenner - alsof nabootsen van dergelijke lage lieden het 'slechte paard' van het span te veel zou helpen waardoor de ziel naar beneden wordt getrokken, 'verlaagd' wordt. De Politeia neemt op deze manier stelling tegen het moreel verwerpelijke van de kunst en wil zelfs zo ver gaan dat kunst in de ideale maatschappij verboden wordt.

Zowel in Plato's ontologie als kennisleer vertegenwoordigt kunst het derde en laagste stadium van kennis. Naast de abstracte stoel van de goddelijke wereld en de concrete stoel van de aardse wereld, is de afbeelding van de kunstenaar een soort derderangs object, een afbeelding van een afbeelding als het ware. Het is een imitatie die ver van de waarheid afstaat. Kunst is in Plato's ideale staat slechts een soort spel, een valse praktijk, een schijnwaarheid zoals voorgespiegeld door onze zintuigen. Perspectivistische schilderkunst bijvoorbeeld moet niet voor tovenarij onderdoen. Kunst bevat geen kennis, geen waarheid, geen menselijke kwaliteiten, geen waarde. Zelfs de grote schrijver Homeros ontsnapt niet aan het oordeel van Plato. Homeros had zich volgens hem gewaagd aan onderwerpen zoals oorlogvoering, politiek, maatschappij en opvoeding. Plato vraagt zich in de Politeia af welke maatschappelijke omstandigheden verbeterd waren dankzij Homeros. Wetten? Oorlogvoering? Technische uitvindingen? Mensen opvoeden en verbeteren? Niets van dit alles. Homeros had niets betekend voor het openbare leven. Op dezelfde manier hekelt hij ook Hesiodus.

In de Politeia zijn er ook strengere schrijvers nodig. Literatuur mag alleen worden toegelaten in de vorm van hymnen voor goden en lofredes op goede en waardevolle mensen. Een mens kan zich maar in één karakter inleven en mag niet leren om zich in andere mensen te verplaatsen. De uitzondering op de regel wordt toegestaan wanneer men doet alsof men zelf een hoogstaand persoon is. Nooit mag men zich echter identificeren met mensen van laag allooi. Muziek heeft wel een belangrijke plaats in de opvoeding van de Politeia. De maat en toonsoort zijn aangepast aan wilskrachtige karakters. Enkel eenvoudige snaarinstrumenten zorgen voor gelijkmatigheid. Variatie, extase en weemoedige melodieën worden geweerd.

Receptie en interpretaties[bewerken]

Oud-Griekenland en het Oude Rome[bewerken]

Het idee om verhandelingen te schrijven over regeringsvormen werd enkele decennia na Plato gevolgd door zijn belangrijkste leerling Aristoteles. Hij schreef een verhandeling met de titel 'Politika'. Zijn traktaat was niet in dialoogvorm geschreven, maar systematiseert heel wat concepten die Plato in zijn Politeia aanbracht. Soms leidde het Aristoteles ook tot afwijkende conclusies.

In de periode dat het Oude Rome van zijn polytheïstische godsdienst overging naar het Christendom schreef Augustinus (354 - 430) zijn magnum opus De civitate Dei ( 'Over de Stad van God'), met duidelijke referenties aan het werk van Plato, Aristoteles en Cicero. Augustinus beschreef naar het voorbeeld van Plato ook een 'ideale stad', het 'eeuwige Jeruzalem', in een even visionaire taal als de filosofen die hem voorafgingen.

20e eeuw[bewerken]

De meeste 20e-eeuwse commentators van Plato's Politeia raden af om het te lezen als een soort gids voor goed bestuur. De meeste regeringsvormen die Plato beschrijft hebben immers niets meer te maken met meer recente staatsvormen zoals de moderne republiek of de constitutionele monarchie. Alleen staten met een dictator aan het hoofd hebben wel vergelijkbare systemen. De opvatting van democratie in Plato's tijd is daarenboven te zeer verbonden met de toenmalige Oud-Griekse stadstaten om nu nog veel relevantie te hebben.

Culturele referenties[bewerken]

In 1976 schreef de Nederlandse componist Louis Andriessen het werk De Staat. Dit stuk is gebaseerd op de Politeia en zangeressen zingen ook citaten in het Oud-Grieks. De première van dit werk in 1976 (door het Nederlands Blazers Ensemble) was een mijlpaal in het Nederlandse muziekleven. Met De Staat maakte Louis Andriessen een klassieker die hem internationale faam bezorgde en die nog altijd voor jonge componisten uit de hele wereld aanleiding is om hem op te zoeken als compositieleraar.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Allegorie van de grot op Wikisource
Bronnen
  1. In Engelstalige publicaties wordt altijd gesproken over The Republic, in Franstalige over La République. Dit vindt zijn oorsprong in het Latijnse Res Publica, en is geen aanduiding van een specifieke republikeinse staatsvorm. Het werk wordt in Nederlandse vertalingen De staat (Xaveer De Win), Constitutie, De ideale staat (Gerard Koolschijn) of Het bestel (Hans Warren en Mario Molegraaf) geheten.
  2. In de middeleeuwen zouden de Ideeën (via Porpyrius' Inleiding op het werk van Aristoteles) aanleiding zijn tot de hevige discussies over de 'universalia'
  3. De Nederlandse hoogleraar Siem Slings bezorgde in 2003 de hernieuwde Oxford-uitgave van de Staat, waaraan hij 25 jaar gewerkt had en dat hij beschouwde als zijn levenswerk.
  4. Bertrand Russell: History of Western Philosophy, begin van Boek I, deel 2, hoofdstuk 14.
  5. Boek VII van 'De Staat, Plato; 'De Ideeënleer' in de Geschiedenis van de Westerse filosofie, Bertrand Russell
  6. Simon Blackburn, 'Politeia' van Plato, Amsterdam, 2008, blz. 170: "Plato heeft het niet zo op darren, en is blijkbaar niet op de hoogte van de biologie van de honingbij, 'Apis mellifera' (---). In werkelijkheid vormen darren geen 'plaag voor het bijenvolk' maar spelen ze er een wezenlijke rol in (---); bovendien bezit geen enkele dar een angel."