Stadsschouwburg Amsterdam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Huidige Stadsschouwburg, Leidseplein, uit 1894
Brand in de schouwburg aan de Keizersgracht, 1772
De eerste Schouwburg op het Leidseplein na de verbouwing, 1874.

De Stadsschouwburg Amsterdam is een theatergebouw aan het Leidseplein in Amsterdam en de naam van de inmiddels verdwenen hoofdstedelijke schouwburgen aan het Leidseplein en de Keizersgracht.[1]

Sinds 1982 is de Stadsschouwburg een rijksmonument.

Interieur[bewerken]

Het huidige complex telt twee zalen: de Grote Zaal en de Rabozaal .

De klassieke hoefijzervormige Grote Zaal ligt op de eerste verdieping van het gebouw. De zaal heeft drie balkons en 757 verkoopbare plaatsen. Op de verdiepingen liggen meerdere foyers. De loge ligt op het eerste balkon. Er zijn ter weerszijden van het toneel twee avant-scène-loges.

De Rabozaal is een moderne "zwarte doos" die op verschillende manieren kan worden ingedeeld. De zaal, met een uitzonderlijk brede toneelopening en een capaciteit van ruim 500 stoelen, ligt tussen de historische schouwburg en de aangrenzende Melkweg. Een deel van de nieuwe (2009) zaal is over de Melkweg heen gebouwd. De Rabo-foyer "zweeft" boven de Lijnbaansgracht.

In het monumentale gebouw hangt een grote collectie geschilderde portretten van kunstenaars. Het plafond van het auditorium van de Grote Zaal had oorspronkelijk een beschildering door Pierre Devis (1846-1919) en Armand Lynen (1849-1932), de decorateurs van de Koninklijke Muntschouwburg. Ook aan de decoraties van de balkons werkten Belgen mee, onder wie de gevierde schilder-decorateur Albert Dubosq (1863-1940). De muurschilderingen in het trappenhuis zijn van een collectief van vier schilders: Jan Peeters (1912-1992), Lex Horn (1916-1968), Jan Groenestein (1919-1971) en Anton Rovers (1921-2003).[2]

In de benedenfoyers aan het Leidseplein ligt het, naar de Russische theatervernieuwer Konstantin Stanislavski vernoemde restaurant Stanislavski, en aan de Marnixstraat ligt het naar een voormalig directeur Cox Habbema vernoemde Café Cox.

De Ajax Foyer en het Ajaxterras liggen aan de voorgevel op de eerste verdieping. Hier verschijnen de spelers na een belangrijke overwinning van Ajax om door het publiek te worden toegejuicht. Naast de zaal ligt de Kleine Foyer. Achter het eerste balkon ligt de Koninklijke Foyer. Ter weerszijden liggen het Marnixbordes en het, met het Gijsbrechtmozaïek (A. Molkenboer 1949) versierde, Gijsbrechtbordes. De vide bij het Gijsbrechtbordes geeft toegang tot de Rabozaal.

Geschiedenis[bewerken]

De Rederijkerskamers[bewerken]

Grote en Kleine Vleeshal, Nes, Amsterdam
De Schouwburgpoort aan de Keizersgracht. Circa 1790-95., Amsterdam, Hermanus Petrus Schouten
De "houten kast" op het Leidseplein.
De houten kast werd in 1874 grondig verbouwd en van een stenen gevel voorzien (foto Pieter Oosterhuis).

De eerste rederijkers verschenen tegen het einde van de 15e eeuw in Amsterdam. In de 16e eeuw organiseerden de rederijkers zich in zogenaamde rederijkerskamers, die men zou kunnen vergelijken met amateur theatergezelschappen. Zij stonden met hun liefde voor poëzie en retorica aan de wieg van het hedendaagse toneel.

Er waren destijds geen permanente theatergebouwen in Amsterdam. Men trad op in openbare ruimtes of op tijdelijke podia, of vanaf karren (bij processies). In Amsterdam ontstonden de rederijkerskamers De Eglantier, met als devies "In Liefde Bloeyende", en t Wit Lavendel. De laatste werd ook wel de Brabantsche Kamer genoemd, vanwege de voornamelijk Brabantse en Vlaamse leden. Leden van beide rederijkerskamers kwamen samen op de zolder van de voormalige kapel van het Margarethaklooster tussen de Nes en de Oudezijds Voorburgwal, die na de Alteratie in 1578 in gebruik was als vleeshal. Tegenwoordig is hier het Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond.

De Academie aan de Keizersgracht (1617-1637)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Eerste Nederduytsche Academie

In 1617 verlieten toneelschrijvers Samuel Coster en Bredero met hun aanhang de rederijkerskamer In Liefde Bloeyende en stichtten de Duytsche Academie, een instelling die naar voorbeeld van Italiaanse academies uit die tijd de wetenschap zou populariseren door voordrachten in de landstaal. De Academie was gevestigd in in een houten gebouw aan de Amsterdamse Keizersgracht ter hoogte van nummer 384.

De Eerste Schouwburg aan de Keizersgracht (1637-1664)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Schouwburg van Van Campen

Al snel werd de Nederduytsche Academie te klein. In het al maar groeiende Amsterdam ontstond de behoefte aan een permanent gebouw voor theatervoorstellingen. Men besloot de Academie plaats te laten maken voor de eerste stenen stadsschouwburg. Het theater werd door architect Jacob van Campen, later bekend van onder meer het Paleis op de Dam, ontworpen en kon december 1637 worden geopend. De kosten voor de bouw bedroegen 30.138 gulden.

De schouwburg zou op 26 december 1637 geopend worden met het speciaal daartoe geschreven toneelstuk Gijsbrecht van Aemstel van Vondel. Na protestesten van de kerkenraad kon de schouwburg op 3 januari 1638 alsnog worden geopend.

Boven de poort van de schouwburg aan de Keizersgracht stond in de architraaf een vers van Vondel: De weereld is een schouwtoneel, Elck speelt zijn rol en krijght zijn deel. De poort is het enige deel van het gebouw van Van Campen dat nu nog bestaat.

De Nieuwe Schouwburg aan de Keizersgracht (1665-1772)[bewerken]

In 1664 werd de schouwburg van Van Campen ingrijpend verbouwd. Het gebouw werd uitgebroken, het toneel kwam op een andere plaats en er werd een stuk van de tuin bijgetrokken. Bovendien kwamen er beweegbare perspectivisch beschilderde decors, coulissen en ander "const- en vlieghwerk"[3] De 'Nieuwe Schouwburg' was twee maal zo groot als de vorige, en werd op 26 mei 1665 geopend. Het gebouw werd regelmatig uitgebreid en aangepast.

Op 7 mei 1772 vatte het gebouw tijdens een voorstelling vlam, nadat een toneelknecht onvoorzichtig om was gegaan met de theaterbelichting, die in die tijd uit kaarsen bestond. De brand greep snel om zich heen, tastte 22 huizen in de omgeving aan, en was zo groot dat hij zelfs in Den Haag, Utrecht en op Texel kon worden gezien. Bij de brand kwamen 18 mensen om.

De eerste schouwburg op het Leidseplein (1774-1890)[bewerken]

Na de brand was het perceel van de schouwburg aan de Keizersgracht verkocht. In 1774 opende een nieuwe schouwburg, ditmaal op het Leidseplein. Deze schouwburg bestond uit een houten constructie. Alleen de façade was van steen. Het brandgevaarlijke gebouw werd in 1874 ingrijpend verbouwd en van stenen muren voorzien. Op 20 februari 1890 brandde ook dit gebouw volledig uit.

De huidige schouwburg[bewerken]

De huidige schouwburg werd van 1892 tot 1894 gebouwd naar ontwerp van Jan Springer (1850–1915), met medewerking van Jacobus Bernardus Springer (1854–1922) en Adolf Leonard van Gendt.

Na de Tweede Wereldoorlog gaf De Nederlandse Opera zijn voorstellingen in de Stadsschouwburg, tot in 1986 het Muziektheater werd geopend.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Worp, J.A. (1920). Geschiedenis van den Amsterdamschen Schouwburg 1496-1772. Amsterdam: S.L. van Looy.
  2. Wandschilderingen: De Ontwikkelingen van de Naoorlogse Wandschilderkunst tot Medio Jaren Vijftig Instituut Collectie Nederland. Bezien 24 mei 2009.
  3. DBNL . J.A. Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg 1496-1772 p. 128