Stefan George

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Stefan George

Stefan George (Büdesheim (Bingen am Rhein), 12 juli 1868Minusio, 4 december 1933) was een Duits dichter, stammend uit het symbolisme.

Leven[bewerken]

George was de zoon van een wijnbouwer aan de Rijn. Reeds vroeg had hij de drang dichter te worden; tijdens zijn leven reisde hij voortdurend door Europa en woonde maar zelden langer dan een maand op dezelfde plek. In 1889 kwam hij in Parijs in contact met de leidende Franse dichters uit die tijd, onder wie Stéphane Mallarmé en Paul Valéry. Een jaar later publiceerde hij zijn eerste cyclus, Hymnen, in een zeer hermetische, persoonlijke stijl, die hem zou blijven kenmerken.

In 1891 maakte George in Wenen kennis met Hugo von Hofmannsthal, met wie hij een sterke band ontwikkelde, waaraan Hofmannsthal zich echter op zachte wijze poogde te onttrekken. Georges frustratie leidde na enige tijd tot een zwaar conflict, waarbij hij Hofmannsthal tot een duel uitdaagde. Hun verstandhouding verbeterde zich enigszins toen George zich in München had teruggetrokken. Uit deze affaire en Georges beperkte belangstelling voor vrouwelijke vrienden leidt men af dat hij waarschijnlijk homoseksueel was.

George publiceerde tussen 1892 en 1919, in een zeer beperkte oplage en in sterk gestileerde druk, een tijdschriftje in Wenen, Blätter für die Kunst; uit het intellectuele lezerschap dat hij hiermee verwierf, vormde zich een hechte kring van twaalf bewonderaars, die George als een soort meester vereerden. Zijn werk is van veeleer beperkte omvang, en geheel lyrisch; behalve enkele vertalingen van onder andere Dante, Shakespeare en Ibsen schreef George groots opgezette cycli van gedichten.

George vertoont op stilistisch vlak een herkenbare eigenzinnigheid: zijn gedichten hebben geen interpunctie en volgen nooit de Duitse hoofdletterregels — enkel het eerste woord van een regel krijgt een hoofdletter. Georges eerste fase liep van zijn vroegste gedichten tot het eind van de 19de eeuw: hij was een overtuigd aanhanger van de l'art pour l'art-beweging, en tezelfdertijd een heftig antimodernist — hij kon zich niet vinden in de moderne fin de siècle-tijd: een dichter moet de kunst ter wille van de kunst bedrijven — maatschappelijke inmengingen zijn uit den boze. Dit hield in dat een kunstenaar geen gewoon mens kan zijn: hij moet zich verheffen, zich terugtrekken en een eigen wereld creëren. Het programma van George was de geestelijke kunst.

De tweede fase van George liet wel ruimte voor een zekere betrokkenheid bij de maatschappij: door kritiek uit te oefenen op de moderne tijd poogde George een nieuw, geestelijk mensdom op te richten. In Der siebente Ring maakt George profetische aforismen en bouwt een cultus voor zijn jeugdvriend Maximin. Na de Eerste Wereldoorlog verminderde Georges activiteit. In 1928 publiceerde hij nog de cyclus Das Neue Reich, die over de oorlogsjaren blijkt te gaan.

George was een charismatisch figuur; eerst binnen de nauwe kring van zijn bewonderaars (waaronder Claus Schenk von Stauffenberg), die hem verheerlijkten en als een god aanbaden, en later ook voor de buitenwereld, was hij het toonbeeld van de verheven, elitaire dichter, die van op zijn voetstuk de schoonheid cultiveert. Daarenboven had hij een indringende, langzame stem. Dit beeld sloeg aan bij de nationaalsocialisten: zij interpreteerden zijn cyclus Das neue Reich als een verwijzing naar het nieuwe rijk waarnaar zijzelf streefden. Het dient tevens te worden opgemerkt, dat George zich, sinds er een einde was gekomen aan het door Pruisen gedomineerde wilhelminische Duitsland, had verzoend met het nationalisme, waartegen hij zich vroeger had verzet. (Dit wil niet zeggen dat hij de Weimarrepubliek zonder meer steunde.)

In 1933, toen de NSDAP aan de macht kwam, verhuisde hij naar het buitenland en leefde hij nabij Locarno. Hij weigerde te antwoorden op de overvloedige loftuitingen van Goebbels, die naar een rijksdichter op zoek was, en stierf kort daarop. Zijn leerlingen hebben dit uitgelegd als een afwijzing van het Derde Rijk.

Werken[bewerken]

Dichtbundels:

  • 1890: Hymnen
  • 1891: Pilgerfahrten
  • 1892: Algabal
  • 1895: Die Bücher der Hirten- und Preisgedichte, der Sagen und Sänge und der hängenden Gärten
  • 1897: Das Jahr der Seele
  • 1910: Der Teppich des Lebens und die Lieder vom Traum und Tod mit einem Vorspiel
  • 1907: Der siebente Ring
  • 1914: Der Stern des Bundes
  • 1928: Das neue Reich

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Barbara Baumann & Brigitta Oberle (1985), Deutsche Literatur in Epochen. München: Max Hueber Verlag.
  • Jaak De Vos (2002), „Wir haben alles wohl anders geträumt mit unsern Büchern, hinter der Mauer unsers Gartens, zwischen unsern Myrthen und Oleandern“. Natur und Kunst, Religion und Politik in der Vormärz-Dichtung. — „Müde Seelen“. Das Fin de siècle in der deutschen Dichtung. Syllabus bij het Opleidingsonderdeel Letterkunde II: Duits. Gent: Universiteit Gent. [cursus]
  • Gerhard Fricke & Mathias Schreiber (1988), Geschichte der deutschen Literatur. Paderborn: Ferdinand Schöningh.
  • Stefan George (1984), Gedichte, in: Robert Boehringer (red.), Stefan George. Gedichte. Eine Auswahl. Stuttgart: Philipp Reclam. [= Reclam 8444]
  • Corrado M. Hoorweg (1951), Stefan George in der Dichtung Albert Verweys in: Castrum Peregrini[1] 3 pag. 5-59
  • Corrado M. Hoorweg (2012), Stefan George en Maximin Ad Hoc-reeks nummer 7, Stichting Memoriaal[2] 2012. ISBN 978-94-90696-00-9
  • Robert E. Norton, Secret Germany. Stefan George and his Circle (2002)
  • Bengt Algot Sørensen (1997), Geschichte der deutschen Literatur. Band II. Vom 19. Jahrhundert bis zur Gegenwart. München: C. H. Beck. [= Beck'sche Reihe 1217]
  • Conrad M. Stibbe: * Stefan George und die Göttervision des Archäologen Hans von Prott (1980) (met C. V. Bock[3]) in: Castrum Peregrini Nr. 145 pag. 5-34
  • Wolf Wucherpfennig (1986), Geschichte der deutschen Literatur. Von den Anfängen bis zur Gegenwart. Stuttgart: Ernst Klett.


Noten