Sterk werkwoord

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Sterk werkwoord is de grammaticale benaming voor bepaalde werkwoordsklassen in Indo-Europese talen, die als typisch kenmerk hebben dat ze hun verleden en voltooide tijd vormen door middel van ablaut in de stam.

Geschiedenis[bewerken]

Hoewel deze manier van vervoegen volgens de historische taalkunde reeds teruggaat tot het perfectum en de aoristus van het Proto-Indo-Europees, wordt de term "sterk werkwoord" in de praktijk vooral gebruikt voor dit verschijnsel in West- en Noord-Germaanse talen, om deze klasse te onderscheiden van de zwakke werkwoorden; deze laatste groep wordt beschouwd als een typisch Germaanse innovatie. Sterke en zwakke werkwoorden kwamen reeds naast elkaar voor in het Gotisch.

Bij uitbreiding worden ook in beschrijvingen van de aoristus zoals die in het Oudgrieks voorkwam de sterke vormen (dat wil zeggen met klinker- en/of andere veranderingen in de stam) onderscheiden van de zwakke (dat wil zeggen met toevoeging van een sigma achter de stam).[1]

Achtergrond terminologie[bewerken]

Het onderscheid "sterk/zwak werkwoord" is in de 19e eeuw bedacht door de Duitse taalkundige Jacob Grimm. Het idee achter deze terminologie was dat sterke werkwoorden zonder "hulp" van een extra achtervoegsel (zoals -te in het Duits en -te/-de in het Nederlands) een aparte grammaticale categorie - nl. de verleden tijd - konden vormen. Grimm beschouwde de klasse van sterke werkwoorden tevens als de meest vernieuwende.[2]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties