Stork (bedrijf)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Stork Technical Services
Oprichting Hengelo, Nederland in 1868
Oprichter(s) Charles Theodorus Stork
Sleutelfiguren Sjoerd Vollebregt (voorzitter raad van bestuur)
Arnold Steenbakker (CEO sinds 1 juli 2013)
Hoofdkantoor Van Deventerlaan 121
3528 AG Utrecht
Werknemers 14.506 (31-12-2012)
Producten Technische diensten
Omzet € 1,417.8 miljoen (2012)
Winst € - 28.3 miljoen (2012)
Website (en) Stork Technical Services
Portaal  Portaalicoon   Economie

Stork Technical Services is een in Nederland gevestigd bedrijf, met het hoofdkantoor in Utrecht. Stork is sinds begin 2008 eigendom van een Engelse aandeelhouder, het Britse investeringsbedrijf Candover en Arle Capital. Daarvoor was Stork genoteerd aan de Euronext. In 2012 heeft er een herfinanciering plaatsgevonden door middel van een uitgifte van obligaties. Stork bestaat sinds 2013 uit twee business lines; Core Services en Solutions. Het concern produceert onder andere vliegtuigonderdelen maar richt zich voornamelijk op het leveren van technische diensten aan de olie- en gasindustrie. In 2012 zijn Stork B.V., Fokker Technologies en Stork Technical Services losgekoppeld waardoor alle drie bedrijven nu een eigen raad van bestuur hebben en zelfstandig opereren.

Geschiedenis[bewerken]

Begin[bewerken]

Stork werd in 1865 te Borne opgericht als de machinefabriek Gebr. Stork & Co. In 1868 verplaatste Charles Theodorus Stork (1822-1895) het bedrijf naar Hengelo. Hij werkte daar samen met zijn broer Jurriaan Engelbert Stork (1828-1893) en zijn zwager Hendrik Jan Ekker (1830-1896). De voorloper van dit bedrijf was de in 1859 opgerichte ijzergieterij annex machinereparatiewerkplaats Stork, Meyling & Co. in Borne. Daar werkte de plaatselijke smid/werktuigbouwkundige Jan Meyling samen met Coenraad Craan Stork, een jongere broer van Charles. Coenraad overleed echter in 1863. Charles Stork was al jaren daarvoor, in 1835 (op dertienjarige leeftijd), zijn carrière begonnen als industrieel met de Weefgoederenfabrique C.T. Stork & Co. in Oldenzaal. In 1893 namen de zonen Dirk Willem (1855-1928), Hendrik Casper (1857-1934) en Coenraad Frederik Stork (1865-1934) de leiding van de machinefabriek over.

Het bedrijf stond bekend als sociaal en innovatief. Men begon met reparatiewerkzaamheden, maar bouwde ook wel nieuwe machines voor de textielindustrie; stoommachines die spin- en weefmachines aandreven. De Twentse textielindustrie was echter minder innovatief en Stork moest naar nieuwe markten uitzien. Men fabriceerde scheepsstoomketels en stoommachines voor gemalen. Op de Wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs werd Stork's horizontale compound-stoommachine bekroond en kwam een internationale orderstroom op gang. De sterk opkomende rietsuikerindustrie op Java bood een veelbelovende nieuwe markt, waarop Stork vanaf 1883 actief werd. In 1910 vond de eerste levering van machinerieën aan Cuba plaats, hét rietsuikerland bij uitstek. Vanaf 1898 werden in een aparte vennootschap hijswerktuigen gefabriceerd. Verder was Stork vanaf eind 19e eeuw als leverancier én als mede-financier nauw betrokken bij de opkomst van elektriciteitsproducenten, zoals bij het Twentsch Centraal Station (1901), de Mij. tot verkoop van Electrische Stroom der Staatsmijnen (1908) en de Kennemer Electriciteitsmaatschappij.

Vanaf 1880 bouwde Stork een net van dealers op in heel Nederland die als installeurs en als regionale vertegenwoordigers van vooral de stoominstallaties dienden. Voorbeelden zijn de fa. Duintjer te Wildervank, W. Hubert & Co. te Sneek, P.M. Duyvis & Co. te Zaandam en M. Peskens te Helmond. Verder waren de firmanten - soms afzonderlijk, soms met meerderen - financieel betrokken bij diverse Nederlandse machine- en scheepsbouwbedrijven en technische handels- en installatiebedrijven. Vooral de belangen in Th. Figee & Co. (1889 werf Conrad) en het in 1891 opgerichte Werkspoor zijn vermeldenswaardig. Dirk en Coen Stork waren in 1918 betrokken bij de oprichting van Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staalfabrieken (het huidige Tata Steel Europe).

In 1881 richtte het bedrijf het eerste bedrijfspensioenfonds van Nederland op.

Expansie[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog kende Stork een periode van bloei, maar in de jaren dertig stortte de wereldeconomie in, hetgeen resulteerde in ontslagen, loonsverlagingen en werktijdverkortingen. Het bedrijf was een conglomeraat; er werden hijskranen, baggermolens en zeesleepboten gemaakt, maar ook levensmiddelenproductiemachines en pompen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden 500 arbeiders van Stork door de bezetter als dwangarbeiders in Duitsland te werk gesteld. Na de bevrijding bracht de wederopbouw een periode van groei. Stork had op een gegeven moment 6000 mensen in dienst. Toch werd het te klein bevonden. Daarom fuseerde Stork in 1954 met Werkspoor in Amsterdam. De combinatie ging Verenigde Machinefabrieken (VMF) heten en telde 10.000 werknemers. Het bedrijf was sterk in de zware kapitaalgoederen, wat een kwetsbare sector bleek toen de periode van de wederopbouw afgesloten was. Daarnaast werden onder meer een sterilisatiesysteem voor verpakte zuivel en een textieldrukmachine op de markt gebracht. In 1957 kwam er een order voor onderdelen voor de proefreactor te Petten. In 1959 werd Beijnes overgenomen, een fabrikant van rollend materieel.

Stagnatie[bewerken]

In de jaren zestig ging het slecht met VMF. Bij Werkspoor vielen massaontslagen: 1900 mensen kwamen op straat te staan. Toch werden er intussen ook bedrijven overgenomen, en wel Machinefabriek Hensen (hijskranen) in 1965, Wiericke (pluimveeslachtmachines) en Kromhout in Amsterdam-Noord in 1966. In 1968 werd Bronswerk overgenomen, een onderdeel van de failliete scheepswerf Wilton-Fijenoord. Dit bedrijf was gericht op technische dienstverlening, zoals het technisch onderhoud van olie- en gasinstallaties. In datzelfde jaar ging VMF verder onder de naam Verenigde Machinefabrieken-Stork.

In 1969 leed het bedrijf voor het eerst verlies. De productie van dieselmotoren en treinstellen werd daarop afgestoten. In 1971 werd weer winst gemaakt, maar de vooruitzichten voor de zware kapitaalgoederen waren somber, en de Hengelose vestiging werd gereorganiseerd. Daarna wilde de directie ook de gieterijen in Hengelo en Utrecht sluiten. Na verzet van de arbeiders werden ze met overheidssteun opengehouden. Men probeerde de malaise nog tegen te gaan door exportorders voor het machinepark van complete fabrieken af te sluiten met onder meer Maleisië, China en de Sovjet-Unie.

Afscheid van de zware industrie[bewerken]

Ondertussen werd er sterk gesaneerd, waarbij het aantal arbeiders terugliep van 26.000 in 1968 tot 12.000 in 1983. Stork maakte een omwenteling door, waarbij overgeschakeld werd van zware investeringsgoederen naar lichtere sectoren en werd in 1981 weer winstgevend. In dit kader kan de overname in 1989 van Nolte worden gezien, een Eindhovens bedrijf dat onder meer verlichtingsinstallaties maakte en dat later weer aan de VDL Groep werd doorverkocht. Verder werd in 1994 het ingenieursbureau Comprimo overgenomen. In 1996 kreeg Stork een lucht- en ruimtevaartdivisie door de overname van Fokker Aviation, bestaande uit vier gezonde onderdelen van het failliete Fokker, dat onder meer de Fokker-vliegtuigen moest onderhouden en ook vliegtuigonderdelen produceert. Intussen was in 1992 de bedrijfsnaam Verenigde Machinefabrieken-Stork weer gewijzigd in Stork.

In 2007 had Stork 13300 medewerkers in dienst en kende het de volgende divisies:

  • Textieldrukmachines (Stork Prints) (later gedeeltelijk verkocht)
  • Kippenslachtmachines (Stork Food Systems)
  • Lucht- en ruimtevaartdivisie (Fokker Aerospace Group)
  • Technische dienstverlening (Stork Industry Services)

In 2010 heeft nam Stork B.V. de RigBlast Group Ltd (RBG) over, een bedrijf gevestigd in Aberdeen dat is in offshore olie- en gasbusiness. Met deze overname veranderde Stork B.V. ook haar naam in Stork Technical Services.

Anno 2013 heeft Stork vestigingen over de hele wereld, maar vele activiteiten zijn ook afgestoten.

Einde van het conglomeraat[bewerken]

In 2006 en 2007 hebben twee activistische hedge fondsen, Centaurus en Paulson, gepleit voor opsplitsing van Stork. Het bestuur ging hier niet op in, en uiteindelijk deed het investeringsfonds Candover een bod op de aandelen. Op 28 november 2007 werd bekend dat Stork door Candover van de beurs zou worden gehaald. De divisie voor kippenslachtmachines zou worden verkocht aan het IJslandse bedrijf Marel, terwijl Candover met de divisies Aerospace en Technical Services zou doorgaan.

Het huidige investeringsfonds is nu het Britse Arle Capital, na een uitkoop van Candover (April 2011).

Sinds januari 2012 zijn Stork Technical Services, Stork B.V. en Fokker Technologies gescheiden entiteiten. Alle bedrijven hebben een eigen raad van bestuur.

Bijzonderheden[bewerken]

De tweede kern (een vroege vorm van medezeggenschap van werknemers) werd bij Stork in 1883 opgericht, nadat de eerste was ontstaan bij de Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek (in Delft in 1878).

Externe links[bewerken]