Stotteren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Stotteren
ICD-10 F98.5
ICD-9 307.0
OMIM 184450
MedlinePlus 001427
MeSH D013342
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Stotteren wordt in de ICD-10 omschreven als "spraak die gekenmerkt wordt door veel voorkomende herhalingen of verlengingen van klanken of lettergrepen of woorden of door veel voorkomende aarzelingen of pauzes. Deze verschijnselen komen langdurig (minstens drie maanden) of veelvuldig voor en zijn zodanige ernstig dat het de vloeiendheid van de spraak duidelijk verstoort”. In dit lemma wordt uitsluitend de meest voorkomende vorm van stotteren besproken, nl. het ontwikkeling–stotteren, hetgeen volgens de DSM-IV ingedeeld is bij de ontwikkelingsstoornissen.

Stotteren wordt wel vergeleken met een ijsberg. Het openlijk stotteren met zijn blokkades, herhalingen en ongewilde pauzes tijdens het spreken is goed merkbaar, dus ‘boven water’ . Daarnaast bestaat er het zogenaamde verborgen stotteren; dit deel blijft voor de buitenwereld onzichtbaar, maar kan een belangrijker plaats innemen dan het openlijk stotteren: het vermijden van moeilijke woorden, de spreekangst en de minderwaardigheidsgevoelens. Deze laatste verschijnselen blijven als het ware ‘onder water’.

Wereldwijd zijn er zo'n 60 miljoen personen die stotteren (PDS) , terwijl in heel Europa 3.740.000 mensen last hebben van stotteren. In Nederland en België zijn die getallen 170.000 respectievelijk 100.000.

Inhoud

Oorzaken en ontwikkeling[bewerken]

Op basis van het familiair voorkomen, studies met tweelingen (eeneiig dan wel twee-eiig) en studies van kinderen na adoptie, was al bekend dat stotteren voor een belangrijk deel erfelijk bepaald is. Recent zijn er ook genen aangetoond die significant (maar niet absoluut) met stotteren samengaan. Deze onderzoeken zijn nog in volle gang; men gaat ervan uit dat naast deze genetische factoren ook neurobiologische, gedragsmatige, emotionele en omgevingsfactoren een rol spelen.

De incidentie nieuw optredende gevallen in de tijd) is ongeveer 5 % en betreft dan meestal kinderen tussen 2 en 7 jaar. Een groot gedeelte hiervan (ongeveer 75%) herstelt spontaan (meisjes meer dan jongens). Daardoor is de prevalentie (bestaande gevallen in de tijd) lager (1%, met ongeveer 80% van het mannelijk geslacht).

Wanneer begint stotteren?[bewerken]

Stotteren begint meestal tussen twee en vijf jaar. Dit is de periode dat kinderen meer leren praten en een beperkte onvloeiendheid in deze periode is zeker normaal te noemen. Deze onvloeiendheden zijn voor een expert duidelijk te onderscheiden van stotter-niet vloeiendheid. In de aanwezigheid van bepaalde risicofactoren kan vroege aandacht wel belangrijk zijn. Stotteren komt op volwassen leeftijd meer voor bij jongens of mannen dan bij meisjes en vrouwen. Stotteren kan bij periodes minder hevig zijn of juist heviger. Dit wisselend karaker is grillig maar ook een kenmerk van stotteren. In plaats van het hier besproken ontwikkelingsstotteren kan er sporadisch sprake zijn van verworven stotteren, zoals neurogeen, psychogeen, farmacogeen en gesimuleerd stotteren. Deze vormen ontstaan meestal op latere leeftijd.

Wat gebeurt er tijdens het stotteren[bewerken]

Tijdens het spreken krijgt iemand constant terugkoppeling over hetgeen gezegd wordt. De voor de spraak verantwoordelijke spieren (tong, lippen, kaakspieren enzovoort) worden door het voor de spraak verantwoordelijke deel van de hersenen (de temporale kwab van de linker hersenhelft) geïnstrueerd om bepaalde bewegingen te maken. Wanneer een spierbeweging fout gaat (dreigt te gaan) vanwege bijvoorbeeld spanning (welke dan ook) wordt dit naar de hersenen teruggekoppeld. Bij een PDS wordt deze terugkoppeling minder adequaat gegeven, waardoor de spieren blijven corrigeren. Dit veroorzaakt stottersymptomen. Het probleem uit zich dus in de afstemming tussen de aansturing vanuit de hersenen en de spieren die voor de spraak verantwoordelijk zijn. Maar het is geen ‘spierprobleem’, zie in het volgend hoofdje.

Het verborgen stotteren[bewerken]

Het verborgen stotteren kan gezien worden als het gedeelte van de ijsberg dat onder water ligt. Dit gedeelte omvat de gedachten en gevoelens omtrent het stotteren. Deze zijn doorgaans niet zichtbaar voor de omgeving, maar spelen wel een grote rol. Negatieve gedachten als ‘anderen vinden mij stom wanneer ik stotter’ kunnen gevoelens van angst, onzekerheid en minderwaardigheid geven. Een PDS gaat deze negatieve gevoelens en gedachten vaak uit de weg door te trachten op allerlei manieren zo min mogelijk te stotteren, dit noemt men vermijdings- of vluchtgedrag en soms ontstaat bv vechtgedrag (blokkades). Zo kan een PDS spreeksituaties vermijden en woorden vervangen waarop hij/zij denkt te gaan stotteren. Op den duur ontwikkelt een PDS een heel repertoire aan ‘trucjes’ om het stotteren te omzeilen. Dit vormt naast het hoorbaar stotteren een probleem op zich. De negatieve gedachten en gevoelens kunnen voor veel spanning zorgen, dit kan vervolgens het hoorbaar stotteren veranderen van karakter en/of verergeren.

Therapie[bewerken]

Terwijl een belangrijk gedeelte van de kinderen die stotteren (KDS) spontaan herstelt, is inmiddels duidelijk geworden dat in die gevallen waar het stotteren meer dan een half jaar aanwezig blijft, vroege interventie de ontwikkeling van ernstige problematiek kan voorkomen.

Bij heel jonge kinderen zal een therapeut eerst het risico tot de ontwikkeling van stotteren inschatten. In veel gevallen zal geprobeerd worden om via de ouders de uitlokkende factoren tot een minimum te beperken. Wanneer een kind zelf al reageert op zijn stotteren zullen bij de therapie zowel ouders als het kind betrokken worden. Want de reactiegedrag van het kind kan de problematiek verhogen. Met kind en ouders samen kan hieraan gericht en direct aan gewerkt worden. Kinderen zijn volop in ontwikkeling, en daarom heeft een therapeut aandacht voor alle ontwikkelingsgebieden die invloed lijken te hebben op het stotterende spreken. Het gaat er nu om te zorgen dat het stotteren niet verandert in een stotterprobleem en door deze begeleiding wordt de kans op herstel groter. Kind, ouders, speelzaal en school zullen veelal bij de begeleiding betrokken worden.

Bij stottertherapieën voor (jong)volwassen PDS is een goede diagnose essentieel om de meest passende therapie te kiezen. Deze therapie dient integraal psychologische en meer technische aspecten te bevattenen. De technische aspecten zijn grotendeels in twee grote families in te delen: stuttering modification en fluency shaping. Bij stuttering modification wordt een PDS geleerd om ‘vloeiend’ te stotteren , terwijl bij fluency shaping gestreefd wordt naar een meer vloeiende spraak. Deze verschillende aspecten worden in moderne therapieën overigens geïntegreerd aangeboden, en er wordt altijd gewerkt aan het verborgen stotteren.

Mensen die stotteren[bewerken]

Beroemdheden[bewerken]


Fictieve figuren[bewerken]

Tips voor het spreken met een PDS[bewerken]

Er zijn mensen die het lastig vinden te luisteren naar iemand die stottert. Dat is jammer. Een PDS verschilt niet wezenlijk van iemand die niet stottert qua intelligentie, persoonlijkheid, ‘zenuwachtigheid’ of maatschappelijke positie. Over het algemeen geldt daarom dat het gedrag en de reacties van de luisteraar het best hetzelfde kunnen zijn als wanneer hij luistert en reageert op iemand die niet stottert. Met een paar extra punten van aandacht is de luisteraar geholpen: Maak als het kan een opmerking over het stotteren, wanneer stotteren een taboe is, is spontaan reageren daarop ook moeilijker. Volgt iemand therapie? Vraag hem er eens naar. Misschien heeft de PDS zelf adviezen voor de persoon die luistert. De PDS doet eigenlijk al enorm zijn best om niet te veel te stotteren, regelmatig op het krampachtige af. Hem adviezen geven als: doe maar rustig, haal eens adem, hem aanvullen, hem niet aankijken, hebben daarom weinig zin, iemand kan niet méér dan zijn best doen. Bedenk dat achter de uiterlijk waarneembare stottergedragingen (vgl. ijsberg, boven water) vaak onzichtbare gedachten en gevoelens schuilen (onder water). Als iemand niet hoorbaar stottert is het stotteren nog niet weg! Stotteren wisselt naar gelang het onderwerp van gesprek, kenmerken van de luisteraar, aantal personen en dergelijke. Het is een misvatting dat stotteren (doordat het bij de betrokkene niet altijd in dezelfde mate aanwezig is) makkelijk te verhelpen zou zijn. Het helpt de PDS wanneer de luisteraar zelf rustig de tijd neemt, hem aankijkt, aandacht heeft voor hetgeen er gezegd wordt en niet alleen luistert naar het stotterend spreken zelf. Het is normaal wanneer een luisteraar zelf wat lichamelijke spanning ervaart bij het luisteren naar een PDS. Dat hoort erbij, besteed er niet te veel aandacht aan. Luisteren naar stotteren went, deze bijkomende spanning gaat vanzelf voorbij. Veel therapieën zijn erop gericht de PDS (weer) in de sociale situaties aan de praat te krijgen. De PDS zal leren dat hij een PDS is en niet een ‘stotteraar’ zonder andere ‘kwaliteiten’. Behandel hem als zodanig. De boodschap in het contact is altijd belangrijker in het contact dan de ‘verpakking’.

Externe links[bewerken]