Strafproces tegen Saddam Hoessein

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Saddam Hoessein tijdens het tribunaal, in 2004.

Op 19 oktober 2005 begon in Irak het strafproces tegen Saddam Hoessein, de voormalige president van Irak die door de Verenigde Staten gevangen is genomen.

De gevangenname[bewerken]

Tijdens de Tweede Golfoorlog werd Saddam Hoessein op 13 december 2003 gearresteerd door Koerdische en Amerikaanse soldaten. Tot hij op 1 juli werd overgedragen aan de op 29 juni aangetreden Iraakse interim-regering, was hij krijgsgevangene van de Coalitie. Hem worden oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide ten laste gelegd.

Op 1 juli 2004 werd hij voorgeleid aan het gerechtshof. Hij erkende de rechtbank niet en weigerde de aanklacht, die zeven punten bevatte, te ondertekenen. "Dit is allemaal theater. De echte crimineel is Bush", aldus Saddam Hoessein. Toen de rechter hem vroeg zichzelf te identificeren antwoordde hij: "Ik ben Saddam Hoessein al-Majid, President van de Iraakse Republiek. Ik ben nog steeds de President van de Republiek en de bezetting kan dat niet ongedaan maken".

Vooraf was duidelijk dat, indien Saddam Hoessein schuldig zou zijn voor hetgeen hij tijdens eerste proces werd aangeklaagd, tot de doodstraf kon worden beslist.

De Irakoorlog
101st Airborne Division helos during Operation Iraqi Freedom.jpg

Voor de oorlog

Operatie Desert Storm
11 september 2001
Strijd tegen terrorisme
Oorlog in Afghanistan
Ontwapeningscrisis

Invasie

Coalition of the Willing
Stabilization Force Iraq

Na de oorlog

Coalition Provisional Authority
50 meest gezochte Irakezen
Abu Ghraibgevangenis
Strafproces tegen Saddam Hoessein
Opstanden in Irak sinds 2003

Overige

Plamegate
Jaren: '03 · '04
Afbeeldingen

Het proces[bewerken]

Op de eerste procesdag (19 oktober) werd de aanklacht in de eerste zaak voorgelezen. Deze zaak betreft de dood van 143 inwoners van de sjiitische stad Dujail die in 1982 werden geëxecuteerd. Dit was een represaille voor een mislukte aanslag op Saddam. Het centrum van Dujail werd tevens gebombardeerd. Jarenlang werden honderden inwoners van de stad gevangen gehouden in gevangenissen en kampen in de woestijn.

Tijdens het proces weigerde Saddam Hoessein zijn naam te noemen en zei: "Ik ben de President van Irak". Toen de rechter Rizgar Mohammed Amin, hem aansprak als voormalig president gaf Saddam er duidelijk blijk van het daar niet mee eens te zijn. Saddam Hoessein en zijn zeven mede-aangeklaagden pleitten dat zij onschuldig waren aan de ten laste gelegde feiten.

Het proces werd vervolgens opgeschort tot 28 november omdat er, volgens de rechter Rizgar Mohammed Amin, te weinig getuigen waren komen opdagen. De advocaten van Saddam Hoessein hadden om drie maanden uitstel gevraagd om zich beter te kunnen voorbereiden.

Op 20 oktober, de dag na de eerste procesdag werd de advocaat van een van Saddams medeverdachten, Awad Hamed al-Bandar, ontvoerd uit zijn kantoor. Een aantal uren later werd hij doodgeschoten teruggevonden. Op 8 november werd de advocaat van vicepresident Taha Yassin Ramadan en Abdullah Kazim Ruwayyid in Bagdad gedood door drie schutters. Ook de advocaat van een vierde medeverdachte raakte gewond. Deze laatste advocaat heeft hierop Irak verlaten.

Toen het proces op 28 november werd hervat, kwamen naast de twee ontbrekende advocaten, nog eens zes andere advocaten niet opdagen. Dit zorgde ervoor dat het proces na korte tijd alweer voor een week werd onderbroken om nieuwe verdedigers aan te wijzen voor de verdachten. Tijdens de procedure maakte Saddam zich erg kwaad, aangezien hij met gebonden handen de vier trappen op moest lopen omdat de lift in de rechtbank buiten gebruik was.

Ook werd op deze tweede procesdag het eerste bewijs getoond: televisiebeelden van vlak na de aanslag op Saddam. Hierop is te zien dat Saddam opdracht geeft om een aantal mensen "mee te nemen". Verder werd een video met de getuigenis van Waddah al-Sheikh de voormalige hoofd van de veiligheidsdienst van Saddam vertoond. Al-Sheikh werd vlak na de aanslag op het leven van Sadam naar Dujail gestuurd om daar op zoek te gaan naar de mogelijke daders. Hij vertelde dat het Barzan Ibrahim al-Tikriti was, de halfbroer van Saddam die ook terecht staat, die opdracht had gegeven om een groot aantal mensen op te pakken. Al-Sheikh overleed een aantal dagen nadat de video was opgenomen.[1]

Uitspraak[bewerken]

Op 5 november 2006 wordt Saddam Hoessein door de rechter Rauf Rashid Abd al-Rahman schuldig bevonden aan de massamoord op 148 mannen in het dorp Dujail. Dat vond plaats in 1982. De oud-president is veroordeeld tot dood door ophanging. Naast Saddam zijn ook zijn halfbroer, Barzan Ibrahim al-Tikriti, en de voormalig Iraaks opperrechter, Awad Hamed al-Bandar, veroordeeld tot de doodstraf.

Op 26 december van datzelfde jaar bevestigt het hooggerechtshof het vonnis en beslist dat Hoessein binnen een maand moet worden opgehangen.

Voltrekking vonnis[bewerken]

Op 29 december 2006 zegt de advocaat van Saddam dat alles erop wijst dat Saddam de dag erna, 30 december, zal worden opgehangen.[2] De Iraakse autoriteiten bestrijden dit, en zeggen dat hij pas over een maand opgehangen zal worden. Een dag later blijkt de advocaat het echter bij het rechte eind te hebben gehad.

Op zaterdagochtend 30 december 2006 is Saddam Hoessein in Baghdad door middel van ophanging terechtgesteld.

Noten[bewerken]

  1. (en) Mercurynews: Defendants dominate at Saddam's trial; case adjourned for a week, Nancy A. Youssef
  2. (en) Advocaat Saddam: morgen executie