Streektaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het begrip streektaal of regionale taal heeft meerdere betekenissen:

  1. een taalkundige: een of enkele taalvariëteiten die aan een bepaalde streek zijn gebonden en taalkundig onderling zeer veel overeenkomsten vertonen. Een streektaal in deze betekenis komt in grote lijnen overeen met een dialect.
  2. een politieke en bestuurlijk-juridische: een taalvariëteit die door een overheid als streektaal is aangeduid.

Streektaal als taalkundig begrip[bewerken]

De term streektaal wordt in de Europese context veelal gebruikt voor een geheel van variëteiten uit een bepaalde regio, die niet noodzakelijkerwijs een enige gestandaardiseerde vorm kennen en waarbinnen grote verschillen kunnen bestaan.

Streektaal als bestuurlijk-juridische term[bewerken]

Het begrip streektaal wordt door taalkundigen in een ruimere zin gebruikt dan door de Nederlandse en Belgische overheden. In het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden wordt aan variëteiten die als variant van een officiële standaardtaal worden beschouwd expliciet de naam streektaal onthouden; in dit geval wordt meestal van een "dialect" gesproken.

Situatie in Nederland[bewerken]

Dialecten in België en Nederland

In Nederland erkent de overheid drie streektalen - ook wel "minderheidstalen" genoemd, maar deze benaming is omstreden omdat het geen echte etnische minderheden betreft - : het Nedersaksisch, Limburgs en Fries. Criteria voor het onderscheid tussen die twee zijn niet expliciet. Wel hebben de Friezen krachtens het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden in Nederland de status van etnische minderheid. Aan de status van het Nedersaksisch en Limburgs kunnen geen speciale rechten worden ontleend, in tegenstelling tot de status van het Fries.

De erkenning van Fries, Nedersaksisch en Limburgs is het resultaat van sterke regionale lobby's. Aan het niet objectief te beoordelen criterium dat een streektaal geen dialect van een standaardtaal mag zijn wordt naar de maatstaven van de overheid voldaan, daar geen van de betreffende variëteiten in historisch opzicht een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van het Standaardnederlands, en er tal van grammaticale en lexicale verschillen tussen deze variëteiten enerzijds en het Nederlands anderzijds bestaan. De Nederlandse Taalunie is overigens van mening dat het Limburgs (dat in tegenstelling tot het Fries en Nedersaksisch een Nederfrankische grondslag heeft) als een Nederlands dialect dient te worden beschouwd.[1]

In Zeeland bestaat een lobby voor de erkenning van het Zeeuws als streektaal in Nederland, maar een verzoek daartoe is in 2005 door Minister van Binnenlandse Zaken Remkes afgewezen.[2]

Het Nedersaksisch[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Nedersaksisch voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Met de ratificatie van het handvest in 1996 heeft het Nedersaksisch in Nederland de status van streektaal gewonnen. Dit conglomeraat van verwante variëteiten dat zich naar het oosten tot in Polen uitstrekt kent geen standaard en hooguit enkele in kleine gebieden algemeen aanvaarde spellingsconventies. De in de taalkunde gebruikelijke benaming Nedersaksisch wordt daarbuiten slechts in kleine kring gebruikt, de sprekers identificeren zich doorgaans met de subvariëteit van de plaats of streek waarin zij wonen (zoals Gronings, Twents, Achterhoeks of Dithmarscher Platt). Een in het hele gebied gebruikelijke benaming is 'Plat' of 'Platt', dat doorgaans pejoratief wordt gebruikt, en zelden als serieuze aanduiding voor het geheel aan onder 'Nedersaksisch' begrepen variëteiten wordt aangewend. In verschillende streken in Nederland vindt men initiatieven die de emancipatie van de Nedersaksische variëteiten willen bevorderen.

Het Limburgs[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Limburgs voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1997 heeft de Nederlandse overheid onder het handvest de streektaalstatus toegekend aan het Limburgs. In tegenstelling tot 'Nedersaksisch', dat een begrip uit de historische taalkunde vormt, is het 'Limburgs' een politiek begrip, dat alle variëteiten die binnen de Nederlandse provincie Limburg worden gesproken, omvat. Hoewel ze allemaal tot de Frankische variëteiten worden gerekend, vormen de onder het Limburgs begrepen variëteiten geen onderlinge eenheid; Limburg wordt doorsneden door een aantal isoglossenbundels. De zuidelijke variëteiten hebben in wisselende mate de tweede Germaanse klankverschuiving doorgemaakt en horen in taalkundige zin bij het Hoogduits. Ze onderscheiden zich daarmee van de noordelijker variëteiten, die dicht bij de Brabantse dialecten staan, die mede aan de basis liggen van de hoofdzakelijk uit Frankische elementen bestaande Nederlandse standaardtaal. Het emancipatiestreven is door de politieke eenheid van Limburg eenvoudiger centraal te realiseren. Dat uit zich onder andere in het voornemen van de Staten van Limburg om in de gemeenten tweetalige plaatsnaamborden te plaatsen. Begin 21e eeuw werd op een vraag van een Fries Statenlid of er nu ook in de Provinciale Staten ook Limburgs zou gaan worden gebruikt lacherig ontkennend geantwoord. Ondanks de grote verscheidenheid binnen het Limburgs, is het de streektaalvereniging Veldeke toch gelukt een ondertussen redelijk breed aanvaarde spelling voor de Limburger variëteiten te ontwikkelen.

Externe link[bewerken]

  • taal.phileon.nl - Over de erkende streektalen en verschillende dialecten die in Nederland worden gesproken.
Bronnen, noten en/of referenties