Strijd om Noord-Borneo

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Strijd om Noord-Borneo
Onderdeel van Azië in de Tweede Wereldoorlog
Kaart van het strijdgebied.
Kaart van het strijdgebied.
Datum 10 juni - 15 augustus 1945
Locatie Borneo, Nederlands-Indië
Resultaat Geallieerde overwinning
Strijdende partijen
Vlag van Australië AUS
Vlag van Verenigde Staten USA
Vlag van Japan JPN
Commandanten
George Wootten
Selwyn Porter
Victor Windeyer
Baba Masao
Troepensterkte
Ongeveer 29.000–30.000 man Ongeveer 8.800 men man (geallieerde schatting)
Verliezen
114 gedood of overleden aan verwondingen
221 gewonden
Ten minste 1.234 gedood
130 krijgsgevangenen
Portaal  Portaalicoon   KNIL

De strijd om het noorden van Borneo was de veldslag die plaatsvond tijdens de Tweede Wereldoorlog tussen de geallieerde en de Japanse troepen. De strijd maakte deel uit van de Borneo-campagne tijdens de oorlog in het Pacifisch gebied en vond plaats tussen 10 juni en 15 augustus 1945 op Noord-Borneo (beter bekend als Sabah). De strijd bestond uit een serie amfibische landingen door Australische troepen op verschillende punten op het vasteland van de baai van Brunei en op eilanden rond de baai. In het begin was er weinig verzet van de Japanse troepen maar naarmate de tijd vorderde vonden verschillende hevige gevechten plaats en beide partijen leden behoorlijke verliezen. Uiteindelijk wist Australië controle over het gebied te verkrijgen hoewel de strategische voordelen, die het bezit van het gebied gaf, uiteindelijk werden verminderd door het plotselinge einde van de oorlog in augustus 1945.

Achtergrond[bewerken]

De strijd had de codenaam Operation Oboe six en was de tweede fase van de geallieerde operatie om het eiland Borneo te veroveren. Al eerder was een militaire brigade-macht aan de wal gezet bij Tarakan. Een totaal van 29.000-30.000 man was voor deze operatie door de geallieerden aangewezen, waarbij het grootste gedeelte van de grondtroepen werd gevormd door manschappen van de Australische negende divisie infanterie, onder commando van generaal-majoor George Wootten en bestond uit de 20ste en 24ste brigade. De marineondersteuning werd gegeven door de United States Navy en de Koninklijke Australische marine en luchtsteun door de United States Army Air Forces, het United States Marine Corps en onderdelen van de Royal Australian Air Force. Twee onderdelen van de United States Army, het 727ste Amphibian Tractor Bataljon, dat de LVT's bemande, en de 593ste Engineer Boat and Shore Regiment's Boat Bataljon werden eveneens toegevoegd aan de Australische troepen.

Generaal Douglas MacArthur, commandant van de South West Pacific Area, had de krijgsverrichtingen ingedeeld in drie fases: een voorbereidend bombardement, daarop volgende landingen - het doel van de landingen was om de geallieerden de gelegenheid te bieden een vooruit geschoven vlootbasis op te zetten ter ondersteuning van de activiteiten van de marine - de olie- en rubbervoorraden in het gebied in het bezit te krijgen en herstel van de Engelse civiele administratie. Ondertussen had de Engelse geheime dienst geschat, dat er zich ongeveer 31.000 man aan Japanse troepen op Borneo bevonden. De belangrijkste Japanse eenheden in deze omgeving waren onder meer de 56ste Independent Mixed Brigade, bestaande uit zes bataljons (het 366ste - 371ste) en een ander onafhankelijk bataljon.

Strijd[bewerken]

De Australiërs voerden twee belangrijke landingen uit op Noord-Borneo. De eerste begon op 10 juni, toen troepen van twee bataljons van de 24ste brigade, de 2/28ste en het 2/48ste bataljon landden op het eiland Labuan met een eskadron Matildatanks van het 2/9de Armoured Regiment, terwijl twee bataljons van de 20ste brigade - het 2/15de en 2/17de bataljon - aan wal gingen op het eiland Muara en op het schiereiland ten noorden van Brooketon, ondersteund door een tweede eskadron Matilda´s van het 2/9de Armoured Regiment. Te midden van de zware lucht- en zeebombardementen werden de geallieerde troepen nauwelijks opgemerkt, omdat de Japanners zich hadden teruggetrokken van de stranden van het schiereiland en bovendien het eiland Muara helemaal verlaten hadden. De troepen die geland waren op het vasteland bij Brooketon trokken verder naar Brunei, dat op 13 juni veroverd werd. De twee 20ste brigade bataljons werden nu vergezeld door het 2/13de bataljon, dat op 20 juni een onopgemerkte landing had uitgevoerd bij Lutong en vervolgens verder was getrokken naar de westkust via Miri, Lutong en Seria met als uiteindelijk doel Kuching. Te Seria werden 37 verwoeste oliebronnen gevonden; deze waren met opzet door de Japanse verdedigers vernietigd. Geniesoldaten van de 2/3de Field Compagny werden opgeroepen de vuren te doven, wat omstreeks drie maanden duurde. Nadat dit gebied veilig was gesteld kon de 20ste brigade beginnen met patrouillewerkzaamheden; met behulp van landingsschepen werden snel de rivieren en stromen, die de kust vormden, afgezocht. Gedurende deze campagne vielen slechts weinig doden en gewonden (ongeveer 40).

Australische troepen met hun vlag te Borneo

Ondanks dat men op het zuidelijke vasteland goed vooruit was gekomen werd het gevecht bij Labuan steeds heviger, omdat de Japanners zich hadden teruggetrokken in een versterkte positie, bekend als "de Pocket", en een poging deden de Australiërs in die omgeving van oerwoud en moerassen op te houden. Ondanks veel ondersteuning van de artillerie werd een aanval van het 2/28ste bataljon op 14 juni afgeslagen en moesten er eerst aanvullende troepen komen om het Japanse verzet neer te slaan. In de daarop volgende vijf dagen vond er een grootscheeps lucht- en marinebombardement plaats om het Japanse verzet te verzwakken voor de nieuwe aanval op 21 juni.

Terwijl het 2/12 commando-eskadron de achteraf gelegen gebieden, die nog niet eerder doorzocht waren, zuiverden van Japans verzet, vielen twee compagnieën van het 2/28ste bataljon de Japanse versterkte positie aan. Gesteund door indirect vuur van de marine en vanuit de lucht en direct vuur van tanks en vlammenwerpers wisten de Australiërs de Japanners te overvallen en het resterend verzet in de omgeving van Labuan de kop in te drukken. De strijd bleek aan 180 Japanners het leven te hebben gekost, wat het totaal aan Japanse doden van alle gevechten te Labuan op een aantal van 389 bracht. De Australische troepen hadden 34 doden en 93 gewonden.

De tweede landing vond plaats op het vasteland van Weston, in het noordoostelijke deel van de Baai van Brunei, op 16 juni. Het 2/32ste bataljon, dat was achtergehouden als reserve, wist door te dringen tot Padas Bay. Nadat Weston was genomen werden patrouilles uitgezonden naar Beaufort, 23 kilometer in het binnenland. Door een gebrek aan wegen en de kwetsbare positie van de spoorlijn die naar de stad liep werd besloten langs de rivier de Klias op te rukken, terwijl een tweede colonne een andere rivier, de Padas, zou volgen. Als onderdeel van deze operaties vonden er een aantal kleinere landingen plaats te Mempakul op 19 juni en te Sabang op 23 juni door onderdelen van het 2/43ste bataljon en het 2/11de commando-eskadron. Kibidang werd nog dezelfde dag ingenomen door het 2/43ste bataljon terwijl het 2/32ste verder trok langs de Padas, waarna de twee bataljons zich weer verenigden. Versterkingen in de vorm van twee compagnieën van het 2/28ste bataljon werden naar Labuan gezonden en er werden plannen gemaakt om Beaufort aan te vallen.

Geallieerd materieel te Borneo

De geallieerden geloofden dat Beaufort was bezet door 800-1.000 man Japanse troepen en op 27 juni vielen Australische troepen de stad aan. Het 2/43ste bataljon was aangewezen om de belangrijkste aanval te verrichten, terwijl het 2/32ste bataljon bestemd was om de flank te verdedigen. Ondanks de grote moeilijkheden, onder meer met het terrein, wist het 2/32 bataljon de zuidoever van de rivier de Padas te veroveren terwijl een compagnie van het 2/53ste naar de stad werd gezonden en een ander deel op de flanken marcheerde en hinderlagen legde op de weg die de Japanners verondersteld werden op de vlucht te nemen. Het 2/28ste bataljon verzekerde de communicatielijnen ten noorden van de rivier. Het verzet van de Japanners werd niet of slecht gecoördineerd, waardoor de Australische troepen tegen zonsondergang klaar waren met hun voorbereidingen. Gedurende de nacht echter vielen de Japanners zes keer aan; deze aanvallen eindigden in man-tegen-mangevechten. Tijdens deze strijd werd een compagnie geïsoleerd van de rest; tegen de morgen werd een andere compagnie ter hulp gezonden en ook om de Japanners in de rug aan te vallen. Gedurende de gehele dag die daarop volgde vonden hevige gevechten plaats om de Japanse posities en pas tegen de avond bereikten de geallieerde troepen hun doel. Na de strijd bleek dat minstens 100 Japanners waren gesneuveld. Het was tijdens deze gevechten dat soldaat Leslie Starcevich de verrichtingen deed waarvoor hij later werd beloond met het Victoria Cross.

Vanaf 29 juni begonnen de Japanners in kleine groepjes weg te trekken van Beaufort. De geallieerde troepen hadden even rust terwijl ondertussen versterkingen arriveerden. Het 2/3de anti-tankregiment, dat meer als infanterie- dan als anti-tankeenheid was gebruikt, kwam op 3 juli te Weston aan, waar het het 2/28ste bataljon afloste, dat naar Beaufort trok. Op 6 juli werd de geallieerde opmars voortgezet. Om strategische redenen werd besloten langzaam verder te trekken en vooral indirect vuur te gebruiken om de verliezen binnen de perken te houden. Op 12 juli bezette het 2/32 bataljon Papar; vandaar werden patrouilles gezonden naar het noorden en langs de oevers van de rivier terwijl de offensieve operaties langzaam tot een einde kwamen.

Nasleep[bewerken]

Na de val van Papar staakten de Australische troepen de strijd om Borneo en veranderde de toestand weinig tot een staakt-het-vuren tegen midden augustus werd afgekondigd. Vroeg in de maand augustus van het jaar 1945 werden twee atoombommen op Hiroshima en Nagasaki geworpen. Op 15 augustus beval keizer Hirohito de Japanse troepen de vijandelijkheden te beëindigen. De formele overgave werd op 2 september 1945 getekend. Het resultaat van het staakt-het-vuren was dat de geplande inval van Japan niet meer nodig was waardoor de voordelen van het bezit van Borneo ook verdwenen. Tot op zekere hoogte was dit de oorzaak ervan dat bepaalde stromingen in Australië vonden dat de Aboe-operaties - evenals die in Aitape–Wewak, Bougainville en New Britain - onnodig waren geweest en hadden geleid tot onnodige verliezen. Tijdens de gevechten op Borneo verloren de Australiërs 114 man aan doden (direct gedood of later overleden aan verkregen wonden) en 221 gewonden. De Japanners verloren minstens 1.234 man, terwijl 130 man krijgsgevangen werd gemaakt. Daarnaast is berekend dat ongeveer 1.800 Japanners zijn gedood tijdens guerrilla-operaties die werden geïnitieerd door het clandestiene Services Reconnaissance Department.

Nadat de gevechten waren beëindigd begonnen de Australiërs aan de taak om een Brits civiel gouvernement in te stellen, de infrastructuur te herstellen en het bestaan van de voor het oorlogsgeweld gevluchte burgers weer op orde te brengen. Na het staakt-het-vuren waren er nog steeds veel Japanse troepen op Noord-Borneo. In oktober 1945 waren er - naar geschat - nog omstreeks 21.000 Japanse soldaten en burgers in Noord-Borneo aanwezig. De 9de divisie werd aangesteld om deze groep adequaat aan te pakken. Zij moest ook de geallieerde burgers en krijgsgevangenen, vastgehouden in het Batu Lintang kamp (Kuching, Sarawak), bevrijden.

Terwijl de burgerlijke administratie zich slechts langzaam herstelde begon in oktober 1945 de demobilisatie van de Australische troepen. Dit proces was langzaam omdat er geen geallieerde troepen beschikbaar waren om de Australische manschappen te Borneo af te lossen. Alleen personeel dat al erg lang diende kreeg toestemming terug te keren naar Australië. De 9de divisie bleef op Noord-Borneo waar het garnizoensdiensten verrichtte tot januari 1946, toen het werd afgelost door de 32ste Indian Infantry Brigade. Voor de meerderheid van het personeel van de 9de divisie volgde een terugkeer naar het burgerlijke bestaan, echter een deel van de British Commonwealth Occupation Force (onderdeel van het aandeel van Australië tot de bezettingsmacht van Japan), een aantal manschappen van de 9de divisie, werd overgeplaatst bij het 67ste bataljon, dat gevormd werd als onderdeel van de 34ste brigade. De verstandhouding tussen de 9de divisie en de burgerlijke bevolking van Noord-Borneo was dusdanig goed dat de Unit Colour Patch na de oorlog werd geplaatst op het wapen van de Britse kolonie Borneo. Dit bleef zo tot 1963, toen de regio werd opgenomen in het Maleisische rijk van Sabah.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) vertaald vanaf de Engelstalige Wikipedia, die onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
  • Coulthard-Clark, Chris, Where Australians Fought: The Encyclopaedia of Australia's Battles, Allen & Unwin, St Leonards, 1998 ISBN 1864486112.
  • Grey, Jeffrey, A Military History of Australia, 3rd, Cambridge University Press, Melbourne, 2008 ISBN 9780521697910.
  • Johnston, Mark, That Magnificent 9th: An Illustrated History of the 9th Australian Division 1940–46, Allen & Unwin, Sydney, 2002 ISBN 1865086541.
  • Keogh, Eustace, The South West Pacific 1941–45, Grayflower Productions Pty Ltd, Melbourne, 1965
  • Long, Gavin, The Final Campaigns, Australian War Memorial, Canberra, 1963
  • Odgers, George, Army Australia: An Illustrated History, Child & Associates, Frenchs Forest, 1988 ISBN 0867770619.