Strijkkwartetten (Beethoven)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beethoven rond 1804 (Waldmueller)

Dit artikel Strijkkwartetten (van Beethoven) geeft achtergrondinformatie voor zover die niet goed bij de afzonderlijke strijkkwartetten kan worden behandeld. In het oeuvre van Ludwig van Beethoven is het strijkkwartet (met de symfonie en de pianosonate) hét genre waarvoor hij op een voor de verschillende fasen van zijn ontwikkeling kenmerkende wijze heeft bijgedragen. Op deze pagina wordt ook op de onderscheidende karakteristieken in gegaan.

Vroege periode (1798-1800)[bewerken]

Dit betreft de tussen 1798 en 1800 geschreven cyclus van de 6 strijkkwartetten opus 18.

Beethoven had een routine van dagelijks in een schetsboek te werken. Van midden 98 tot eind 99 loopt dit schetsboek De kwartetten 4 in c en 6 in Bes komen er niet in voor. Hij componeerde in de volgorde:

  1. nr. 3 in D
  2. nr. 1 in F
  3. nr. 2 in G
  4. nr. 5 in A.

Voor nr. 4 in c en nr. 6 in Bes is de volgorde niet bekend.

Ontstaan en invloeden[bewerken]

Al in 1795 was Beethoven om kwartetten gevraagd door Graaf Apponyi (die ook de opdrachtgever is van de kwartetten opus 71 en 74 van Haydn). Aponyi deed een aantrekkelijk aanbod: hij zag af van het gebruikelijke exclusieve bezit gedurende bv. een half jaar voor de publicatie. Beethoven zette zich twee keer aan de opdracht. De eerste keer leverde dat het Strijktrio opus 3 en de 2e keer een strijkkwintet opus 4. Ook schreef Beethoven (met Albrechtsberger als leraar) contrapunt voor strijktrio en -kwartet, maar kennelijk zag Beethoven dat als noodzakelijke oefening. Niets werd gepubliceerd. Uiteindelijk zou Beethoven pas eind 1798 met zijn opus 18 beginnen en was Lobkowitz zijn mecenas, die hem vorstelijk zou belonen: 600 florijnen per jaar.

Er wordt wel op gewezen dat Beethoven goed bevriend was met Emanuel Aloïs Förster, die veel strijkkwartetten heeft geschreven. De kwaliteit daarvan ligt echter duidelijk beneden het peil van zelfs de zeer jonge Beethoven. De nummers 2 (Haydn) en 5 (Mozart), en ook 4 (Mannheimer) lijken zich te spiegelen aan klassieke voorbeelden.

Het tweede drietal (nr. 5, 4 en 6) van dit opus staat apart van het eerste, daar het aanvankelijk afzonderlijk is uitgegeven en deze drie nauwelijks in het schetsboek voorkomen. Ook is dit drietal minder dicht van structuur. Beethoven lijkt te streven naar een lichtere toets. Het in de tijd eerste van dit drietal (nr. 5) is zelfs gemodelleerd op een kwartet van Mozart (KV 474).

Ambitie[bewerken]

Men moet aannemen dat Beethoven bewust probeerde om op het niveau en tot de veelzijdigheid van Mozart en Haydn te komen. Na de oefeningen van Albrechtsberger was het kwartet een belangrijke stap. In deze vroege periode liggen in die zin de wortels voor de hoogtepunten in alle genres (zoals 9e symfonie, Missa Solemnis, Große Fuge en Hammerklaviersonate).

De imposante voorbeelden van Mozart en Haydn zullen even beklemmend als inspirerend hebben gewerkt. De technische problemen bij een kwartet liggen kritischer dan bij bv. het strijktrio (vaak verkapt duet met bv. de viola als vulstem met akkoorden); het contrapunt ligt kritischer bij een kwartet. Verder is het moeilijker om voldoende helderheid en contrast aan te brengen bij vier verwante instrumenten met beperkte omvang qua volume. Bij vergelijking van Beethoven met Haydn is er een opmerkelijk verschil in de wijze van evolueren merkbaar. Haydn begon opus 20 ooit met veel fuga's. Daaruit ontwikkelde zich een steeds lichtere stijl bij Haydn. Bij Beethoven ontstond in de loop van de tijd juist steeds meer interesse in deze "scholastische" vormen als fuga, dubbelfuga, contrapunt, inversies enz. In de late periode had Beethoven bijna een obsessieve preoccupatie met zaken als contrapunt en dubbelfuga's.

Pianosonates gingen Beethoven makkelijker af: hij was pianist (en groot improvisator). Hij ging daar speelser met de vorm om. Pas bij de laatste kwartetten zou het wat meer quasi geïmproviseerd, voor de vuist weg klinken. Hier speelt ook een rol dat het strijkkwartet qua vorm van nature groter is: het maakt verschil of men als solist dan wel in een ensemble van 4 musici speelt. Het alleen daardoor al stijvere en formelere bij de kwartetten lijkt (althans volgens Kerman) intriguerend voor Beethoven: hij gaat in dat genre op zoek naar de mogelijkheden om imponerende muzikale structuren op te bouwen. Een voorlopig hoogtepunt wat dit betreft zouden de Rasumovskykwartetten vormen, die monumentaal zijn tot op een punt wat bij andere componisten als grotesk zou werken. Dat is geen technische onhandigheid qua techniek maar de opvatting van Beethoven over kamermuziek.

Ontwrichting en waardering[bewerken]

De kwartetten opus 18 zijn wisselend beoordeeld. Beethoven schreef opus 18 tussen zijn 28e en 30e. Mozart en Schubert schreven op jongere leeftijd al meesterwerken, bv. KV 387 en Kwartet in a. Maar dit zestal van opus 18 betreft geen onomstreden meesterwerken. Het hele opus heeft iets zoekends, misschien zelfs iets gewilds; stijl en idee schuren vaak. Het eerst gecomponeerde kwartet (opus 18/3) is het meest consistent. Maar het is ook het minst gedurfd: Beethoven blijft hier strikt binnen de paden van het klassieke. In opus 18/1 en 18/2 breidt Beethoven zijn greep op de vorm uit in twee contrasterende kwartetten (sterk generaliserend: heftig emotioneel versus luchtige humor). Maar daarna zet de ontwrichting (althans volgens Kernam) in. Beethoven begint te experimenteren met de vorm van de delen, het terugvallen op ouder materiaal, het middelmatig worden van het contrapunt en de afwerking. Het lijkt of Beethoven zijn belangstelling wat verloor. De ambitie om in dit genre waar hij geen ervaring in had, meteen 6 (baanbrekend bedoelde?) werken te schrijven was wellicht toch te hoog gegrepen (Kerham). Anderen (Beaujean) vinden het vooral muziek die binnen het raam van de toenmalige maatschappelijk geaccepteerde vormen van kamermuziek blijft, alhoewel de beginnende zoektocht zich al begint af te tekenen.

Overigens konden de tijdgenoten van Beethoven deze kwartetten verder wel degelijk waarderen. Verder is het een kwestie welke criticus men neemt en vanuit welke tijdgeest deze spreekt. Bekend is dat Haydn weinig waardering voor deze kwartetten had. Het gaat hier immers niet om fraai gepolijste klassieke medaillons. Hadow (19e eeuw) meende dat Beethoven later diepere kwesties zou aanboren, maar nooit de klassieke vorm meer zo zou beheersen (een mening, die Kershaw af doet als niet op feiten gebaseerd conformeren aan een Victoriaanse wenselijkheid). Vincent d'Indy noemde deze kwartetten niet eens bij wat een encyclopedisch overzicht van de kamermuziek pretendeerde te zijn.

Het is moeilijk om dit opus onbevangen te waarderen, omdat we beseffen, dat hier nog niet sprake is van de artistieke rijping zoals bij de Razumovskykwartetten. Maar veel liefhebbers zullen wellicht dit opus juist waarderen omdat het wat luchtiger opener en nog makkelijk herkenbaar binnen de klassieke stijl gecomponeerd is, dan de late Beethoven.

Mecenaat[bewerken]

Beethoven is al vanaf vroeg in zijn carrière succesvol in het verwerven van steun door rijke muziek minnende edellieden. Zo kreeg hij vanaf zijn vertrek uit Bonn naar Wenen steun van Graaf Waldstein. Van de strijkkwartetten is een belangrijk deel in opdracht geschreven. Dat geldt voor de 6 kwartetten van het opus 18 (opgedragen aan Prins Lobkovitz), de drie kwartetten van het opus 59 (opgedragen aan Graaf Rasumovsky), en drie van de vijf laatste kwartetten (opgedragen aan Prins Galitzin). Rasumovsky onderhield van 1809 tot 1816 een kwartet, waarvan Schuppanzigh de eerste violist was. Dit kwartet had het uitvoeren van Beethovens kwartetten als specialiteit.

Middenperiode[bewerken]

Beethoven in 1809 (Schnorr von Carolsfeld)

Dit betreft de 3 Rasumovskykwartetten opus 59, 74 en 95 (geschreven tussen 1896 en 1810).

Late periode (1822- 1826)[bewerken]

Karikatuur van Beethoven door J.P. Lyser

Dit betreft de 5 laatste kwartetten, die geschreven werden tussen 1822 en 1826.