Subramanyan Chandrasekhar

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nobelprijswinnaar  Subramanyan Chandrasekhar
19 oktober 191021 augustus 1995
Afbeelding gewenst
Geboorteland India
Geboorteplaats Lahore
Plaats van overlijden Chicago
Nobelprijs Natuurkunde
Jaar 1983
Reden "Voor zijn theoretische onderzoek van de fysische processen die van belang zijn voor de structuur en evolutie van de sterren."
Gedeeld met William Fowler
Voorganger(s) Kenneth Wilson
Opvolger(s) Carlo Rubbia
Simon van der Meer
Portaal  Portaalicoon   Natuurkunde

Subramanyan Chandrasekhar kortweg Chandra (Lahore, 19 oktober 1910Chicago, 21 augustus 1995) was een van oorsprong Indiaas Amerikaans theoretisch natuurkundige en Nobelprijswinnaar.

Voor zijn werk op het gebied van witte dwergen kreeg Chandra in 1983 de Nobelprijs voor de Natuurkunde. Hij droeg verder bij aan het begrip van de stabiliteit van grote kosmische structuren, zoals spiraalvormige sterrenstelsels en aan de wiskundige theorie van zwarte gaten. Hij was niet de eerste in de familie die een Nobelprijs kreeg. Zijn oom, Sir Chandrasekhara Venkata Raman kreeg in 1930 de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor de ontdekking van het Raman-effect.

Biografie[bewerken]

Chandra werd geboren in Lahore (destijds Brits-Indië, nu Pakistan) als oudste zoon en derde kind in het vier zonen en zes dochters grote gezin van Chandrasekhara Subrahmanya Ayyar en Sita Balakrishman. Zijn vader was officier in regeringsdienst bij de Indian Audits and Accounts Department. Tot zijn twaalfde jaar werd hij thuis onderwezen door zijn ouders en een privéleraar. In 1918 werd zijn vader overgeplaatst naar Madras waar ook het gezin kwam te wonen.

Studie in Madras[bewerken]

Na een periode van privaatonderwijs bezocht Chandra vanaf 1921 de Hindu High School in Triplicane, Madras en kon reeds in 1925 op 15-jarige leeftijd zijn wetenschappelijke studies aanvatten aan het Presidency College in Madras. Hoofdvakken waren wiskunde, natuurkunde en scheikunde. De hele periode werd echter gekenmerkt door een ver doorgedreven zelfstudie vooral om zich beter te bekwamen in de vakken wiskunde en natuurkunde. In 1927 maakte hij de definitieve keuze om natuurkunde te studeren voor zijn bachelordiploma.

In 1928 ontmoette Chandra, de fysicus Arnold Sommerfeld tijdens één van zijn lezingen in het Presidency College en wiens boek Atomic Structure and Spectral Lines hij reeds bestudeerd had. Mede hierdoor raakte hij erg geboeid door de kwantumtheorie van het atoom en de nieuwe kwantumstatistiek. Dit alles resulteerde in het schrijven van een eerste artikel in januari 1929 met de titel The Compton Scattering and the New Statistics, waarvan de publicatie met de medewerking van de Britse astrofysicus Ralph Fowler op eind van hetzelfde jaar verscheen in de Proceedings of the Royal Society.[1] Dit was een hele prestatie voor een 19-jarige student en het was geen verrassing dat hij in India na het behalen van zijn bachelorgraad een studiebeurs kreeg om in Trinity College (Cambridge) te gaan studeren en werken. In Trinity werkten en onderwezen toen de bekende astronomen en fysici, Arthur Eddington, Ralph Fowler, Paul Dirac en Edward Arthur Milne.

Cambridge en Chicago[bewerken]

Het was in 1930 tijdens zijn bootreis van India naar Engeland dat Chandra het idee had om de relativiteitstheorie met de nieuwe kwantummechanica te combineren en toe te passen op het sterrenmodel voor witte dwergen dat Fowler ontwikkeld had en dat tot het verrassende resultaat van de kritische massalimiet leidde.

In 1932 kreeg Chandra de gelegenheid om zijn studie tijdelijk voort te zetten aan een buitenlandse universiteit of instituut. Hij koos zelf voor het Niels Bohr-instituut te Kopenhagen, omdat hij wist dat hij daar vele bekende natuurkundigen van die tijd zou kunnen ontmoeten. Hij keerde terug naar Cambridge in mei 1933 om zijn doctorale thesis af te werken. Van 1993 tot 1937 bleef hij verbonden aan het Trinity College. Hij trouwde in 1936 met de Indiase Lalitha Doraiswamy, zelf ook een natuurkundige.

In 1937 kreeg Chandra van Otto Struve, directeur van Yerkes-sterrenwacht in Williams Bay Wisconsin het aanbod om als geassocieerd hoogleraar bij hem onderzoek te komen doen. In deze sterrenwacht bevindt zich de grootste refractor telescoop en de astronomen Gerard Kuiper en Bengt Strömgren waren er de bekendste medewerkers. Hij kreeg tevens een lesopdracht aan de Universiteit van Chicago, waar hij de rest van wetenschappelijk loopbaan aan verbonden bleef.

Vanaf 1957 en tot in 1971 was Chandra de leidinggevende uitgever van het tijdschrift The Astrophysical Journal en nam hij alle werkzaamheden op zich die nodig waren om het tijdschrift een hoog wetenschappelijk gehalte te geven. In 1970 telde het tijdschrift 24 uitgaven met in totaal 12.000 pagina's.

Op 13 oktober 1953 verkreeg hij het Amerikaans staatsburgerschap en in 1984 kreeg hij de Copley Medal. Hij overleed in 1995 te Chicago, Illinois. De Chandra X-Ray Observatory is naar hem vernoemd.

Wetenschappelijke loopbaan[bewerken]

Reeds op twintigjarige leeftijd bestudeerde hij de levenscyclus en de interne structuur van sterren en ontdekte hij dat er een limiet was aan de massa die een uitdovende ster mocht bezitten alvorens deze zich verder kon ontwikkelen tot een witte dwerg. Voorbeelden van witte dwergen zijn Sirius B en O2 Eridani B. Indien de massa groter was dan ongeveer 1,4 maal die van de zon (M) dan zou de eindfase van de ster er heel anders moeten uitzien.

Zijn ontdekking werd met scepsis ontvangen, maar latere berekeningen wezen uit dat deze limiet, nu algemeen bekend als de Chandrasekhar-limiet, kon uitgedrukt worden in termen van de fundamentele atoomconstanten en het gemiddelde moleculaire gewicht van de materie waaruit de ster bestaat. Tegenwoordig weten we dat sterren met eindmassa's groter dan 1,4 maal de zonnemassa eindigen als neutronensterren of als zwarte gaten.

Wetenschappelijk werk (1929 tot 1983)[bewerken]

Tijdens heel zijn loopbaan heeft Chandra blijk gegeven van een uitzonderlijke en niet verslappende wetenschappelijke activiteit en creativiteit. Men kan zeven periodes onderscheiden, die telkens begonnen met de publicatie van een aantal artikelen, brieven en monografieën en die steeds afgesloten werden met de publicatie van een boek dat nadien als een standaardwerk in het specifiek gebied werd beschouwd of kan worden beschouwd. De enormiteit van deze activiteit wordt duidelijk alleen al door het opsommen van de behandelde onderwerpen:

  1. Stellaire structuur met inbegrip van de theorie van Witte Dwergen (1929-1939).
  2. Stellaire dynamica met inbegrip van de theorie van de Brownse beweging (1938-1943)
  3. De theorie van de stralingsoverdracht, De theorie van de verlichting en polarisatie van de door het zonlicht beschenen hemel, de theorieën van de planetaire en stellaire atmosferen en de kwantumtheorie van het negatieve waterstofion (1943-1950).
  4. Hydrodynamische en hydromagnetische stabiliteit (1952-1961).
  5. Het evenwicht en de stabiliteit van ellipsoïdale evenwichtsfiguren (1961-1968).
  6. De algemene relativiteitstheorie en relativistische astrofysica (1962-1971).
  7. De mathematische theorie van zwarte gaten (1974-1983).

Erkenning voor zijn wetenschappelijk werk[bewerken]

Gedurende zijn leven mocht Chandra diverse prijzen en onderscheidingen in ontvangst nemen, waaronder:

  1. 1944 Fellow of the Royal Society of London
  2. 1947 Adams Prize (Cambridge University)
  3. 1952 Bruce Medal (Astronomical Society of the Pacific)
  4. 1953 Gold Medal (Royal Astronomical Society)
  5. 1955 Member of the National Academy of Sciences
  6. 1957 Rumford Medal (American Academy of Arts and Sciences)
  7. 1962 Royal Medal (Royal Society of London)
  8. 1962 Srinivasa Aaiyangar Ramanujan Medal (Indian National Science Academy)
  9. 1966 National Medal of Science (United States)
  10. 1968 Padma Vibhushan Medal (India)
  11. 1971 Henry Draper Medal (National Academy of Sciences)
  12. 1973 Marian Smoluchowski Medal (Polish Physical Society)
  13. 1974 Dannie Heineman Prize (American Physical Society)
  14. 1983 Nobel Prize for Physics (Royal Swedish Academy)
  15. 1984 Dr. Tomalia Prize (ETH, Zürich)
  16. 1984 Copley Medal (Royal Society of London)
  17. 1984 R.D. Birla Memorial Award (Indian Physics Association)
  18. 1985 Vainu Bappu Memorial Award (Indian National Science Academy)

Door S. Chandrasekhar gepubliceerde boeken[bewerken]

  • An Introduction to the Study of Stellar Structure, Chicago, University of Chicago Press, 1939 - Herdruk Dover Publications, 1967
  • Principles of Stellar Dynamics, Chicago, Chicago, University of Chicago Press, 1943 - Herdruk Dover Publications, 1960
  • Radiative Transfer, Oxford, Clarendon Presss, 1950 - Herdruk Dover Publications, 1960
  • Hydrodynamic and Hydromagnetic Stability, Oxford, Clarendon Presss, 1950 - Herdruk Dover Publications, 1981
  • Ellipsoidal Figures of Equilibrium, New Haven, Yale University Press 1968 - Herdruk Dover Publications, 1987
  • The Mathematical Theory of Black Holes, Oxford, Clarendon Press, 1983
  • Eddington: The Most Distinguished Astrophysicist of His Time,Cambridge, Cambridge University Press, 1983
  • Truth and Beauty: Aesthetics and Motivations in Science, Chicago, University of Chicago Press, 1987
  • Selected Papers, 6 volumes, Chicago, University of Chicago Press, 1989-90
  • Newton's Principia for the Common Reader Oxford: Clarendon Press. 1995 - ISBN 0198517440

Externe link[bewerken]

Chandra en het X-ray Obervatory(en)

Bronnen, noten en/of referenties
  • CHANDRA, A Biography of S. Chandrasekhar, Kameshwar C. Wali, The University of Chicago Press, 1991, ISBN 0-226-87054-5
  • Chandrasekhar and his Limit, Vignettes in Physics, G. Venkataraman, Universities Press (India) Ltd, 1992, Herdruk 1993, ISBN 0-86311 314 1
  1. S. Chandrasekhar (1929). The Compton Scattering and the New Statistics. Proceedings of the Royal Society 125 (796): 231-237 . DOI:10.1098/rspa.1929.0163.