Sudeten-Duitsers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
het >90% taalgebied van de Duitssprekenden in Tsjechië voor 1945

De Sudeten-Duitsers zijn de ruim drie miljoen Duitstaligen die tot 1945 in Sudetenland, de grensstreken van het toenmalige Tsjecho-Slowakije, woonden, en hun afstammelingen die nu in Duitsland en Oostenrijk wonen, waarheen zij tussen 1945 en 1948 werden verdreven.

Naamgeving[bewerken]

De naam Sudetenduitsers is betrekkelijk nieuw en pas aan het eind van de 19de eeuw in zwang gekomen. Ze is afgeleid van het Sudetengebergte dat vanouds Bohemen en Moravië (nu Tsjechië) scheidde van Saksen en Silezië in het noorden en Beieren in het westen. De oudere naam is Duitse Bohemers ('Deutschböhmen' ).

Geschiedenis[bewerken]

Vanaf de vroege zesde eeuw vestigden zich op het gehele grondgebied van het huidige Tsjechië West-Slavische stammen. Zij namen de door Germanen (Silingen en Markomannen) tijdens de Volksverhuizingen verlaten gebieden in. Vroeger werd aangenomen dat zulke veroveringen een totale bevolkingswisseling ten gevolge hebben gehad. Modern onderzoek wijst uit dat als regel een, vaak groot, bevolkingssubstraat achterbleef en in een ondergeschikte positie werd opgenomen door de nieuwe veroveraars die de nieuwe elite over de onderworpen (boeren)bevolking vormden.

Nadat zich een dominerend koningschap had ontwikkeld boven de vele Slavische stamvorsten, zochten de Boheemse koningen een plaats onder de keizer van het Heilige Roomse (Duitse) Rijk. Hun huwelijken verbonden hen in later eeuwen met Duitse adelsgeslachten totdat het geslacht van de Luxemburgers en nog later dat van de Habsburgers het Boheemse koningsschap overnam. Deze relaties met het westen brachten Duitse en ook Franse kooplieden en kloostergemeenschappen naar het vroege Boheemse koninkrijk en in de randgebieden werden kolonisten aangetrokken om bossen te rooien en in cultuur te brengen. Sinds de 12e eeuw en de 13e eeuw zouden grote aaneengesloten delen van Bohemen en Moravië door Duitstaligen bewoond raken: door Saksen in het noorden en door Beieren in het westen en zuiden, terwijl in de centrale gedeelten van deze landen zogenaamde Duitse taaleilanden - clusters van dorpen - rondom de steden ontstonden. Pas laat, in 1315, kwam de streek rond de stad Eger, een Rijksstad met keizerpalts, en de stad Asch () en het omringende Boheemse Vogtland bij als onderpand van een lening die nooit werd afbetaald bij Bohemen. Dit gebied behoorde al sinds de 9e eeuw tot Oost-Francië en daarmee tot het Heilige Roomse Rijk.

Saksische, Beierse en Frankische kolonisten na de 12e eeuw kwamen naar Bohemen en Moravië op uitnodiging van het toenmalige Tsjechische koningshuis der Přemysliden, en in verband met hun vakmanschap in de handel, mijnbouw, landbouw, techniek en handwerk. Vooral de mijnbouw en de ontginning van onbevolkte bos- en moerasgebieden voor de landbouw verhoogden de vorstelijke belastinginkomsten. Zie Oostkolonisatie. In de 14e eeuw was het Duitstalige element zo dominant geworden dat een gewelddadige Tsjechische reactie plaatsvond die naar de zeden der tijd ook een religieuze vorm zocht.

Dat was het Hussitisme, een ketterse geloofsrichting die zich tegen Rome keerde, en aan het begin van de 15de eeuw een revolutionaire omwenteling veroorzaakte waarin het Duitstalige patriciaat uit de meeste steden in centraal Bohemen werd verjaagd en alleen in de ontginningsgebieden aan de grenzen van het land nog een Duitstalig element bleef voortbestaan. Langzaamaan zou echter het Duitse element weer gaan toenemen, vooral toen de Habsburgse vorsten invloed kregen en na twee eeuwen hun kans grepen in een religieuze reactie. In de Slag op de Witte Berg in 1621 werd de Hussitische en lutherse lagere adel uitgeschakeld en daarna koos de hogere adel de zijde van de Contrareformatie onder de leiding van de Habsburgers. Bohemen en Moravië kwamen onder de Habsburgse kroon en werden deel van een groter Oostenrijks staatsverband. Het Rooms-katholicisme gold nu als staatsgodsdienst, het Hussitisme en ook het Lutheranisme werd verboden en zijn 'verstokte' aanhangers onteigend en het land uitgewezen. Hiermee kreeg het katholiek-Duitstalige element opnieuw een dominante positie. In de deels ontvolkte noordelijke en westelijke grensgebieden vestigden zich katholieke Duitstaligen, vooral uit Beieren, aan wie de daar achtergebleven Tsjechen zich na enkele generaties in taal en cultuur aanpasten. Ook in de steden germaniseerde de burgerij zich onder invloed van de dominante Habsburgse cultuur. Ook in Praag werd de Duitse taal dominant. Aan het begin van de 20e eeuw, toen Bohemen en Moravië nog steeds tot Oostenrijk-Hongarije behoorden, bedroeg het aandeel van de Duitstaligen in de zwart aangegeven gebieden (zie bijgaande kaart) ruim 90 %, in de rest van het land, op de kaart het witte gebied, maakten zij ongeveer een tiende van de bevolking uit. In de tweede helft van de 19de eeuw verdween het Duitse element uit de centraal gelegen steden, ook omdat de tweetalige burgerij daar, onder invloed van het Tsjechische nationalisme en het verwerven van steeds meer taalrechten in bestuur en onderwijs, terugkeerde naar haar Tsjechische oorsprong.

Het Habsburgse Rijk - Oostenrijk-Hongarije - was een 'veelvolkeren'staat. Na de Eerste Wereldoorlog werd Oostenrijk-Hongarije min of meer naar etnische lijnen opgesplitst in nationale staten. Bohemen en Moravië zouden een nationale Tsjechische staat worden maar de Duitstaligen in deze gebieden weigerden daarin mee te gaan en riepen met de bevolking van het eigenlijke Oostenrijk de republiek Deutschösterreich uit, die ook Sudetenland omvatte. Om dat te voorkomen, bezetten de Tsjechische nationale troepen van de Tsjecho-Slowaakse republiek in oprichting in de herfst van 1918 het latere Sudetenland - meer bepaald de Duitstalige (grens)gebieden van Bohemen, Moravië en Oostenrijks Silezië. Met het Verdrag van Saint-Germain werd Sudetenland, tegen de wens van de Sudeten-Duitsers in, opgenomen in de nieuwe staat Tsjecho-Slowakije. Dit zorgde gedurende het interbellum voor veel spanningen in de nieuwe, door de Tsjechen gedomineerde, nationale staat Tsjecho-Slowakije.

De meeste Sudeten-Duitsers waren dus afstammelingen van Duitstaligen uit Saksen, Thüringen, Frankenland, Beieren en Oostenrijk, die zich hier sinds de 12e en 13e eeuw en ook in de 18de eeuw vestigden. Deels in de berggebieden waar zij vrijwel onbewoonde streken in cultuur brachten. In de 17e en 18de eeuw werden ze aangevuld met nieuwe immigranten, nu vooral uit Beieren en Oostenrijk, die zich in gedeeltelijk ontvolkte gebieden vestigden en de daar nog verblijvende Tsjechen in zich opnamen. Deze werden aldus gegermaniseerd (zie: germanisering). Zij hadden de Tsjechische bevolking ter plaatse in zich opgenomen en waarschijnlijk was - gemiddeld genomen - een vijfde deel van de Sudeten-Duitsers van Tsjechische afkomst. Een derde groep vormden de stedelingen in het Tsjechische binnenland die voor een deel uit Duitstalige gebieden kwamen maar voor een ander deel uit Tsjechen bestonden die zich aanpasten aan de Duitstalige stedelijke cultuur van het Habsburgse Rijk. Een vierde groep vormden Joden die na hun emancipatie als volwaardig staatsburger sinds 1860 ook een plaats vonden in die Duitstalige burgerlijke cultuur. Daarnaast leefde in Slowakije een andere, geografisch verspreid wonende, Duitstalige minderheid die zich naar analogie van de Sudeten-Duitsers als Karpaten-Duitsers ging betitelen.

De door de nationaalsocialisten opgevoerde politieke spanningen leidden ertoe dat Tsjecho-Slowakije in 1939 bij het Verdrag van München, met instemming van Groot-Brittannië en Frankrijk, Sudetenland moest afstaan aan Duitsland-Oostenrijk. Daarmee was het land geografisch en industrieel ontmanteld en zou het restant als een 'Reichsprotektorat' door Duitsland bezet worden, terwijl een collaborateursregering van Tsjechen pro forma het land bestuurde.

Na de ineenstorting van het nazirijk werden van mei 1945 tot 1 januari 1950 vrijwel alle etnische Duitsers door de uit Londen teruggekomen regering in ballingschap collectief tot landverraders verklaard en uit het zogenaamde Sudetenland verdreven. Ze vluchtten voor terreur van Tsjechische milities, of werden eerst geïnterneerd en vanuit kampen gedeporteerd. De volkenrechtelijk discutabele basis van deze verdrijvingen waren de Beneš-decreten. Deze decreten bevalen de uitwijzing van vrijwel alle Duitsers en verklaarden al hun goederen en vermogens tot bezit van de staat Tsjecho-Slowakije. De geallieerde toestemming tot verdrijving en regeling van de opname in Duitsland en Oostenrijk maakte de operatie fysiek mogelijk.

Nationalisme van de Sudeten-Duitsers[bewerken]

Het eind van de Eerste Wereldoorlog betekende het eind van de Oostenrijks-Hongaarse multinationale staat. De 6,7 miljoen Tsjechen eisten een staat voor zichzelf die gebaseerd moest zijn op de historische grenzen van Bohemen en Moravië. Op die manier zouden verdedigbare grenzen langs de bergkammen van de gebergten ontstaan, maar op die manier zouden ook de sterk geïndustrialiseerde gebieden waar de Sudeten-Duitsers woonden binnen de nieuwe staat opgenomen worden.

Na de proclamatie van de Tsjecho-Slowaakse Republiek op 28 oktober 1918 beriepen de Sudeten-Duitsers (een moderne betiteling, voordien noemden de Duitstaligen zich Deutschböhmen, ofwel Duitse Bohemers) zich op hun zelfbeschikkingsrecht en eisten dat hun thuisland zou aansluiten bij de nieuw gevormde Oostenrijkse staat, Republiek Duits-Oostenrijk. Omdat de Sudeten-Duitsers vertrouwden op het beginsel van nationale zelfbeschikking dat werd verkondigd door de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog, verzetten zij zich nauwelijks tegen de Tsjechische militaire bezetting (31 oktober 1918 – 28 januari 1919).

Vrijwel alle Sudetenduitse gebieden kwamen aldus in begin 1919 in nationaal Tsjechische handen. Op 4 maart 1919 demonstreerde nagenoeg de gehele Sudetenduitse bevolking voor haar recht op zelfbeschikking. Deze demonstraties gingen gepaard met een algemene staking. De Sudeten-Duitse Sociaaldemocratische Partij, toen de grootste partij onder de Duitstaligen, had het initiatief genomen tot de demonstraties, maar ze werden ook gesteund door de burgerlijke Duitse partijen. Deze massademonstraties werden neergeslagen door Tsjechische milities met als gevolg 54 doden en meer dan honderd gewonden.

Het Verdrag van Saint-Germain deelde de Sudeten-Duitsers in bij het nieuwe Tsjecho-Slowakije. Er was discussie om bepaalde grensgebieden bij Oostenrijk of Duitsland (bijvoorbeeld het huidige Cheb en Karlovy Vary, toen Eger en Karlsbad) te voegen maar uiteindelijk werden geen etnische maar de geografische en historische grenzen gehandhaafd om de nieuwe staat een krachtig industrieel potentieel te geven waarmee hij zich tegenover Duitsland zou kunnen handhaven. Binnen die staat vormden de Sudeten-Duitsers een geografisch geconcentreerde grote minderheid: van hun woonde 90% in gebieden waar ze tevens ook een 90%-meerderheid vormden.

In 1921 omvatte de bevolking van het multi-etnische Tsjecho-Slowakije 6,6 miljoen Tsjechen, 3,2 miljoen Duitsers, 2 miljoen Slowaken, 0,7 miljoen Hongaren, 0,5 miljoen Roethenen (kerkelijk met Rome geünieerde Oekraïners), 300.000 joden die zich voor de helft tot de Duitsers of de Hongaren rekenden, 100.000 Polen en kleinere groepen zoals Roma (zigeuners). Duitstaligen, onder wie ook een aanzienlijk deel van de joden, vormden ongeveer een derde van de bevolking in Bohemen en ongeveer een kwart van de bevolking van de gehele republiek.

In het Sudetenland waren moderne chemische glasindustrieën gevestigd en mijnen in bedrijf waar ligniet (bruinkool) werd gewonnen. Daarnaast waren er textiel-, porselein- en glasfabrieken. Met name de Duitstalige arbeiders voelden zich bedreigd door de goedkope-arbeidsimmigratie van Tsjechen en die angst nam toe in de crisis van begin jaren dertig.

In Moravië bevonden zich grote Duitstalige enclaves binnen Tsjechischtalig gebied. Hier waren de nationale spanningen minder groot. In het steenkool-mijngebied van de provincie Zuid-Silezië, met 40,5 % Duitsers, werd het Duitse nationalisme in toom gehouden door de vrees voor de concurrentie met de industrie in Duits Silezië, aan de andere kant van de grens.

Daarnaast leefden lang niet alle Duitsers gescheiden van de Tsjechen; in de loop der tijd waren Duitsers en Tsjechen vermengd geraakt. Ook de latere nationaalsocialistische politici Arthur Seyß-Inquart (geboren als Artur Zajtich) en Sudetenduitse leider Konrad Henlein kwamen uit gemengd Tsjechisch-Duitse families, evengoed als de nationaal Tsjechische politieke leiders, zoals de eerste president van de republiek Thomas Masaryk. Het in die tijd populaire volksgenetisch onderzoek meende bewezen te hebben dat een vijfde van de Tsjechen en een kwart van de Sudeten-Duitsers uit de concurrerende taalgroep stamde. Een basis van overeenkomst lag ook in het gezamenlijke geloof, dat wil zeggen in het het rooms-katholicisme. Wel hadden extreem nationale groepen zich daaruit losgemaakt zoals de neo-Hussieten onder de Tsjechen en Duitstaligen die tot het lutheranisme waren overgegaan. Maar overigens leefden de bevolkingsgroepen, voor de opkomst van het moderne nationalisme sinds 1848 en de toenemende politieke dominantie van de Tsjechische partijen sinds 1866, vreedzaam door en met elkaar. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw creëerden Tsjechen en Duitsers gescheiden culturele, onderwijskundige, politieke en economische instituties, om zich als nationale samenlevingen tegenover elkaar op te stellen. Het land viel uiteen in eentalige gebieden waarbinnen de andere landstaal bestreden en zo mogelijk verboden werd. Deze toenemende scheiding duurde voort tot ze radicaal werd 'opgelost' aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Sindsdien werd zelfs de herinnering aan een zeven eeuwen lange multi-etnische en tweetalige samenleving weggepoetst. Na die historische zuivering is een beeld geschapen alsof Tsjechië altijd een nationaal zuiver gebied is geweest waarin Duitsers als immigranten, indringers, vreemdelingen, profiteurs en verraders een ongewenste rol speelden om uiteindelijk, nadat zij misbruik van hun gastpositie maakten, te worden veroordeeld met een radicale verwijdering.

Beleid met betrekking tot Sudeten-Duitsers[bewerken]

In het begin had de Tsjecho-Slowaakse regering de intentie sociale onrechtvaardigheid te corrigeren en een gematigde herverdeling van welvaart tot stand te brengen. Dit ging meer ten laste van de Duitse ingezetenen dan anderen. De regering confisqueerde in 1919 een vijfde deel van ieders bezit aan papiergeld. Omdat de Duitsers over het algemeen rijker waren, had dit voor hen grotere consequenties. De Wet op het Landbeheer leidde tot de onteigening van grote landgoederen, die meestal in bezit waren van de Duitstalige adel. Het land werd vooral toebedeeld aan Tsjechische boeren, die vaak geen grond bezaten, maar wel de meerderheid van de boerenbevolking uitmaakten. Slechts 4,5% van het herverdeelde land ging naar Sudeten-Duitsers die tegen deze onderbedeling met vele petities protesteerden.

Volgens de grondwet van 1920 moesten de rechten van de Duitse minderheid beschermd worden; hun scholen en culturele instituties moesten in evenredigheid met de bevolking behouden blijven. Lokale vijandigheid werd uitgelokt door het beleid de Tsjecho-Slowaakse staatsgrens te beveiligen met 'betrouwbare' Tsjechische militairen, politiefunctionarissen en ambtenaren die werden gestationeerd in nagenoeg geheel Duitstalige gebieden, waar zij bijzondere rechten kregen op eigen scholen, gebruik van hun taal in openbare instellingen em in contact met ambtelijke instanties.

De Sudeten-Duitse industrie was sterk afhankelijk van buitenlandse handel en had nauwe financiële banden met Duitsland. Zij kreeg vooral te lijden van de crisis die in 1929 uitbrak. De Tsjechische industrie, die vooral op de binnenlandse markt gericht was, leed daaronder minder. Midden jaren dertig was de werkloosheid in Sudetenland vijf keer zo hoog als in de Tsjechische gebieden. Dit deed de spanningen tussen deze twee bevolkingsgroepen oplaaien. De betrekkingen tussen Tsjechen en Duitsers werden verder vergiftigd toen Sudeten-Duitsers gedwongen waren steun te vragen bij de Tsjecho-Slowaakse overheid en investeringsbanken (Živnostenská banka). Hulp werd vaak alleen verkregen als voldaan werd aan de eis dat het aantal Tsjechische arbeidskrachten in overeenstemming met de samenstelling van de bevolking werd gebracht, niet volgens de verhoudingen ter plaatse maar die in het gehele land. Dat betekende dat in Duitstalige gebieden de meerderheid van de aangestelden Tsjech moest zijn. Voor Duitstaligen gaven de publieke werken, die als werkgelegenheidsondersteuning werden opgezet, weinig soelaas als ze aan firma's uit het Tsjechische taalgebied waren gegund omdat deze hun eigen arbeiders meenemen.

Coöperatieve politiek van Sudeten-Duitsers[bewerken]

De grondwet van 1920 was ontworpen zonder dat daaraan een Sudeten-Duitse vertegenwoordiging had mogen deelnemen. De Sudeten-Duitsers wezen daarom ook deelname aan de presidentsverkiezingen af. Rechtse-nationale Sudeten-Duitse politieke vertegenwoordigers volgden een obstructiepolitiek in het parlement. Links-democratische vertegenwoordigers toonden zich echter tot samenwerking bereid. In 1926 adviseerde de Duitse kanselier Gustav Stresemann de Sudeten-Duitsers om actief met en in de Tsjecho-Slowaakse regering samen te gaan werken. Als gevolg daarvan veranderden de meeste Sudeten-Duitse partijen, zoals de Duitse Agrarische Partij, de Duitse Sociaal Democratische Partij en de Duitse Christen Socialistische Partij, hun politieke obstructie in participatie. Verschillende Duitse politici accepteerden een post in het kabinet. De nationalistische gevoelens van de Sudeten-Duitsers namen zodoende in de eerste tien jaren van de republiek af. Pas tijdens de crisis van de jaren dertig zouden ze sterk gaan toenemen en hun vertegenwoordigers openlijk aansluiting zoeken bij Duits-Oostenrijk of Duitsland. Als tussenstap propageerden ze regionale autonomie, waarbij zij een Zwitsers kantonmodel voor ogen hadden.

Tijdens een conferentie in 1919 in Teplitz besloten de provinciale sociaaldemocratische partijen van Bohemen, Moravië en Sudeten-Silezië tot een fusie in de Duitse Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (DSAP) en kozen Josef Seliger als voorzitter. Na Seligers voortijdige dood in 1920 werd Ludwig Czech partijvoorzitter en in 1938 Wenzel Jaksch. Al in 1936 vormden Jaksch, Hans Schütz van de Christlich Soziale Partei en Gustav Hacker van de Agrariër de beweging van de Jungaktivisten, die actief een overeenkomst met de Tsjecho-Slowaakse regering zocht tot een politiek die weerstand kon bieden aan de aanval op de staat door nazi’s van binnen en buiten Tsjecho-Slowakije. Tijdens gelijktijdige massabijeenkomsten op 26 april 1936 in Tetschen-Bodenbach, Saaz en Giesshuebl in Adlergebirge (zie lijst van Duitse plaatsnamen in Tsjecho-Slowakije) eisten zij voor hun trouw aan de republiek gelijke kansen in overheidsdienst voor Duitsers, financiële steun voor Sudetenenduitse bedrijven, kennis van de Duitse taal voor ambtenaren in Sudetenland en maatregelen om de werkloosheid in Sudetenland terug te dringen (een op de drie in Sudetenland was werkloos tegen een op de vijf in de rest van het land). Verbetering van de levensomstandigheden voor de Sudeten-Duitsers was niet de enige motivatie voor de Jungaktivisten. Voor Jaksch en andere sociaaldemocraten was het een kwestie van overleving die bij een machtsovername door de nazi’s in gevaar zou komen. Hun uiteindelijke lot bevestigde hun zorgen. Van de ongeveer 80.000 Duitstalige sociaaldemocraten en communisten in Tsjecho-Slowakije zagen slechts 5.000 kans om de nazi’s te ontvluchten. De rest werd geïnterneerd of geëxecuteerd. Degenen die overleefden en terugkwamen werden na de Tweede Wereldoorlog op basis van de Beneš-decreten uitgewezen.

Opkomst van de nazipartij[bewerken]

In 1929 bleef slechts een klein deel van de Sudeten-Duitse afgevaardigden – meest leden van de Deutsch-Nationale Partei (grondbezitters) en de Sudetendeutsche nationalsozialistische Partei – in de oppositie. Nationalistische sentimenten bloeiden echter onder de Sudeten-Duitse jeugd die georganiseerd was in verschillende verenigingen. Voorbeelden van zulke nationalistische verenigingen zijn Turnverband, Schutzvereine, Kameradschaftsbund, Nazi Volkssport, en de Bereitschaft.

Tijdens de economische crisis zouden de nazi's de dominante politieke stroming worden. Zij breidden hun activiteiten gedurende de crisisjaren uit. Eerst nog onderdrukte de Tsjecho-Slowaakse regering de Sudeten-nazipartij omdat haar programma de grondwet schond. In de herfst van 1933 ontbonden de Sudeten-nazi’s hun organisatie en er werd pressie op de Duits-Nationalen uitgeoefend om hetzelfde te doen. Duits-Nationalen en Sudeten-nazi’s werden geweerd uit lokale bestuursposten. Speciaal in nationalistische bolwerken als Egerland was de Sudeten-Duitse bevolking daarover verontwaardigd. Op 1 oktober 1933 richtte Konrad Henlein samen met zijn assistent Karl Hermann Frank en gesteund door andere leden van de Kameradschaftsbund, een jeugdorganisatie op met een romantisch-mythische oriëntatie, als het begin van een nieuwe politieke organisatie. Dit Sudetendeutsche Heimatfront beleed zogenaamd trouw aan de staat Tsjecho-Slowakije maar propageerde tegelijkertijd decentralisatie. Tegelijk zocht het steun bij de Hongaarse nationalisten in het Slowaakse landsgedeelte.

Tsjecho-Slowaakse Kamer van afgevaardigden 1920-1935 - Duits en Duits-Hongaarse partijen of lijsten [1][2]

Partij/lijst Zetels 1920 Zetels 1925 Zetels 1929 Zetels 1935 Stemmen 1935
Sudetendeutsche Partei - - - 44 1.256.010
Deutsche Nationalpartei - 10 7 - -
Deutsche Nationalsozialistische Arbeiterpartei 15 17 8 - -
Deutsche sozialdemokratische Arbeiterpartei 31 17 21 11 300.406
Deutsche Christlich-Soziale Volkspartei 7 13 14 6 163.666
Bund der Landwirte 11 24 - 5 142.775
Hongaarse partijen en sudetendeutscher Wahlblock 9 4 9 9 292.847
Vereinigte deutsche Parteien 6 - 16 - -
Totaal (van de 300 zetels) 79 85 75 75
  • Hongaarse partijen en sudetendeutscher Wahlblock (1935)[3]: Deutsch-demokratische Freiheitspartei, Deutsche Gewerbepartei, Deutschnationale Partei, Sudetendeutsche Landbund, Deutsche Arbeiterpartei, Zipser deutsche Partei, Ungarische Christlichsoziale Partei, Ungarische Nationalpartei

In 1935 werd het Sudeten-Duitse Thuis Front omgedoopt tot Sudetenduitse Partij (Sudetendeutsche Partei - SdP) en startte een actieve propagandacampagne. Bij de verkiezingen in mei won deze SdP meer dan 60% van de Sudetenduitse stemmen. De Duitse Boeren, christen-socialisten en sociaaldemocraten verloren alle ongeveer de helft van hun aanhang. De SdP werd de basis van de Duits nationalistische krachten. De partij presenteerde zich als coöperatief binnen de Tsjecho-Slowaakse republiek. Echter, Henlein verstevigde contacten met nazi-Duitsland en ontving materiële steun van Berlijn. De SdP organiseerde zich volgens het Führer beginsel met intimiderend vlagvertoon, met leuzen en geüniformeerde optochten. Door de Tsjecho-Slowaakse regering aangeboden tegemoetkomingen, zoals de installatie van uitsluitend Sudeten-Duitse functionarissen in Sudeten-Duitse gebieden en mogelijke deelname van de SdP in het kabinet, werden verworpen. In 1937 steunden de meeste SdP-leiders openlijk Hitlers pan-Duitse doelstellingen.

Op 13 maart 1938 werd Oostenrijk geannexeerd door het Derde Rijk, een vereniging die bekendstaat als de Anschluss. Op 22 maart fuseerde de Duits Boeren Partij, geleid door Gustav Hacker, met de SdP. De Duits christen-socialisten bevroren hun activiteiten op 24 maart; hun afgevaardigden en senatoren voegden zich bij de SdP, die nu een overweldigende meerderheid verwierf. Alleen de Duitse sociaaldemocraten en communisten bleven loyaal aan een democratisch Tsjecho-Slowakije. Bij de laatste nog vrije verkiezingen, hoewel onder zware agitatie van de nationaalsocialisten, stemden twee van de drie Sudeten-Duitsers op de partij van Henlein.

Uiteindelijke crisis in 1938[bewerken]

Konrad Henlein had op 28 maart 1938 een bijeenkomst in Berlijn met Hitler en kreeg opdracht de onaanvaardbare eisen aan de Tsjecho-Slowaakse regering op te voeren. In de Karlsbad-decreten die op 24 april naar buiten werden gebracht, eiste de SdP volledige autonomie voor Sudetenland. Als daaraan was voldaan zou Sudetenland vervolgens aansluiting bij nazi-Duitsland kunnen zoeken volgens de principes van het volkenrecht, welke boven die van de nationale staat stonden.

Inmiddels werd de veiligheid in Sudetenland door toenemend geweld bedreigd met gevechten tussen jonge SdP-aanhangers (uitgerust met wapens die vanuit Duitsland binnengesmokkeld waren) en Tsjechoslowaakse politie- en grenstroepen. Op sommige plaatsen werd zelfs het reguliere leger ingeroepen om de orde te herstellen. Nazi-Duitse propaganda beschuldigde vervolgens de Tsjechische regering en de Tsjechen van gruweldaden tegen Duitsers.

Op 20 mei begon Tsjecho-Slowakije in antwoord op geruchten van Duitse troepenverplaatsingen met een zogenaamde "gedeeltelijke mobilisatie" (letterlijk "speciale militaire voorzorg"). Het leger nam posities in langs de grens. De westelijke machten probeerden de situatie te pacificeren en dwongen de regering van Tsjecho-Slowakije toe te geven aan de meeste eisen van de Karlsbad-decreten. De SdP stelde zich in dienst van de provocatie van een crisis. In het bijzonder het Sudetendeutsche Freikorps (een combinatie van paramilitaire terroristische groepen die in Duitsland getraind waren door SS-instructeurs) terroriseerden de grensgebieden en begingen overvallen op overheidsgebouwen. Meer dan 110 Tsjechen (meest soldaten en politiemannen) werden gedood en meer dan 2.020 Tsjecho-Slowaakse burgers (waarbij ook Duitse antifascisten) werden ontvoerd naar nazi-Duitsland.[4]

De Britse eerste minister Neville Chamberlain zond in augustus Lord Runciman, een getrouwe verzoener[5], naar Tsjecho-Slowakije om te onderzoeken of hij een overeenkomst tussen de Tsjecho-Slowaakse regering en de Duitsers in Sudetenland kon bewerkstelligen. Zijn missie mislukte omdat de Sudeten-Duitse Partij alle verzoeningsvoorstellen in opdracht van Hitler afwees.[6][7][8][9] Runciman bracht het volgende verslag aan de Britse regering uit met betrekking tot de Tsjechische politiek in de afgelopen decennia tegenover de Duitse minderheid[10]:

Aanhalingsteken openen

Tsjechische functionarissen en Tsjechische politiemannen die nauwelijks of geen Duits spraken, werden in grote aantallen benoemd in overwegend Duitse districten; Tsjechische boerenkolonisten werden aangemoedigd om zich te midden van de Duitse bevolking te vestigen op land dat was geconfisqueerd onder de landhervorming; voor de kinderen van deze Tsjechische immigranten werden op een grote schaal Tsjechische scholen gebouwd; er is een vrij algemeen geloof dat Tsjechische bedrijven worden bevoordeeld ten opzichte van Duitse bedrijven bij de toekenning van overheidsopdrachten en dat de overheid Tsjechen meer van werk en steun voorziet dan Duitsers. Ik geloof dat deze krachten in hoofdlijnen gerechtvaardigd zijn. Zelfs ten tijde van mijn missie kon ik geen bereidheid van de Tsjecho-Slowaakse regering vinden om iets op adequate schaal recht te buigen ... het gevoel onder de Sudeten-Duitsers was tot een jaar of drie of vier geleden er een van hopeloosheid. Maar de opkomst van nazi-Duitsland gaf hen nieuwe hoop. Ik beschouw hun verzoeken voor hulp aan hun verwanten en hun uiteindelijke wens om zich bij het Reich aan te sluiten als een natuurlijke ontwikkeling in de gegeven omstandigheden.

Aanhalingsteken sluiten

Groot-Brittannië en Frankrijk dwongen vervolgens de Tsjecho-Slowaakse regering om Sudetenland aan Duitsland af te staan (21 september). Het verdrag van München (getekend op 29 september) bevestigde slechts de beslissing en de onderhandelingsdetails.

Onder nazibewind[bewerken]

Sudeten-Duitsers trekken een grenspaal tussen Tsjecho-Slowakije en Duitsland omver op 29 september 1938.

Als gevolg verloren Bohemen en Moravië ongeveer 38% van hun gezamenlijk gebied en daarmee ongeveer 3,25 miljoen Duitsers en ongeveer 250.000 Tsjechen aan Duitsland. Een groot deel van deze Tsjechen paste zich aan door het Duitse staatsburgerschap te aanvaarden. Ongeveer evenveel, nl. 250.000, Duitsers bleven, met de status van Duits staatsburger, in de Protectoraatsgebieden terwijl de Duitsers in Slowakije het nieuwe staatsburgerschap van Slowakije kregen.

Na de annexatie en nazistische gelijkschakeling stemden in de 'verkiezingen' op 4 december 1938 97% van opgekomen kiezers in Sudetenland voor de NSDAP. Ongeveer een half miljoen Sudeten-Duitsers werd lid van de NSDAP en dat was relatief meer dan twee maal zoveel - ruim een derde van de volwassenen - als in nazi-Duitsland). Vanwege hun kennis van de Tsjechische taal werden veel Sudeten-Duitsers in dienst genomen door het bestuur van het Protectoraat Bohemen en Moravië of opgenomen in het nazi-onderdrukkingsapparaat (SS, Gestapo etc.). De bekendste was Karl Hermann Frank: SS- en Politie-generaal en Staatssecretaris in het Protectoraat. De SdP had voor 1939 al ruim een miljoen leden ingeschreven; na 1939 werd de partij opgenomen in de NSDAP en de helft van de SdP-ers liet zich in deze partij opnemen. De bevolking van het geannexeerde Sudetenland bestond in 1939, na de vlucht of uitwijzing van Tsjechische ambtenaren en intellectuelen nog uit ruim 10% Tsjechen. Zij kregen de keus om Duits staatsburger te worden of anders de kans te lopen elk moment onteigend en uitgewezen te kunnen worden. Een ruime helft besloot tot het eerste. Omdat door de oproep tot militaire dienst sinds 1940 een toenemend gebrek aan arbeiders ontstond, kwam het ook voor de overigen niet tot uitwijzing, integendeel minstens honderdduizend Tsjechische arbeiders werden onder dwang uit het Protectoraat naar het Sudetenland gestuurd. Omdat Duitsers uit ‘het Rijk’ massaal werden aangesteld in leidende ambtelijke functies, en ‘Rijksduitse’ bedrijven de onteigende Tsjechische en Joodse ondernemingen overnamen en met hun eigen leidinggevenden bevolkten, ontstonden spanningen waarin veel Sudetenduitsers zich als gekoloniseerden voelden behandeld, vooral toen ook hun eigen verenigingwezen werd gelijkgeschakeld in grotere Rijksduitse verbanden. De nazistische staatscontrole wilde de bevolking niet teveel van het Grootduitse Rijk vervreemden en verhield zich halfslachtig met deze spanningen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog dienden Duitse mannen in Slowakije gewoonlijk in het bondgenootschappelijke Slowaakse leger, maar Duitsland dwong de Slowaakse regering om toe te staan dat zij desgewenst ook in Duitse paramilitaire groepen (Freiwillige Schutzstaffeln) en bij de Waffen-SS hun militaire dienst konden verrichten. Daarvan maakten 2.000 resp. 7.000 gebruik. Toen duidelijk was geworden dat de Duitse legers geen weerstand meer konden bieden aan de opmars van het Sovjet-leger, brak een partizanenopstand uit Slowaakse Nationale Opstand. Het Slowaakse leger viel uiteen en in de herfst van 1944 werden de Duitse dienstplichtigen in Slowakije opgeroepen voor de Wehrmacht of de Waffen-SS, en de jongsten en ouderen georganiseerd in de Heimatschutz - een equivalent van de Volkssturm in Duitsland [11] Ongeveer 120.000 Duitsers (meest vrouwen en kinderen) werden geëvacueerd naar Sudetenland en het Protectoraat.[4]

Uitwijzing[bewerken]

Sudeten-Duitsers worden gedeporteerd in september 1945. Aan de Duitse bewoning in Bohemen, Moravië en Tsjechisch Silezië kwam zodoende na duizend jaar een einde.
1rightarrow blue.svg Het hoofdartikel hierover is Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog

Al tijdens de oorlog weigerde de Tsjechoslowaakse regering in ballingschap, die in Londen zetelde, om de Sudetenduitsers nog langer als staatsburgers te erkennen. Ook het Sudetenduitse anti-fascistische comité onder de sociaal-democraat Wenzel Jaksch, eveneens gevestigd in Londen, erkende zij niet als politiek vertegenwoordiger van (een deel van) de Sudeten-Duitsers. Al degenen die alleen Duits spraken (Joden inbegrepen) beschouwde zij als Sudetenduitsers en daarmee als vijandige en dus uit te wijzen buitenlanders. Een uitzondering zou gelden voor degenen die actief en aanwijsbaar in verzet waren gekomen tegen de nazi-autoriteiten mits zij zich voortaan ook als Tsjech zouden willen beschouwen. Gesteld werd dat dit juridische criterium politiek was en niet etnisch. Critici wijzen op de dubbelzinnige toepassing: Tsjechen en Slowaken vielen er niet onder hoewel de grote meerderheid geen verzet had geboden tegen de nazi's en een aanzienlijke minderheid, vooral onder de Slowaken, zelfs actief had gecollaboreerd. Toen de Tsjecho-Slowaakse staat na de Tweede Wereldoorlog werd hersteld, werd het merendeel van de Duitsers van Tsjecho-Slowakije verdreven eerst door middel van deportaties, wilde verdrijvingen en later door georganiseerde gedwongen uittochten. 700.000 vluchtten naar Duitsland en Oostenrijk. 2,5 miljoen werden, vaak na langdurige internering, tijdens de volgende drie jaren uitgewezen, en van die laatsten zijn als direct of indirect gevolg van deze officieel bevolen uitwijzing (zie: Beneš-decreten) één op de tien om het leven gekomen. Een deel door standrechtelijke executie of moord, een ander deel door uitputting en ziekte. Zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog en etnische zuivering. Aan ongeveer 244.000 Duitsers - erkende communisten en verzetsstrijders maar ook technici die voor de instandhouding van de industrie in de ontruimde Sudetenduitse gebieden onontbeerlijk waren - werd aanvankelijk toegestaan in Tsjecho-Slowakije te blijven, maar velen van hun emigreerden later alsnog naar West-Duitsland en de Duitse Democratische Republiek. Veel vluchtelingen in de Bondsrepubliek verenigden zich in de Sudetendeutsche Landsmannschaft (Tsjechië) en de Karpatendeutsche Landsmannschaft (Slowakije).

Bij de volkstelling van 2001 claimden 39.106 personen in Tsjechië[12] en 5.405 personen in Slowakije [13] een Duitse etniciteit te hebben.

Dialecten[bewerken]

De Duitse dialecten in Bohemen en Moravië vormden een continuüm met de dialecten van de omliggende Duitse en Oostenrijkse gebieden. Er waren vijf dialectgebieden te onderscheiden:

Externe link[bewerken]

Bronnen

  • T. Schieder (red.), Dokumentation der Vertreibung der deutschen Bevölkerung aus Ost-Mitteleuropa, Deel IV: Die Vertreibung der deutschen Bevölkerung aus der Tschechoslowakei, Bundesministerium für Vertriebene, Bonn z.j.
  • V. Zimmermann, Die Sudetendeutschen im NS-Staat, Essen 1999
  • P. Glotz, Die Vertreibung, Böhmen als Lehrstück, München 2003

Noten

  1. "Prager Tagblatt", Nr. 116 du 18 Mai 1935, Tschechoslowakische Parlamentswahl vom 19. 5. 1935
  2. Alena Mípiková und Dieter Segert, Republik unter Druck
  3. "Prager Tagblatt", Nr. 116, 18 mei 1935, Tschechoslowakische Parlamentswahl vom 19. 5. 1935
  4. a b Zimmermann, Volker: Die Sudetendeutschen im NS-Staat. Politik und Stimmung der Bevölkerung im Reichsgau Sudetenland (1938-1945). Essen 1999. (ISBN 3884747703)
  5. Churchill, Winston: The Second World War. Vol. I, The Gathering Storm. 1986. (ISBN 039541055X)
  6. Čelovský, Bořivoj: Germanisierung und Genozid. Hitlers Endlösung der tschechischen Frage - deutsche Dokumente 1933-1945. Dresden 2005 (ISBN 8090355013)
  7. Šamberger, Zdeněk: Mnichov 1938 v řeči archivních dokumentů. Praha 2002. (ISBN 8085475936)
  8. Kárník, Zdeněk: České země v éře první republiky (1918-1938). Díl 3. Praha 2003. (ISBN 8072770306)
  9. Král, Václav (ed.): Die Deutschen in der Tschechoslowakei 1933-1947. Dokumentensammlung. Praha 1964.
  10. Alfred de Zayas, "Anglo-American Responsibility for the Expulsion of the Germans, 1944-48", (Pittsburg lecture, published in Vardy/Tooley "Ethnic Cleansing in 20th Century Europe" pp. 239-254) p. 243
  11. Littlejohn, David: Foreign Legions of Third Reich. 1994
  12. Census 2001 by Czech statistical office
  13. Census 2001 by Slovak statistical office