Syb Talma

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Syb Talma
Zomerzegel uit 1936, met het portret van Syb Talma op de 5ct-zegel
Zomerzegel uit 1936, met het portret van Syb Talma op de 5ct-zegel
Algemene informatie
Naam Aritius Sybrandus (Syb) Talma
Geboren Angeren, 17 februari 1864
Overleden Bennebroek, 12 juli 1916
Partij ARP
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland

Aritius Sybrandus (Syb) Talma (Angeren, 17 februari 1864Haarlem, 12 juli 1916) was een Nederlands dominee en politicus[1].

Biografie[bewerken]

Talma was de zoon van de D. Talma-Hekkelaar[2] en A.W.L. Talma, toen Nederlands Hervormd predikant te Angeren. Op 24-jarige leeftijd werd hij predikant te Heinenoord (1888-1891), daarna in Vlissingen (1891-1895) en Arnhem. Na zijn politieke loopbaan werd hij opnieuw predikant (Bennebroek, 1914-1916) en veldprediker (1914-1916). Talma overleed in 1916 op 52-jarige leeftijd in het Diaconessenhuis te Haarlem.

Politieke loopbaan[bewerken]

Als minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, waaronder in die tijd ook sociale wetgeving viel, in het kabinet-Heemskerk (1908-1913) was Talma één van de grondleggers van het stelsel van sociale zekerheid in Nederland. Binnen de protestantse arbeidersbond Patrimonium ontwikkelde hij zich tot pleitbezorger van de moderne christelijke vakbeweging. Talma bood een zelfbewust christelijk-sociaal alternatief voor het socialisme, gepaard met kritiek op passiviteit van gevestigde burgerij en aristocratie. Geïnspireerd door de sociale ethiek van de Anglicaanse geestelijke en christen-socialist Frederick Denison Maurice verwierf Talma's charisma veel populariteit onder de protestants-christelijke arbeiders ('de Leeuw van Patrimonium'). Als politicus initieerde hij modernisering van wetgeving en sociale instituties.

Rond 1900 zorgde Talma binnen het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium voor overname van de vakorganisatie als leidend principe voor de protestants-christelijke arbeidersbeweging. Het maakte de weg vrij voor totstandkoming van het latere niet-kerkgebonden, algemeen Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) in 1909. In 1891 sloot Talma zich aan bij de Antirevolutionaire partij (ARP) van Abraham Kuyper. Geruchtmakend was zijn verkiezingsoverwinning bij de Tweede Kamer verkiezingen in 1901 op SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra in diens thuisdistrict Tietjerkstradeel. Talma was AR-kamerlid voor het district tot 1908. In dat jaar werd hij minister in een coalitiekabinet onder leiding van de Anti-revolutionair mr. Th. Heemskerk. Na aftreden van het kabinet trad Talma wegens gezondheidsproblemen uit de actieve politiek en werd predikant van de Nederlands Hervormde Kerk te Bennebroek. Dramatisch verlies van de ARP bij de verkiezingen in 1913, volgend op het kabinet Heemskerk, droeg hier aan bij. Het bevestigde een politiek isolement van Talma in zijn partij, dat zich tijdens zijn ministerschap ontwikkelde.

In de Nederlandse pionierstijd van sociale politiek was Talma de eerste minister voor sociale wetgeving met een achtergrond in de arbeidersbeweging. Die achtergrond motiveerde hem - na jaren uitstel en vertraging onder voorgaande kabinetten - tot een inhaalslag voor meer sociale wetgeving. Arbeidersparticipatie en effectieve uitvoering van sociale regelgeving waren leidraad van zijn sociale politiek. Dat leidde tot diverse arbeidswetten, modernisering van de landelijke arbeidsinspectie, en een stelsel van Raden van Arbeid als uitvoeringsorganen voor arbeidersverzekeringen waarin overheid, werkgevers en werknemers participeren. De Raden van Arbeid waren het eerste voorbeeld van een publiekrechtelijke organisatie gedragen door werkgevers, werknemers en de overheid als samenwerkende 'sociale partners'. Hoogoplopende strijd over de Talma-wetten ging gepaard met een parlementaire tweedeling tussen sociaal-progressief en sociaal-conservatief. Deze scheidslijn verdeelde zowel regeringspartijen (katholieken en protestanten) als oppositiepartijen (conservatieve en progressieve liberalen). Socialisten steunden sociale wetgeving, maar hadden veel moeite met verzekeringsplicht ook voor arbeiders. Gevoelige oppositie voor Talma kwam vooral uit eigen kring: de behoudende vleugels van anti-revolutionairen, christelijk-historischen en katholieken. Aansluiting van AR-leider Kuyper bij de behoudende kritiek op de minister versterkte Talma's isolement in eigen kring. Kuyper en behoudende geestverwanten hadden vooral moeite met uitbreiding van overheidsinterventie in de verhoudingen tussen werkgever en werknemers en Talma's samenwerkingsideaal van werkgevers en werknemers.

Talma realiseerde de eerste collectieve oudedagsvoorziening in Nederland: een wettelijk recht op een financiële bijdrage voor de oudedag. Uitkering van de eerste wekelijkse 'ouderdomsrente' van staatswege voor pensioengerechtigde 70-jarige arbeiders begon op 9 december 1913. Voor Talma was het een tijdelijke overgangsregeling (minimaal 75 jaar) naar een particuliere pensioenverzekering die zichzelf in stand zou houden. In 1919 werd het recht op ouderdomsrente door Talma's katholieke geestverwant, minister Aalberse, uitgebreid naar minvermogende niet-arbeiders. De regeling was voorloper van de naoorlogse Algemene Ouderdoms Wet (AOW), ingevoerd in 1957 door de sociaaldemocratische ministers Drees en Suurhoff. Uitgezonderd de ouderdomsuitkering werden de Talma-verzekeringswetten tegen ziekte, ouderdom en arbeidsongeschiktheid uiteindelijk pas veel later ook daadwerkelijk ingevoerd door opvolgers. Aalberse realiseerde uitvoering van de Invaliditeits- en Ouderdomswet in 1919, later opgevolgd door de Algemene Ouderdoms Wet (1957) en de Wet Arbeids Ongeschiktheid (WAO; 1967). Talma's Ziektewet voor verplichte verzekering tegen loondoorbetaling bij ziekte van werknemers, werd pas vanaf 1930 uitgevoerd. Verplichte verzekering tegen de kosten van geneeskundige behandeling bij lagere inkomensgroepen - in 1913 door Talma gescheiden van de ziekteverzekering voor loondoorbetaling - werd pas in 1941 een feit met het Ziekenfondsbesluit van de Duitse bezetter. De splitsing van zorg- en ziektewetgeving door Talma's Ziektewet in 1913 creëerde in Nederland een afwijkend stelsel vergeleken met andere Europese landen.

De Talma-wetgeving van 1913 maakte in Nederland de verplichte sociale verzekering tot het fundament van een sociaal stelsel gebaseerd op gedeelde sociale verantwoordelijkheid van werkgevers, werknemers en de overheid. Vertaling van dit fundamentele ethische principe in een stelsel van wet- en regelgeving is Talma's belangrijkste erfenis voor de hedendaagse sociale zekerheid. Het begin van de eerste collectieve pensioenvoorziening in 1913 - eerst voor arbeiders, vanaf 1919 verbreed naar andere lagere inkomensgroepen - stimuleerde particulier initiatief voor non-profit ouderdomsvoorzieningen en de totstandkoming van een gemengd pensioenstelsel in Nederland. Verplichte pensioenverzekering en de zekerheid van een oudedagsuitkering realiseerden voor lagere inkomensgroepen een zelfbetaalde oudedagsvoorziening als alternatief voor afhankelijkheid van het gemeentelijk armenhuis. Pensioengerechtigden uit brede bevolkingsgroepen creeerden een nieuwe markt voor non-profit 'rustoorden': voorlopers van de hedendaagse zorg- en verpleeginstellingen. Talma's gegarandeerde maar minimale ouderdomsrente van overheidswege stimuleerde later de totstandkoming van aanvullende regelingen: collectieve pensioenafspraken per bedrijfstak die door werkgevers en vakbonden in CAO-onderhandelingen werden vastgesteld.

Nagedachtenis[bewerken]

  • Een portret van Talma staat op een postzegel in de serie Zomerzegels van 1936.
  • In ettelijke steden en dorpen zijn straten naar hem vernoemd, waaronder in zijn geboortedorp Angeren.
  • Op 9 november 1963 onthulde zijn dochter bij het gemeentehuis van Bergum een bronzen borstbeeld van hem. De maker was L.A. Sondaer uit Loenen aan de Vecht[3].

Literatuur[bewerken]

  • Krieken, Gerard van (2013). Syb Talma (1864-1916) : een biografie. Verloren, Hilversum. 271 p. (Passage-reeks, nr.42). ISBN 978-90-8704-354-4.
  • Hoop, Lammert de, & Arno Bornebroek (2010). De rode dominee : A.S. Talma. Boom, Amsterdam. 331 p., 16 p. pl. ISBN 978-94-6105-110-3. Biografie.
  • Kalma, J.J. (red.) (1986/87). Ds. A.S. Talma (1864-1916) : voor het volk om Christus' wil : bibliografie van en over hem. Eigen beheer, Leeuwarden. 2 dl. in 1 bd. (alfabetisch, chronologisch). (Bibliografieën / J.J. Kalma ; 177).
  • Oudendag, J.W. (1978). De stryd om een kamerzetel in 1901 : Talma contra Troelstra in Tietjerksteradeel. Eigen beheer, Leeuwarden. 50 p. Scriptie.
  • Ruiter, T. de (1946). Minister A. S. Talma : een historisch-ethische studie over de corporatieve gedachte in de christelijk-sociale politiek van Nederland. Katholieke Universiteit, School voor Politieke en Sociale Wetenschappen Leuven. 243 p. Proefschrift.
  • Vellinga, Jan Meindert (1941). Talma's sociale arbeid. Edecea, Hoorn. 208 p. Vrije Universiteit, Juridische faculteit, Amsterdam Proefschrift.
  • Smeenk, C., & P. van Vliet Jr. (1916). Een held in volle wapenrusting : A.S. Talma en zijn arbeid. Libertas, Rotterdam. 232 p.

Documentaire[bewerken]

  • Kleinbruinink, Henk (regie, red.) (2009). Zelfs vindt de mus een huis, o Heer : een portret van Aritius Sybrandus Talma (1864-1916), de rode dominee. Stichting Beeldlijn, Groningen. 1 dvd-video (30 min.). Grotendeels Fries gesproken, Nederlands ondertiteld.
Bronnen, noten en/of referenties
  • De informatie op deze pagina, of een eerdere versie daarvan, is geheel of gedeeltelijk afkomstig van www.parlement.com. Overname is toegestaan met bronvermelding.
Voorganger:
J.D. Veegens
Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel
1908-1913
Opvolger:
M.W.F. Treub
Voorganger:
J.G.S. Bevers
Minister van Waterstaat (a.i.)
1909
Opvolger:
L.H.W. Regout