Symfonie nr. 5 (Skrjabin)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Symfonie nr. 5
"Prométhée ou le poème du feu"
Componist Alexander Skrjabin
Soort compositie symfonie
Gecomponeerd voor symfonieorkest, piano, koor, clavier à lumières
Opusnummer 60
Compositiedatum 1908-1910
Première 2 maart 1911
Oeuvre Oeuvre van Alexander Skrjabin
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

Symfonie nr. 5 "Prométhée ou le poème du feu", opus 60 is een symfonisch meesterwerk van de Russische componist Alexander Skrjabin. Skrjabin componeerde dit "radicale" muziekstuk in de periode 1908-1910.

Geschiedenis[bewerken]

Vanaf 1903 begon Skrjabin zich steeds meer te interesseren in theosofie wat hem qua stijl steeds gedurfder en radicaler maakte. Prometheus vormt het hoogtepunt van Skrjabins excentrieke artistieke persoonlijkheid en is zijn eerste stap in het verenigen van álle soorten kunst tot één geheel; een clavier à lumières werd in de partituur opgenomen, een instrument wat ten tijde van componeren nog nooit was gefabriceerd. De muziek zou moeten worden voorzien van lichteffecten gekoppeld aan klank en ritme.

Over hoe Skrjabin de lichteffecten wilde hebben geprojecteerd bestaat geen duidelijkheid. Skrjabin heeft er zelf ook niks over aangegeven in de partituur. Grofweg staan er twee opties open; de kleuren moeten op een scherm op het podium worden geprojecteerd of de lichten moeten de gehele zaal beschijnen.

In de partituur staat veel blazerswerk voorgeschreven, zoals acht hoorns en vijf trompetten. Ook is er een grote rol weggelegd voor de piano. Daarnaast is voor het einde van het stuk een groot koor nodig dat met gesloten lippen moet zingen. De koorleden moeten witte gewaden dragen met een rood lint om de middel.

Skrjabin nam het mythische verhaal van Prometheus als uitgangsbasis voor de filosofische grondslag van het werk. Skrjabin zag Prometheus als de verpersoonlijking van de "rebellie tegen God" en daarmee ook als de verpersoonlijking van Lucifer, de brenger van het licht. Het element "Lucifer" wilde Skrjabin uitbeelden met de kleur rood en muzikaal koppelen aan een F-majeurakkoord, omdat hij dit akkoord associeerde met rood.

Sergej Koesevitski dirigeerde de première te Moskou op 2 maart 1911. Bij hedendaagse uitvoering wordt vrijwel altijd het lichtorgel weggelaten, ondanks dat dit lichtorgel tegenwoordig geen probleem met zich meebrengt. Ten tijde van Skrjabin werd het lichtorgel ook nog niet gebruikt.

In 1911 werd door Alexander Sabaneev een pianotranscriptie voor twee handen geschreven. Skrjabin was hier niet blij mee, omdat hij minstens acht handen nodig vond om zo niet afbreuk te doen aan de muziek.

Het werk[bewerken]

Prometheus vormt zich vrijwel geheel rondom Skrjabins "mystieke akkoord".

De muziek zelf is zeer dissonant en is vrijwel geheel gevormd rondom verschillende vormen van Skrjabins geliefde "mystieke akkoord"; een akkoord bestaande uit zes noten. Het akkoord zet zich aan op het begin door de gedempte hoorns en blijft terugkomen. Prometheus draagt allereerst het thema "Chaos" uit waarna thema’s als vreugde, erotiek, humane passie en egoïsme terugkomen. Aan het eind keert de sfeer weer terug naar de donkere mist van de opening in een sectie door Skrjabin betiteld als "Dans van de Atomen van de Kosmos". Aan het einde van Prometheus zet het koor in. Prometheus wordt afgesloten met Skrjabins favoriete F-majeurakkoord.

Geheel genomen straalt de muziek een buitenaardse, kosmische sfeer uit. Een aura van surrealisme met thematische ontwikkelingen met verrassende wendingen vindt plaats. De “muzikale kleuren” behoeven eigenlijk niet eens te worden ondersteund door de door Skrjabin voorziene "visuele kleuren". Qua gehoor ligt Prometheus tussen Igor Stravinsky’s Le Sacre du printemps, - een werk geschreven ten tijde van Prometheus – en de eerste 12-toons werken.

Bronnen[bewerken]