Symfonie nr. 6 (Tsjaikovski)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Symfonie nr. 6
Componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski
Soort compositie Symfonie
Gecomponeerd voor Symfonieorkest
Toonsoort b mineur
Opusnummer 74
Gecomponeerd in februari tot augustus 1893
Première 28 oktober 1893
Opgedragen aan Vladimir Davydov
Duur ca. 45 minuten
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

Symfonie nr. 6 in b mineur, Pathétique, opus 74 is de laatste symfonie van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, en tevens zijn laatst voltooide werk. Tien dagen na de première, die hij zelf dirigeerde, stierf de componist. Tsjaikovski was zeer tevreden over zijn werk. Hij beschouwde de Pathétique als zijn beste werk.[1] Hij droeg de symfonie op aan zijn neef Vladimir Davydov.

Achtergrond[bewerken]

De zesde symfonie kan in zijn geheel beschouwd worden als een emotioneel geladen stuk, waarin klagende melodielijnen soms abrupt worden afgewisseld met heftige passages, of delen die aan een wals doen denken. De naam Pathétique is het Franse woord voor "tragisch". Het verwijst in eerste plaats naar de achtste pianosonate van Ludwig van Beethoven. In de eerste maten van de symfonie zijn motieven van deze pianosonate te herkennen.

Instrumentatie[bewerken]

De symfonie is geschreven voor een bezetting van 3 fluiten (waarvan een dubbelt op piccolo), 2 hobo’s, 2 klarinetten, 2 fagotten, 4 hoorns, 2 trompetten, 3 trombones, tuba, pauken, bekkens, grote trom, tamtam (ad libitum), eerste en tweede violen, altviolen, cello's en contrabassen. Soms wordt een basklarinet gebruikt om de fagotsolo in het eerste deel te spelen die met pppppp wordt aangeduid, om zo de gewenste zachtheid van het geluid te bereiken.

Delen[bewerken]

De compositie kent vier delen:

  1. Adagio - Allegro non troppo
  2. Allegro con grazia
  3. Allegro molto vivace
  4. Finale: Adagio lamentoso

Het eerste deel begint als een rustig adagio. Halverwege, na een korte fagotsolo waarvan de laatste noten worden aangeduid met pppppp, barst het gehele orkest plots uit in fortissimo en begint het allegro van het eerste deel. Het tweede deel doet als een wals aan, en is geschreven in een ongebruikelijk tempo van 5/4. Deel drie, is zoals het al aangeeft, een levendig deel met soms kenmerken van een mars. Dit deel eindigt in een extatische uitbarsting van het gehele orkest met veel koperblazers en percussie. Het is daarom niet ongebruikelijk dat er na dit deel, tegen de ongeschreven wetten in, wordt geapplaudisseerd. Het vierde deel is een langzaam en aangrijpend deel, waarin het lijden van Tsjaikovski zelf als het ware doorklinkt. Met een serie dalende noten van de strijkers begint het als een klaagzang. Gedurende dit deel is er een hartslag hoorbaar, gespeeld door afgewisseld blazers of de contrabassen. Na een korte opleving luidt een zachte slag op de tamtam het noodlot in. De muziek sterft langzaam maar zeker uit. De hartslag, gespeeld door de contrabassen, vertraagt en dooft uit, waarmee de symfonie op een zeer kalme maar indringende wijze eindigt.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties