T.S. Eliot

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
T.S. Eliot
T.S. Eliot, gefotografeerd door Lady Ottoline Morrell (1934)
T.S. Eliot, gefotografeerd door Lady Ottoline Morrell (1934)
Algemene informatie
Volledige naam Thomas Stearns Eliot
Geboren 26 september 1888, Saint Louis (Missouri)
Overleden 4 januari 1965, Londen
Land Verenigde staten, Verenigd Koninkrijk
Werk
Genre Poëzie, essays, toneel
Bekende werken Prufrock and other Observations
The Waste Land
Four Quartets
Ash Wednesday
Selected Essays, 1917-1932
Murder in the Cathedral
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Thomas Stearns Eliot (Saint Louis (Missouri), 26 september 1888Londen, 4 januari 1965) was een Amerikaans-Brits dichter, toneelschrijver en literatuurcriticus. Hij was een van de belangrijkste figuren uit de wereld van de literatuur van de 20e eeuw, een van de grootste vernieuwers van de poëzie, en kreeg in 1948 de Nobelprijs voor de Literatuur.

Levensloop[bewerken]

Eliot werd geboren als zoon van Henry Ware Eliot en Charlotte Champe Stearns. Zijn grootvader van vaderskant, William Greelleaf Eliot, was de stichter van een unitaristische kerk in St. Louis en oprichter van de Washington University. Zijn vader was een rijke zakenman, zijn moeder was een dichteres en sociaal werker. Door een dubbele hernia was Eliot niet in staat om zware fysieke inspanningen te leveren. Na zijn middelbare school volgde Eliot een voorbereidingsjaar aan Smith's Academy, waar hij Oudgrieks, Latijn, Frans en Duits leerde. Hier schreef hij zijn eerste gedicht 'Fable For Feasters'. Van 1906 tot 1909 studeerde hij letteren en filosofie in Harvard, waar hij colleges wijsbegeerte volgde bij George Santayana, Irving Babbit, William James en Josiah Royce.

In 1908 ontdekte Eliot Arthur Symons' 'The Symbolist Movement in Literature' (1899). Door dit werk maakte hij kennis met de poëzie van Jules Laforgue, Arthur Rimbaud en Paul Verlaine. Deze dichters zouden een beslissende invloed op hem uitoefenen. Tijdens zijn studie publiceerde hij enige gedichten in The Harvard Advocate en raakte hij bevriend met Conrad Aiken. Later studeerde hij in Parijs aan de Sorbonne, waar hij colleges volgde bij Henri Bergson. Met Alain-Fournier las hij poëzie. In 1911 keerde hij terug naar Harvard, waar hij enige tijd Sanskriet en Pali studeerde.

Handtekening van T.S. Eliot

In 1914 kreeg hij een beurs om aan het Merton College te Oxford te studeren. Via Londen en Marburg, Duitsland, kwam hij uiteindelijk in Oxford aan. Het beviel hem matig. Aan Conrad Aiken schreef hij: 'I hate university towns and university people, who are the same everywhere, with pregnant wives, sprawling children, many books and hideous pictures on the walls ... Oxford is very pretty, but I don't like to be dead.' Na een jaar verliet hij het college weer. In 1915 trouwde Eliot met Vivienne Haigh-Wood. Het werd een ongelukkig huwelijk, mede door een hormonale aandoening van Vivienne, die hevige stemmingswisselingen veroorzaakte. Het jonge paar woonde enige tijd in het appartement van Bertrand Russell. In 1916 voltooide hij een proefschrift voor Harvard 'Knowledge and Experience in the Philosophy of F. H. Bradley', maar hij slaagde er niet in terug te keren voor zijn viva voce examen.

Na enkele jaren docent te zijn geweest aan de Highgate School en de Royal Grammar School in High Wycombe, koos Eliot voor een positie bij Lloyds Bank, op de afdeling buitenlands betalingsverkeer. Daarnaast was hij werkzaam als assistent-redacteur bij The Egoist (1917-1919). Ook begon hij een eigen tijdschrift, The Criterion (1922-1939), waarin hij in 1922 zijn gedicht The Waste Land publiceerde. Het redigeren van The Criterion leverde Eliot een indrukwekkend netwerk op, met onder anderen auteurs zoals James Joyce en Proust. Het redigeren van het tijdschrift was echter moeilijk te combineren met zijn baan op de bank. Tijd voor eigen werk was er amper nog. Pas toen hij in 1925 de bank verliet en een plaats accepteerde in de directie van de nieuwe uitgeverij Faber and Gwyer, later Faber and Faber, kwam hierin verandering.

Merton College

In 1927 trad Eliot, tot verbijstering van sommige van zijn vrienden, toe tot de Anglicaanse Kerk. Daarnaast besloot hij zijn Amerikaanse nationaliteit op te geven en hij werd Brits onderdaan. Toen de Universiteit van Harvard hem de Charles Eliot Norton-leerstoel voor het jaar 1932-1933 aanbood, vertrok hij naar de Verenigde Staten, zijn vrouw in Engeland achterlatend.

In 1933 kwam er een eind aan het huwelijk met Vivienne; met medewerking van haar familie kreeg Thomas controle over haar vermogen en liet hij haar opsluiten in een psychiatrisch ziekenhuis, waar ze de laatste negen jaar van haar leven zou slijten. Eliot zou haar tot haar dood in 1947 nog één keer bezoeken.

In 1948 won hij de Nobelprijs voor de Literatuur voor Four quartets, het werk dat Eliot zelf als zijn meesterwerk beschouwde.

In 1957 trouwde Eliot met Esmé Valerie Fletcher, die vanaf 1949 zijn secretaresse was geweest bij Faber en Faber. Het werd een gelukkig, maar kort huwelijk. Op 4 januari 1965 overleed Eliot in Londen. Zijn lichaam werd gecremeerd; de as werd overgebracht naar St. Michael's Church in East Coker, de plaats waarvandaan zijn voorouders naar Amerika emigreerden.

The Waste Land[bewerken]

T.S. Eliot getekend door Simon Fieldhouse.

In de periode tussen 1917 en 1922 schreef Eliot zijn eerste grote werken: Prufrock and Other Observations (1917), Poems (1920) en The Waste Land (1922). In deze gedichten, die doordrongen zijn van het cultuurpessimisme van na de Eerste Wereldoorlog, beschrijft Eliot het lijden, de ontluisterende ervaring van de grote stad, de onvruchtbaarheid en de uitzichtloosheid van het moderne bestaan en de absolute isolatie van ieder individu door het geestelijke en morele failliet en de verspilling van de goddelijke liefde.

The Waste Land, onder redactie van vriend en dichter-criticus Ezra Pound, kreeg onmiddellijk aandacht van de literaire kritiek en het publiek en vestigde Eliots reputatie als een belangrijk dichter. De complexe structuur en de afwezigheid van romantische lyriek betekenden een radicale breuk met de negentiende-eeuwse poëtische tradities.

In 'The Waste Land' toont Eliot een cultuur van verspilling en verval, van lusteloze en doelloze seksualiteit, van eenzaamheid en godsverduistering, kortom een cultuur die niet meer gedragen wordt door de liefde, maar door de dood. 'The Waste Land' is overladen met literaire verwijzingen en citaten. Eliot greep onder meer terug op de herinneringen van Maria Larisch, een beschermelinge van de Oostenrijkse keizerin Elisabeth, de religieuze antropologie, James George Frazers The Golden Bough, op Dantes beschrijvingen van de hel, de Franse symbolisten, zoals Charles Baudelaire, Jules Laforgue en Stéphane Mallarmé, christelijke en hindoestaanse teksten, zoals de Confessiones van Augustinus, de Pentateuch en de Bhagavad gita, op het libretto van Wagners 'Tristan und Isolde', de filosofie van F.H. Bradley, Shakespeares 'Antony and Cleopatra' en op de graallegende, zoals beschreven door Jessie Weston.

Kritische werken[bewerken]

Eliots kritische werk bestaat uit een dissertatie, Knowledge and Experience in the Philosphy of F.H. Bradley, enkele bundels kritieken en essays, waaronder The Sacred Wood (1920), After Strange Gods, For Lancelot Andrewes (1928) en Essays Ancient and Modern (1936) en On Poetry and poets (1957) , en twee cultuurfilosofische studies, het onvoltooid gebleven The Idea of a Christian Society (1939) en Notes Towards the Definition of Culture (1948). Zijn essays zijn grofweg te verdelen in drie groepen: essays over de literatuur in het algemeen, met onder meer Tradition and individual talent, The Use of Poetry and the Use of Criticism, Religion and Literature en What is a Classic, beschouwingen over individuele schrijvers onder wie Philip Massinger, Dante Alighieri, John Milton, de "Metaphysical poets" (John Donne, George Herbert, Henry Vaughan), Andrew Marvell, Percy Bysshe Shelley, William Blake, Matthew Arnold, Lord Alfred Tennyson, Charles Baudelaire, William Butler Yeats en James Joyce, en filosofische opstellen over het humanisme en het christendom, onder meer over Blaise Pascal, Francis Herbert Bradley, Irving Babbit, Lancelot Andrewes en John Bramhall. Zijn essays en kritieken, die algemeen worden gezien als de belangwekkendste bijdragen uit het Engelse taalgebied aan de literatuurreceptie van de 20e eeuw, hebben een diepgaande invloed uitgeoefend op het denken over de relatie tussen religie, cultuur en literatuur, en leidden tot de herziening van de Engelse literaire canon. Dichters als Donne en Herbert, die voordien als 'minor poets' werden beschouwd, ondergingen een grondige herwaardering en werden opnieuw op de literaire kaart gezet, en gevestigde literaire grootheden als Milton en Shelley werden bekritiseerd op hun soms gebrekkige metrum en taalgebruik. Zijn cultuurfilosofische studies, met name Notes towards a Definition of Culture, hebben veel waardering en navolging gevonden bij denkers als F.R. Leavis, Roger Scruton en George Steiner.

Literatuuropvatting[bewerken]

In zijn essays verwerpt Eliot de l'art pour l'art-gedachte. In een essay Religion and literature stelt hij dat de scheiding tussen theologische en literaire opvattingen een kunstmatige is. Lezers die de Engelse vertaling van de Bijbel beschouwen als een monument van Engels proza, vergeten dat de Bijbel niet door zijn literaire kwaliteiten een blijvende invloed op het Engels kon hebben, maar doordat het het Woord van God is. Mensen die klassieke historische of filosofische werken alleen om hun literaire waarde lezen, noemt hij parasieten. Hij is van mening dat de waarde van literaire werken niet enkel vastgesteld kan worden aan de hand van literaire maatstaven. Literaire kritiek moet altijd aangevuld worden door theologische kritiek. Literatuur is, zo stelt hij, nooit amoreel. Hij doelt hier niet enkel op godsdienstige of devotionele literatuur. Juist de werken die geschreven zijn ter vermaak kunnen de wijze waarop we in de wereld staan het meest beïnvloeden. In zijn beroemde essay Notes Towards a Definition of Culture (1948) stelt Eliot dat de dominante kracht achter een cultuur de religie is. In het geval van de Westerse cultuur is dat het christendom. Hij doelt hier niet in de eerste plaats op het kerkelijk leven, maar op een gemeenschappelijk referentiekader. Alleen binnen de christelijke cultuur hebben onze kunsten en ons recht zich kunnen ontwikkelen, alleen een christelijke cultuur heeft mensen als Friedrich Nietzsche en Voltaire kunnen voortbrengen. Door het christendom kunnen we ons zinvol verhouden tot de klassieke wereld. Wanneer het christendom wegvalt, zal de gehele cultuur ineenstorten.

Een dichter, zo stelt Eliot in zijn essay 'Tradition and individual talent', heeft zich altijd te verhouden tot de traditie; het werk van een dichter kan alleen beoordeeld worden in vergelijking met de werken uit het verleden. Een dichter moet dus over een historisch bewustzijn beschikken. Dit bewustzijn, dat niet alleen geërfd wordt, maar verworven moet worden, is een bewustzijn van het tijdloze en tijdelijke, het is een visie op het verleden en het heden waarin het verleden zich voordoet ('the conscious present is an awareness of the past in a way and to an extent which the past awareness of itself cannot show'). De dichter weet dat kunst geen vooruitgang of verbetering kent, maar steeds nieuwe vormen aanneemt. Hij moet niet zoeken naar nieuwe menselijke emoties, veroorzaakt door bijzondere gebeurtenissen in zijn leven, maar bekende emoties tot poëzie maken om onpersoonlijke gevoelens uit te drukken die in het geheel niet aanwezig zijn in werkelijke emoties uit het leven van de dichter. Zijn eigen emoties zijn ondergeschikt aan de emoties van de cultuur waarvan hij deel uitmaakt.

I have said before
That the past experience revived in the meaning
Is not the experience of one life only
But of many generations.

Dit betekent niet dat de dichter zich volledig moet conformeren aan het verleden. Wanneer hij dit zou doen, zou zijn werk niet langer 'nieuw' zijn en zou het geen kunstwerk meer zijn. Zijn conformisme beweegt zich tussen het oude en nieuwe.

Het christelijk geloof[bewerken]

T. S. Eliot in 1923 door Lady Ottoline Morrell.

Tijdens een bezoek aan Rome verrast hij zijn vrienden door in de Sint-Pietersbasiliek op zijn knieën te vallen voor de Pietà van Michelangelo. Tijdens een gesprek met Virginia Woolf had hij de noodzaak van het gebed naar voren gebracht als een manier om zich 'te concentreren, zichzelf leeg te maken en zich te verenigen met God.'. Tegen Constantine FitzGibbon had hij gezegd dat dat gebed het lijden betekenis geeft.' In Criterion benadrukt hij de betekenis van het sacrament van de biecht. In 1927 vraagt hij in het geheim een vriend, de dichter, diplomaat en kapelaan van het Worcester College in Oxford: William Force Stead, hem te begeleiden. In hetzelfde jaar ontvangt Eliot het doopsel in de Finstock kerk in de Cotswolds. De volgende dag krijgt hij van de bisschop van Oxford Thomas Banks het heilig vormsel in de Anglicaanse kerk toegediend.

In het anglicanisme zag Eliot een formele synthese van het rooms-katholicisme en de sociale, monarchale en politieke tradities van Engeland, tussen universalisme en plaatselijkheid, het tijdloze en het tijdelijke:

But to apprehend
The point of intersection of the timeless
With time, is an occupation for the saint—

Met name de anglo-katholieke beweging (Higher Church) binnen de anglicaanse kerk, met haar hoge katholieke kerkbegrip, apostolische missie en de sacramenten spreekt hem aan. Zij verzekeren in zijn ogen de continuïteit van een historische en rituele gemeenschap. In de dogmatiek herkent hij de objectiviteit en discipline. Eliot bleef zich daarom aanduiden als 'Engels katholiek'. Het christelijk geloof zal een belangrijke plaats in gaan nemen in zijn literaire werk, zoals in Four Quartets, Ariel Poems en Ash Wednesday. In het laatste gedicht komt een variatie voor van de Litanie van de heilige Maagd Maria:

Lady of silences
Calm and distressed
Torn and most whole
Rose of memory
Rose of forgetfulness
Exhausted and life-giving
Worried reposeful
The single Rose
Is now the Garden

Ook zijn Four Quartets bevat een gebed tot de heilige Maagd:

Repeat a prayer also on behalf of
Women who have seen their sons or husbands
Setting forth, and not returning:
Figlia del tuo figlio,
Queen of Heaven.

In zijn poëzie en proza zal het werk van bisschop Lancelot Andrewes, Johannes van het Kruis, John Donne en Juliana van Norwich een plaats in gaan nemen. Aan de preken van eerstgenoemde wijdt hij een beroemd geworden essay, waarin hij schrijft: 'Andrewes' emotie is zuiver contemplatief; het is niet persoonlijk, het is volledig opgeroepen door het object van contemplatie.' Ook de preken van John Henry Newman bewondert hij zeer. In 'The idea of a christian Society' stelt hij dat religie, in tegenstelling tot het moderne heidendom, een leven in overeenstemming met de natuurlijkheid veronderstelt. Het christelijk geloof is, volgens Eliot, het enige wapen tegen een 'totalitarian wordliness.'

Latere werken[bewerken]

St John’s Church, Little Gidding

In Eliots latere werk, na zijn bekering tot de Anglicaanse Kerk in 1927, nam hij meer en meer afstand van de enigszins oppervlakkige religieuze antropologie en het cultuurpessimisme die The Waste Land kenmerkten, en werd zijn poëzie nadrukkelijk christelijk van karakter. In een essay verklaarde hij anglo-katholiek te zijn in de godsdienst, een classicist in de literatuur en een royalist in de politiek. In deze periode publiceerde hij The Hollow Men, Journey of the Magi (1927), A Song for Simeon (1928), Animula (1929), Marina (1930), Ash-Wednesday (1930)', en zijn magnum opus Four Quartets (1943)'. Dit laatste gedicht, dat de sporen draagt van Augustinus, Dante, Johannes van het Kruis, het boek Prediker en het Nieuwe Testament, bestaat uit vier gedichten, die elk gewijd zijn aan een van de vier elementen. De titels van de gedichten verwijzen naar plaatsen die een bijzondere plaats in Eliots leven speelden; Burnt Norton, East Coker, The Dry Salvages en Little Gidding. Elk gedicht is opgedeeld in vijf canto's. Elk bevat een theologisch-filosofische meditatie over het wezen van de tijd. Het gedicht kan worden beschouwd als een christelijke odyssee, een mystieke zoektocht en terugkeer vanuit het tijdelijke naar de eeuwige tijd in God. Een heel eigen plaats in zijn oeuvre nemen de katten-gedichten in, die Eliot geschreven heeft voor zijn vrienden: Old Possum's Book of Practical Cats. Deze gedichten liggen aan de basis van de musical Cats.

Toneelwerken[bewerken]

Eliot schreef ook voor toneel, waarvan de belangrijkste stukken Murder in the Cathedral, dat gewijd is aan de moord op Thomas Becket (1935), The Family Reunion (1939), het versdrama The Cocktail Party (1949), The Confidential Clerk (1953) en The Elder Statesman (1958) zijn.

Invloed[bewerken]

De poëzie van Eliot heeft een diepgaande invloed uitgeoefend op de poëzie van de 20e eeuw. Dichters als W.H. Auden, Stephen Spender, Wallace Stevens, en in Nederland Martinus Nijhoff, hebben zijn invloed ondergaan. Laatstgenoemde vertaalde onder andere 'The Lovesong of J. Alfred Pruffrock' en 'the Journey of the Magi' uit de Ariel Poems.

Figuur in romans[bewerken]

Eliot en zijn 'Four Quartets' spelen belangrijke rollen in het romandebuut 'De Archivaris' van Martha Cooley.

Bibliografie[bewerken]

  • Prufrock and other Observations, 1917
  • Poems, 1919
  • The Sacred Wood, 1920
  • The Waste Land, 1922 (vertaling in 2007 door Paul Claes, met commentaar en nawoord: Het barre land)
  • Hommage to John Dryden, 1924
  • The Hollow Men, 1925
  • Poems, 1925
  • Shakespeare and the Stoicism of Seneca, 1928
  • For Lancelot Andrewes, 1928
  • Ash Wednesday, 1930
  • Sweeney Agonistes, 1932
  • The Use of Poetry and the Use of Criticism,1933
  • After Strange Gods, 1934
  • Elisabethan Essays, 1934
  • The Rock, 1934
  • Murder in the Cathedral, 1935
  • Essays Ancient and Modern, 1936
  • Collected Poems, 1936
  • Old Possum's Book of Practical Cats, 1939
  • The Family Reunion, 1939
  • The Idea of a Christian Society, 1940
  • Four quartets, 1943
  • Notes Towards a Definition of Culture, 1948
  • Cocktail Party, 1950
  • Poetry and Drama, 1953
  • The Confidential Clerk, 1953
  • The Three Voices of Poetry, 1954
  • The Elder Statesman, 1959
  • Collected Poems, 1909-1962 1963