Taalverwerving
Het begrip taalverwerving verwijst doorgaans specifiek naar het verwerven van taalvaardigheden door kinderen.
Het betreft hier een cognitief leerproces. Het kind verwerft een bepaalde moedertaal dankzij zijn naaste omgeving, inclusief bepaalde eigenaardigheden (bijvoorbeeld lispelen) of dialectvormen. De opvoeders spelen de belangrijkste rol in dit leerproces, dat moet plaatsvinden gedurende circa de eerste zes levensjaren van het kind. Op latere leeftijd komt de verwerving van een taal namelijk veel moeizamer tot stand, en wordt het spreken van meer dan één taal zonder enige vorm van interferentie uitermate moeilijk. Klaarblijkelijk verdwijnt het aangeboren vermogen tot meertaligheid dus geleidelijk vanaf het zesde levensjaar. Waarom dit precies zo is, is (nog) niet bekend.
Kinderen die in een 'taalloze' omgeving opgroeien, bijvoorbeeld wolfskinderen, zijn later slechts in staat om zeer moeizaam en gebrekkig een taal te verwerven. Kaspar Hauser en Victor van Aveyron zijn hiervan de bekendste voorbeelden.
Zowel het weergeven van de inhoud van de taal (betekenis) als de klankproductie (uitspraak) moeten geoefend worden. In de literatuur en het spontane spraakgebruik ontmoet men nog vaak de term taalontwikkeling, deels omdat men vooral vroeger meende dat de taal zich 'vanzelf' ontwikkelt, alsof er een soort aangeboren programma bestaat dat wordt afgewerkt. (Zie onder meer Noam Chomsky.) Onderzoek toonde aan dat taal(verwerving) in de hersenen door duidelijk lokaliseerbare modules ondersteund wordt.
Meestal onderscheidt men volgende fasen in de taalverwerving:
- prelinguale periode, circa eerste levensjaar: vocaliseren, frazelen, brabbelen. Hoewel het hier nog om onverstaanbare klanken gaat, blijkt er toch verschil te bestaan tussen brabbelaars. Computeranalyse van klankproducties onderscheidt typisch Nederlands gebrabbel van soortgelijke gebrabbel in andere talen. Zelfs het verschil tussen een Limburgse en een Hollandse baby is al vanaf ongeveer de zevende maand hoorbaar.
- vroeglinguale periode, tot circa twee en een half jaar: herkenbare woorden.
- eenwoordfase
- tweewoordenfase
- meerwoordenzin
- verrijkings- of differentiatiefase tot aan de lagereschoolleeftijd. Vooral de uitbreiding van de woordenschat van circa 300 naar circa 3000 woorden vindt dan plaats.
- voltooiingsfase
Na ongeveer het zesde levensjaar heeft het kind dus de taal grotendeels onder de knie. Tempo en kwaliteit van taalverwerving verschillen van kind tot kind. Doorgaans ontwikkelen meisjes hun taalvaardigheid iets vlotter en eerder dan jongens. Tweelingen lopen meestal iets achter, omdat zij onderling een apart taaltje ontwikkelen. Het ontwikkelen van dit taalvermogen verloopt in nauwe wisselwerking met andere ontwikkelingen van het kind: lichamelijk, psychologisch, sociaal, intellectueel, emotioneel, enzovoort. Er kan in de taalontwikkeling wel eens iets fout gaan. Een vertraagde taalontwikkeling is dikwijls symptoom van een ander gebrek.
Om objectief te kunnen vaststellen in hoeverre een taalverwerving vertraagd verloopt, werden wetenschappelijke tests en observatieschalen ontwikkeld. In Vlaanderen is de Reynell Taalontwikkelingsschaal daarvoor algemeen, in Nederland wordt de Utrechtse Taalniveautest vaak toegepast.
Literatuur [bewerken]
- Anne Marie Schaerlaekens De taalontwikkeling van het kind, Een oriëntatie in het Nederlandstalig onderzoek. Groningen, Wolters-Noordhoff, 1977 (ISBN 90 01 83590 2). Herwerkte en geactualiseerde uitgave 2008 (ISBN 978-90-01-70947-1)
- S.M. Goorhuis-Brouwer en A.M. Schaerlaekens, Handboek taalontwikkeling, taalpathologie en taaltherapie bij Nederlandssprekende kinderen. Uitgeverij De Tijdstroom, Utrecht, 1994. ISBN 90-5898-004-9. 2000-2001, 2e geheel herziene en uitgebreide druk.
(De auteurs waren ten tijde van de redactie van dit boek respectievelijk verbonden aan de Universiteit Groningen en de Katholieke Universiteit Leuven.)