Tachtigers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tachtigers. Van links naar rechts Willem Versluys, Hein Boeken, Annette Versluys-Poelman, Charles van Deventer, Mieb Pijnappel en Willem Kloos. Foto Willem Witsen.

De Tachtigers vormden een vernieuwende beweging binnen de Nederlandse literatuur die van ca. 1880 tot 1894 bestond. In het werk van deze auteurs kwamen het impressionisme en naturalisme sterk naar voren. De Tachtigers zijn vooral van belang vanwege de vernieuwing die zij aanbrachten in de poëzie (dichtkunst). De beweging moet worden beschouwd als een late voortzetting van en tevens een sterke kritiek op het werk uit de Romantiek, de periode die er direct aan vooraf was gegaan.

De bekendste Tachtigers zijn: Willem Kloos, die min of meer optrad als de voorman van de beweging, Hélène Swarth, Albert Verwey, Alphons Diepenbrock, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel, Frans Erens en Herman Gorter. De jong overleden Jacques Perk, wiens sonnetten door Kloos werden uitgegeven, was voor hen het grote voorbeeld.

Voorafgaande periode[bewerken]

Het Nederland van halverwege de negentiende eeuw behoorde tot de culturele achterhoede van Europa. De vloedgolf van de romantiek had nauwelijks een rimpeling in zijn zelfgenoegzame materialisme weten te brengen. Het naturalisme dat in Frankrijk opgang maakte, werd categorisch afgewezen. Stendhal werd als cynisch en zedenloos bestempeld[1] en Gustave Flauberts meesterwerk Madame Bovary (1857) werd door criticus-schrijver Jan ten Brink in De Nederlandsche Spectator met de grond gelijk gemaakt. "De eindindruk van Flauberts eerste roman", zo schreef hij, "is daarenboven, ondanks zijn buitengewone talent van waarneming en analyse, teleurstellend en beledigend voor het zedelijk gevoel".[2]

De Nederlandse literatuur tussen 1860 en 1880 kan gekenmerkt worden als realistisch, met een sterk moralistische inslag. Een enkel werk van Piet Paaltjens en Conrad Busken Huet wellicht daargelaten, leidde het doorgaans tot vrij zielloze literatuur die de tand des tijds dan ook nauwelijks zou doorstaan. De literaire kritiek uit die dagen, met De Nederlandsche Spectator en De Gids als belangrijkste spreekbuizen, was sterk conservatief en onderwierp elke vernieuwing die uit het buitenland kwam aan een christelijk-moralistische toets. De Nederlandse literatuur bracht in die periode maar één literair werk van formaat voort, de roman Max Havelaar (1860) van Eduard Douwes Dekker, een aanklacht tegen de misstanden in het koloniale Nederlands-Indië.

Afkeer van de oude wereld[bewerken]

Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,
Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;
Naast u aanbidde de aarde geen andren god!

Uit Deine Theos, Mathilde-cyclus Jacques Perk (1879).

In het laatste kwart van de eeuw begonnen de nieuwe golven van het impressionisme, wagnerisme en naturalisme ook de Nederlandse kust te overspoelen en was er een duidelijk literair ontwaken op til, welke uiteindelijk zou cumuleren in de "beweging van tachtig".

Een groep jonge studenten en kunstenaars, geboren tussen 1855 en 1865, voornamelijk afkomstig uit Amsterdam en omgeving, vonden elkaar in de afkeer van de Victoriaanse wereld die Alphons Diepenbrock later zou beschrijven als "de afschuwelijke vulgariteit van de bureaucratenwereld der 'letterkundigen' in wier midden De Gids als een wonder verscheen". Diversen van hen, waaronder Kloos, Perk, Timmerman, Van der Goes, Gorter en iets later Verwey, stonden onder invloed van de classicus en humanist Willem Doorenbos, die hun leraar was geweest aan de HBS.[3]. De meesten van hen studeerden klassieke letteren. Ze verfoeiden de dorre wetenschapsbeoefening zoals zij die doorgaans aan de universiteit gedemonstreerd kregen: "Belehrung ohne Belebung", bergen van feitelijkheden zonder dat duidelijk werd waar die kennis toe diende.

Evenzeer verachtten ze het zelfgenoegzame deftig-doen van de generatie voor hen: in de dagelijkse omgang maar ook in het intellectuele verkeer, op papier. Zij walgden van het veelgelezen zwak-romantische gerijmel van burgerlijke domineedichters als Nicolaas Beets, Bernard te Haar, J.J.L. ten Kate en Eliza Laurillard, waarin godsdienst en huiselijkheid als idealen werden bezongen. Onnatuurlijke volzinnen met een beleefde aanvoegende wijs ("moge ook menigeen een ogenblik denken...") en een fatsoenlijke zucht tot een betweterig gelijk hebben ("toch zal eenieder met mij ervan overtuigd zijn dat...") vervulden het met wrok. De christelijke grondhouding werd volledig losgelaten. Er was een afkeur van pedante diepzinnigheid en een pleidooi voor gezond verstand. Christelijke godsdienstigheid, waarvan de literaire wereld tot aan die tijd diep doortrokken was, werd doorgaans afgewezen. Gezocht werd naar een nieuwe levensstijl, te creëren "uit het niets".[4]

Nieuwe geluiden[bewerken]

Jacques Perk

Rond 1880 werden de eerste geluiden van vernieuwing manifest. Opvallend genoeg kwamen die eerste geluiden niet alleen van de nieuwe generatie, maar ook van de "oude garde". Busken Huet hield in 1879 een serie positieve lezingen over John Keats, van Potgieter werden postuum Studies en schetsen gepubliceerd met hoge lof voor Percy Shelley en de eerder zo conservatieve Ten Brink schreef een biografie van de binnen de kringen van De Gids nog altijd sterk verguisde Emile Zola.

Markerend en controversieel waren de eerste werken van de nieuwe lichting literatoren, die zich later de "Beweging van Tachtig" zouden noemen. Deze nieuwe generatie kunstenaars, dichters vooral, werd vooral verbonden door een gezamenlijke droom van schoonheid. L'art pour l'art werd het credo, de liefde een centraal thema. Hun geluiden waren sterk sprookjesachtig en esthetisch van toon, en sloten nauw aan bij de Engelse romantiek. Emants publiceerde zijn hoog geprezen romantische gedicht Lillith, Kloos en Jacques Perk schreven hun eerste sonnetten, sterk onder invloed van Shelley. De aanvankelijke afwijzing van Perks beroemde gedicht Iris door De Gids[5] werd later door de Tachtigers gecultiveerd als schoolvoorbeeld van de het "botte conservatisme" van de oude generatie die het in het binnen de literaire wereld nog altijd toonaangevende blad voor het zeggen had.[6] De vroegtijdige dood van Perk in 1881, 22 jaar oud, zou de band tussen diverse jonge schrijvers eens te meer versterken. Bij een uitgave van Perks gedichten uit 1882 zou Kloos een inleiding schrijven ("waar hij stormt en juicht, waar hij mijmert en weent; eenzaam met zijn ziel onder de blauwe eindigheid") welke uiteindelijk als een soort van eerste manifest van de Tachtigers zou gaan gelden.

Flanor[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Flanor (Tachtigers) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Als er op Flanor over iets wordt geredetwist,
dan zegt Kloos:
'Ja, zie je, je kunt wel gelijk hebben, maar Shelley...!'
Van der Goes zegt: '...maar Shakespeare...!'
Verwey zegt: '...maar Keats...!'
Karel Thijm: '...maar Zola...!'
Erens: '...maar Baudelaire...!'

F. Erens – Vervlogen jaren (ed. 1989) p. 188.

Belangrijk in de ontwikkeling van de Tachtigers was de oprichting van het literair dispuut Flanor, in 1881, door Frank van der Goes. Andere leden waren Frederik van Eeden, Willem Kloos en Willem Paap, maar ook de schrijvers Hein Boeken, Frans Erens, Lodewijk van Deyssel en Albert Verwey gaven regelmatig acte de presence tijdens de bijeenkomsten, evenals de schilders Jacobus van Looy, Jan Pieter Veth, Willem Witsen en Gerard Muller.

Het doel van het genootschap was "het beoefenen van fraaie letteren, het bevorderen van haar bloei en het houden van gedachtewisselingen op dit terrein en op andere terreinen van kunst en wetenschap".[7] Op de werkvergaderingen hielden leden van het genootschap causerieën en werden debattechnieken geoefend. Een lid droeg voor uit eigen werk, dat vervolgens door de anderen werd beoordeeld.[8] Nadat Van Eeden bijvoorbeeld in 1882 in het maandblad Nederland debuteerde met het leesdrama Het Rijk der Wijzen, werd deze 'dramatische idylle' in hetzelfde jaar ook voorgelezen bij Flanor.[9]

Ook buitenlandse literatuur kwam natuurlijk uitgebreid aan de orde, met een voorliefde voor pure lyriek, met name van Baudelaire en de Engelse romantici. Maar ook proza kwam aan de orde, bijvoorbeeld de naturalistische romans van Zola en Balzac, die zich niet alleen richten op het beschrijven van de wereld zoals zij was, maar met name ook geïnteresseerd waren in hoe het met de dingen zo was gekomen.

De Nieuwe Gids[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie De Nieuwe Gids (Nederland) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten
Willem Kloos.

Omdat ze hun werk moeilijk geplaatst kregen in bestaande literaire bladen zoals De Gids, richtten de Tachtigers in 1885 hun eigen tijdschrift op dat De Nieuwe Gids heette en de spreekbuis van de beweging werd. De oprichters, eerste redacteuren en eigenaren waren Frederik van Eeden, Frank van der Goes, Willem Kloos, Willem Paap en Albert Verwey.

De Nieuwe Gids werd als naam gekozen om aan te geven dat het oude tijdschrift De Gids voor hen had afgedaan. De Nieuwe Gids was echter niet alleen een tijdschrift van dichters en schrijvers. Naast de literaire vernieuwing door de Tachtigers hebben beschouwingen over wetenschap, maatschappij en politiek evenzeer het gezicht van het tijdschrift bepaald.

Het eerste nummer van De Nieuwe Gids bevatte onder meer een aantal hoofdstukken uit De kleine Johannes door Frederik van Eeden. Latere nummers uit de eerste jaargangen bevatten veel belangrijke publicaties: De Kleine Johannes werd in zijn geheel opgenomen, verder Willem Kloos' sonnettenreeks Het Boek van Kind en God en het eerste boek van Herman Gorters Mei (februari 1889). Henriette Roland Holst (toen nog Henriette van der Schalk) debuteerde in 1893 in de 5e aflevering van de 8e jaargang met zes sonnetten.

Kenmerken[bewerken]

Jac van Looy: Cafe, ca. 1890, geïnspireerd door het impressionisme.

De Tachtigers ontketenden een heuse revolutie in de Nederlandse literatuur. De oude literatuur werd afgedankt. De kunst had genoeg aan zichzelf.

De nieuwe literatuur moest echter ook nieuwe vormen vinden. Met name in de taal werd door de Tachtigers gezocht naar vernieuwing. Het introduceren van spreektaal en grove taal was daarbij niet voldoende. Er moest ook een taal gemaakt worden die de kleine nuances van impressies aankon. Als literatuur "de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie" is, zoals Kloos schreef, dan hoorde daar ook een allerindividueelst woordgebruik bij. Dat werd de zogenaamde `woordkunst’ met veel nieuwvormingen (neologismen) en ongebruikelijke koppelingen. Clichés waren uit den boze ten gunste van oorspronkelijkheid in beeldspraak en zeggingskracht. L'art-pour-l'art. Het ging vooral om de impressie en de schoonheid. Het opkomende literaire impressionisme leende zich uitstekend voor hun "mooischrijverij".

De Tachtigers verlieten ook het 'nutsprincipe' van de kunst: de kunst heeft bij uitstek een esthetische functie en was geen kapstok om er een "nuttige" boodschap aan op te hangen. Hun literatuur was wel het tegengestelde van geëngageerde kunst. Ze hielden zich niet bezig met nijpende actuele problemen, namen geen standpunten in. Integendeel, hun persoonlijke gemoedsgesteldheid is hun belangrijkste thema, individualistische kunst dus. Het accent ligt minder op religieuze overgave dan op het 'aanbidden' van de schoonheid.

Voor het overige hebben de Tachtigers een aantal kenmerken met de romantici gemeen: individualisme, opstandigheid, natuurliefde. Een begrip dat van toepassing is op enkele werken van de Tachtigers is epifanie, de beschrijving van een ervaring waarbij zich plotseling een soort wonder openbaart.

Aan de Tachtigers verwante romanschrijvers als Louis Couperus en Marcellus Emants werden sterk beïnvloed door het naturalisme.

Kunstschilders, die zich ook in behoorlijke getale onder de Tachtigers bewogen (Van Looy, Witsen, Veth, Karsen), lieten zich vooral inspireren door het impressionisme. Mede onder invloed van de schilders van de Haagse School werden de oude principes van de zeventiende-eeuwse schilderkunst verlaten.

Hoofdprincipes[bewerken]

O Man van Smarte met de doornenkroon,
O bleek bebloed gelaat, dat in den nacht
Gloeit als een grote, bleke vlam, - wat macht
Van eindloos lijden maakt uw beeld zo schoon.

Albert Verwey, Christus-sonnet..

De principes van de Beweging van Tachtig kunnen als volgt worden samengevat:

  1. estheticisme: verheerlijking van de schoonheid;
  2. l'art pour l'art: kunst om de kunst; de kunst dient geen ander doel dan kunst te zijn: "All art is quite useless" (Oscar Wilde);
  3. individualisme: kunst als de "allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie" (Willem Kloos);
  4. eenheid van vorm en inhoud: dit in tegenstelling tot het eerdere principe dat elke uitdrukking een 'gewone' en een 'artistiek verantwoorde' vorm kon hebben;
  5. de waarneembare werkelijkheid als uitgangspunt: leidend tot realisme, naturalisme en sensitivisme (het streven om zoals Gorter het zegt "dat wat je zintuiglijk doorleefde met uitschakeling van den geest onmiddellijk te verklanken" in lyrische poëzie);
  6. daaruit logisch voortvloeiend de eis van originaliteit en het mijden van geijkte clichés.

Het einde van de Tachtigers[bewerken]

Van Deyssel:
"De beslissing om alle zaken aan de meerderheid op te dragen,
is de dood van de persoonlijkheid, van het intellect en de kunst,
van alles wat de mensheid tot nu toe aan hoogs bereikt heeft".

Van de Goes:
"Het aller lelijkste wat er in de wereld bestaat,
is een door armoe verteerd volk,
en dat willen de socialisten verhelpen".'

Cf. Comljon, pag. 303-306.

Al snel kwamen er onder de Tachtigers en met name in de redactie van De Nieuwe Gids onenigheden over kwesties van artistieke, politieke en ethische aard. De groep kreeg al snel onderling ruzie en viel uiteen, met name omdat het principieel afwijzen van engagement voor veel leden van de beweging niet houdbaar bleek. Vanaf het begin waren er feitelijk twee stromingen herkenbaar geweest onder de leden van de Tachtigers: de overheersende kunstopvatting was elitair en individualistisch, met de apolitieke Kloos als belangrijkste exponent. Geleidelijk tekende zich echter ook een andere groep af, onder aanvoering Van der Goes, die pleitten voor een meer rechtvaardige, socialistische maatschappij. Binnen hun ideeën stond het collectivisme centraal en werd aangesloten bij de gedachten van de opkomende arbeidersbeweging.

In de loop van de vijfde jaargang van de Nieuwe Gids begon deze tweedeling de leden uiteen te drijven. Er ontstonden in toenemende mate conflicten. Van der Goes publiceerde tussen 1889 en 1892 een reeks artikelen waarin hij betoogde dat de mensheid door de toegenomen kennis op een hoger ethisch niveau was gekomen, een ontwikkeling die in zijn ogen pas ten einde zou zijn als het gelijkheidsidee algemeen ingang had gevonden.[10] Het standpunt van Van der Goes werd aanvankelijk vooral bekritiseerd door Van Eeden, maar diens kritiek bleef aanvankelijk nog polemisch en intellectueel van aard. Toen echter ook Van Deyssel zich met de discussie ging bemoeien, via cynische en onvriendelijke reacties in De Nieuwe Gids, werd het ook persoonlijk. Als dan in 1892 ook Kloos zich met de discussie gaat bemoeien lopen de conflicten steeds hoger op. Kloos' kritiek aan het adres van Van Eeden dat zijn humanistisch-socialistische opstelling doet denken aan een nieuw soort Christendom, valt helemaal verkeerd. Als Van Eeden in februari 1892 onder de schuilnaam Lieven Nijland een stuk met scherpe zelfkritiek naar de redactie van De Nieuwe Gids opstuurt, welke -na aandringen van Van Eeden zelf- uiteindelijk ook geplaatst wordt, barst de bom nadat uitkwam wie de eigenlijke schrijver was. Het vertrouwen tussen Kloos en Van Eeden was definitief geschonden. De sfeer binnen de redactie geraakte zo op een dieptepunt, op een moment dat het aantal abonnees op een ongekende hoogte bereikte.[11]

In 1893 trok Willem Kloos de alleenheerschappij binnen de redactie van De Nieuwe Gids naar zich toe en was hij nog de enige overgeblevene van degenen die het tijdschrift waren begonnen. Het niveau daalde vervolgens snel, niet in de laatste plaats omdat het met Kloos persoonlijk, die leed aan alcoholisme en depressies, steeds slechter ging. Uiteindelijk is De Nieuwe Gids nog tot 1943 uitgegeven, maar na het uiteenvallen van de Tachtigers verdween de dynamiek en de kracht. Daarmee kwam feitelijk ook een einde aan de beweging van de Tachtigers, hoewel vele van de leden nog een lang schrijversleven voor de bogen zouden hebben.

Werken[bewerken]

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht

Beroemd geworden eerste strofe uit Gorters Mei.

Bekende voorbeelden van het werk van de Tachtigers zijn:

  • De sonnetten van Jacques Perk en Willem Kloos;
  • De Mei van Herman Gorter, uit 1889; een sensitivistisch gedicht in boekvorm bestaande uit drie 'zangen'. De Mei wordt aangeduid als "het ongeëvenaarde hoogtepunt in de poëzie van ‘80" (Garmt Stuiveling) en als "een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur" (Willem Kloos).
  • De kleine Johannes van Frederik van Eeden, hoewel Van Eedens oeuvre in bepaalde opzichten wellicht het minst typisch is voor de Beweging van Tachtig.
  • Lodewijk van Deyssel (1864-1952) (pseudoniem voor Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm) schreef (vlammende) kritieken, twee romans en een boek over het leven van zijn vader Joseph Alberdingk Thijm.
Bronnen, noten en/of referenties
  • Gerben Colmjon, De Beweging van Tachtig; een cultuurhistorische verkenning in de 19e eeuw, Utrecht/Antwerpen, 1963.
  • Enno Endt, Het festijn van Tachtig. De vervulling van heel groote dingen scheen nabij, Amsterdam, 1990.
  • Jos J. Gielen, Belangrijke letterkundige werken (III), 2e druk, Purmerend 1939.
  • Henriette Roland Holst - Herman Gorter (1933), herdrukt Nijmegen 1975, bevattende: Biografische Aanteekeningen en De schoonheid van Herman Gorter’s poëzie.
  • Martien J.G. de Jong, Honderd jaar later. Essays over schrijvers en geschriften uit de Beweging van Tachtig, Baarn, 1985.
  • H.J.M.F. Lodewick (e.a.), Literatuur (II), 24e druk, 's-Hertogenbosch 1983.
  • Henny Vrienten, Ik ween om bloemen in de knop gebroken. De Tachtigers, 1e druk, Amsterdam, 2004.
  • Jan Oosterholt, De bril van Tachtig. Het beeld van de 19e-eeuwse Nederlandse dichtkunst, Amsterdam, 2005.
  • J. Dautzenberg, Literatuur, geschiedenis en leesdossier, Den Bosch, Malmberg, 2e druk.
  • Corrado Hoorweg, Van Mathilde tot Mei. De dichters van 1880 en de vriendschapssonnetten van Jacques Perk en Willem Kloos, Baarn, 2014. ISBN 978-90-79272-38-9
  • DBNL-tekst De beweging van Tachtig, 1982

Noten:

  1. Cf. Comljon, blz. 114.
  2. Colmjon, blz. 113-114.
  3. Zie over hem: C.G.L. Apeldoorn: Dr. Willem Doorenbos, Amsterdam 1948; over zijn invloed op de Tachtigers o.a.: Corrado Hoorweg: Florilegium - Een humanistische stroming in de Nederlandse dichtkunst sinds 1880 (Baarn, 2014), pp 17 evv
  4. Endt, blz. 16-17.
  5. Officieel op grond van drie "onzuivere uitdrukkingen", die overigens direct door de dichter verholpen werden. Cf. Fabian Stolk in: Jacques Perk, Gedichten. Bert Bakker, Amsterdam 1999, pag. 152.
  6. Colmjon, blz 159 ev.
  7. Bijl de Vroe en Will 1985, p. 26
  8. Blom 2012, p. 34
  9. De Vries 1985, p. 67
  10. Cf. Comljon, blz. 303-306.
  11. Cf. Van der Veen, Eenheid en verscheidenheid, Bzzlletin 129, blz. 7-8.