Tachtigers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Tachtigers vormden een vernieuwende beweging binnen de Nederlandse literatuur die van ca. 1880 tot 1894 bestond. In het werk van deze auteurs kwamen het impressionisme en naturalisme sterk naar voren. De Tachtigers zijn vooral van belang vanwege de vernieuwing die zij aanbrachten in de poëzie (dichtkunst). De beweging moet worden beschouwd als een late voortzetting van en tevens een sterke kritiek op het werk uit de Romantiek, de periode die er direct aan vooraf was gegaan.

Geschiedenis[bewerken]

De bekendste Tachtigers zijn: Willem Kloos, die min of meer optrad als de voorman van de beweging, Hélène Swarth, Albert Verwey, Alphons Diepenbrock, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel, Frans Erens en Herman Gorter. De jong overleden Jacques Perk, wiens sonnetten door Kloos werden uitgegeven, was voor hen het grote voorbeeld.

Kenmerken[bewerken]

Het literaire impressionisme leent zich erg goed voor "mooischrijverij" en "woordkunst". In tegenstelling tot vorige generaties schrijvers schreven de Tachtigers dus vooral om louter Schoonheid te scheppen. De vele dominee-dichters die hen waren voorgegaan in de 19de eeuw gebruikten hun vele huiselijke gedichten en gelegenheidspoëzie dikwijls om er een stichtelijke boodschap mee uit te dragen. Kunst was voor hen dus een soort kapstok om er een "nuttige" boodschap aan op te hangen. De Tachtigers echter schreven "l'art pour l'art (kunst om de kunst)". Het esthetische was voor hen dus erg belangrijk.

Hun literatuur is wel het tegengestelde van geëngageerde kunst. Ze hielden zich immers niet bezig met nijpende actuele problemen. Integendeel, hun persoonlijke gemoedsgesteldheid is hun belangrijkste thema, individualistische kunst dus. Kunst was volgens Willem Kloos "de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie".

Het accent ligt minder op religieuze overgave dan op het 'aanbidden' van de schoonheid, maar voor het overige hebben de Tachtigers een aantal kenmerken met de romantici gemeen: individualisme, opstandigheid, natuurliefde. Een begrip dat van toepassing is op enkele werken van de Tachtigers is epifanie, de beschrijving van een ervaring waarbij zich plotseling een soort wonder openbaart.

Onderscheidend is dat het 'nutsprincipe' wordt losgelaten: de kunst heeft bij uitstek een esthetische functie. Daarnaast streven de Tachtigers ernaar in hun dichtwerk het gebruik van clichés achterwege te laten ten gunste van oorspronkelijkheid in beeldspraak en zeggingskracht.

De Nieuwe Gids[bewerken]

Omdat ze hun werk moeilijk geplaatst kregen in bestaande literaire bladen zoals De Gids, richtten de Tachtigers in 1885 hun eigen tijdschrift op dat De Nieuwe Gids heette en de spreekbuis van de beweging werd. In de redactie zaten onder anderen Kloos, Van Eeden, Verwey, Willem Paap, Frank van der Goes en Jacobus van Looy.

Het einde van de Tachtigers[bewerken]

De groep kreeg al snel onderling ruzie en viel uiteen, onder meer doordat het principieel afwijzen van engagement voor veel leden van de beweging niet houdbaar bleek. In 1893 was Willem Kloos de enig overgebleven redacteur van De Nieuwe Gids. Het blad is tot 1943 uitgegeven, hoewel de kwaliteit na het uiteenvallen van de Tachtigers sterk achteruit was gegaan. De laatste vijf jaren kwam De Nieuwe Gids onder leiding van Kloos' weduwe Jeanne Reyneke van Stuwe en Alfred Haighton zelfs in nationaalsocialistisch vaarwater.

Hoofdprincipes[bewerken]

De principes van de Beweging van Tachtig kunnen als volgt worden samengevat:

  1. estheticisme: verheerlijking van de schoonheid;
  2. l'art pour l'art: kunst om de kunst; de kunst dient geen ander doel dan kunst te zijn: "All art is quite useless" (Oscar Wilde);
  3. individualisme: kunst als de "allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie" (Willem Kloos);
  4. eenheid van vorm en inhoud: dit in tegenstelling tot het eerdere principe dat elke uitdrukking een 'gewone' en een 'artistiek verantwoorde' vorm kon hebben;
  5. de waarneembare werkelijkheid als uitgangspunt: leidend tot realisme, naturalisme en sensitivisme (het streven om zoals Gorter het zegt "dat wat je zintuiglijk doorleefde met uitschakeling van den geest onmiddellijk te verklanken" in lyrische poëzie);
  6. daaruit logisch voortvloeiend de eis van originaliteit en het mijden van geijkte clichés.

Voorbeelden[bewerken]

Bekende voorbeelden van het werk van de Tachtigers zijn:

Om het estheticisme te demonstreren een citaat uit Deine Theos, een sonnet uit de Mathilde-cyclus van Jacques Perk (1879):

Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,
Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;
Naast u aanbidde de aarde geen andren god!

Van Willem Kloos is wellicht de volgende dichtregel het beroemdst geworden:

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten

Albert Verwey schreef het bekende Christus-sonnet:

O Man van Smarte met de doornenkroon,
O bleek bebloed gelaat, dat in den nacht
Gloeit als een grote, bleke vlam, - wat macht
Van eindloos lijden maakt uw beeld zo schoon.

In de sonnetten van Verwey komt "een dualisme" tot uitdrukking van "tachtiger individualisme en maatschappelijk voelen" (Jos Gielen, 1939), bijvoorbeeld waar hij op de ene plaats schrijft:

Ik ben een Dichter en der Schoonheid zoon

terwijl hij in een later vers schrijft:

Zoo ben ik dan de dienaar van mijn tijd geworden,
ik die mijn eigen dienaar was

Frederik van Eeden is onsterfelijk geworden door zijn De kleine Johannes. Zijn oeuvre is wellicht in bepaalde opzichten het minst typisch voor de Beweging van Tachtig.

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) (pseudoniem voor Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm) schreef (vlammende) kritieken, twee romans en een boek over het leven van zijn vader Joseph Alberdingk Thijm.

Herman Gorter (1864-1927) publiceerde in 1889 de Mei, een gedicht in boekvorm bestaande uit drie 'zangen'. De Mei wordt aangeduid als "het ongeëvenaarde hoogtepunt in de poëzie van ‘80" (Garmt Stuiveling) en als "een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur" (Willem Kloos).

De eerste strofe is erg bekend geworden:

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht -

Gorter zal zich al snel van het sensitivisme afwenden. Hij stort zich op Spinoza (vertaalt diens Ethica in 1895), om uiteindelijk marxist te worden. Hij blijft dan overigens wel gedichten schrijven, bijvoorbeeld Pan (1912). Bekend is zijn essay Kritiek op de litteraire beweging van 1880 in Holland, verschenen in De Nieuwe Tijd, jaargang 1898-1899.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Gerben Colmjon, De Beweging van Tachtig; een cultuurhistorische verkenning in de 19e eeuw, Utrecht/Antwerpen, 1963.
  • Enno Endt, Het festijn van Tachtig. De vervulling van heel groote dingen scheen nabij, Amsterdam, 1990.
  • Jos J. Gielen, Belangrijke letterkundige werken (III), 2e druk, Purmerend 1939.
  • Henriette Roland Holst - Herman Gorter (1933), herdrukt Nijmegen 1975, bevattende: Biografische Aanteekeningen en De schoonheid van Herman Gorter’s poëzie.
  • Martien J.G. de Jong, Honderd jaar later. Essays over schrijvers en geschriften uit de Beweging van Tachtig, Baarn, 1985.
  • H.J.M.F. Lodewick (e.a.), Literatuur (II), 24e druk, 's-Hertogenbosch 1983.
  • Henny Vrienten, Ik ween om bloemen in de knop gebroken. De Tachtigers, 1e druk, Amsterdam, 2004.
  • Jan Oosterholt, De bril van Tachtig. Het beeld van de 19e-eeuwse Nederlandse dichtkunst, Amsterdam, 2005.
  • J. Dautzenberg, Literatuur, geschiedenis en leesdossier, Den Bosch, Malmberg, 2e druk.
  • Corrado Hoorweg, Van Mathilde tot Mei. De dichters van 1880 en de vriendschapssonnetten van Jacques Perk en Willem Kloos, Baarn, 2014. ISBN 978-90-79272-38-9