Talud

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
(Buiten)talud van de Waddenzeedijk te Friesland. De dijk is van onder naar boven voorzien van een verschillende bedekking, basalt, asfalt en gras.

Het talud (ook wel: beloop; van het Franse talus = helling) is het schuine vlak langs een weg, watergang of van een dijk.

De helling van een talud wordt weergegeven als de verhouding hoogte : aanleg (ofwel de tangens van de helling), waarbij voor de hoogte meestal één wordt aangehouden.

De maximale helling is afhankelijk van de grondsoort. Iedere grondsoort heeft, afhankelijk van de cohesie en hoek van inwendige wrijving, een natuurlijk talud waarbij de grondsoort niet gaat schuiven. Bij zand is dit veelal 1 : 1 dus 45°, bij watergangen wordt meestal 1 : 1½ aangehouden. Bij dijken worden, in verband met de strengere eisen, flauwere hellingen aangehouden, bijvoorbeeld 1 : 4.

Buiten- en binnentalud[bewerken]

Bij een dijk wordt onderscheid gemaakt tussen het buitentalud en het binnentalud:

  • Het buitentalud is de helling van de buitenkant van de dijk, oftewel de kant van de dijk waar het water tegenaan stroomt.
  • Het binnentalud is de helling van de binnenkant van de dijk.

Doordat het buitentalud een andere functie (waterkeren) heeft dan het binnentalud (zorgen dat de dijk ook aan de binnenkant stabiel blijft) verschillen beide zijden van de dijk qua hellingshoek.