Teleportatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Teleportatie of teleporteren is de rechtstreekse verplaatsing van objecten van de ene plaats naar de andere, zonder dat het object fysiek de ruimte tussen beide plaatsen hoeft te doorkruisen. Min of meer op hetzelfde moment verdwijnt het object op de ene plaats en verschijnt het op de andere. Deze techniek is – tenminste bij de huidige stand van de natuurwetenschap – volstrekt denkbeeldig, maar het verschijnsel is zeer uitgebreid in gebruik in sciencefiction.

De term 'teleportatie' wordt daarnaast gebruikt bij beschrijvingen van wetenschappelijk onderzoek dat poogt (kwantum)eigenschappen van een bepaald atoom naar een ander atoom over te brengen. Dat fenomeen zou gebruikt kunnen worden om informatie over te brengen en een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van een kwantumcomputer.

Het woord teleportatie komt van het Engelse woord teleportation, dat zijn oorsprong heeft in de vroege twintigste eeuw en werd bedacht door de Amerikaanse schrijver Charles Hoyet Fort. Hij koppelde het Griekse woord tele (ver) aan het woord transporteren.

Forts eerste gebruik van het woord was in het tweede hoofdstuk van zijn boek Lo! (1931) Hij formuleerde het als volgt: "Mostly in this book I shall specialize upon indications that there exist a transportery force that I shall call Teleportation"

Het bekendste voorbeeld van teleportatie in sciencefiction is de transporter uit Star Trek ("Beam me up, Scotty"), maar bijvoorbeeld ook in de serie Blake's 7 en de SF-parodie Spaceballs komt teleportatie met behulp van een transporter voor. In de strips van Suske en Wiske door Willy Vandersteen werkt de verstrooide professor Barabas aan de teletijdmachine: een tijdmachine met teleportatiefunctie die weliswaar nooit af is, maar toch intensief gebruikt wordt. Ook het verschijnselen in de boeken van Harry Potter is een vorm van teleportatie. Hierbij kan iemand op magische wijze zichzelf in het niks laten verdwijnen om op een andere plek weer te verschijnen.

Theoretische werking[bewerken]

Theoretisch zou teleportatie als volgt kunnen werken:

  1. Een apparaat maakt een complete analyse van samenstelling en structuur van een object, dat wil zeggen dat alle moleculen, atomen, elementaire deeltjes worden onderzocht, inclusief details zoals de spin van de deeltjes. Het 'object' in kwestie zou ook een mens of ander levend wezen kunnen zijn. Men veronderstelt dat deze analyse tevens alle herinneringen, wensen, gevoelens en dergelijke van degene die geteleporteerd vastlegt.
  2. Het analyseresultaat wordt in de vorm van informatie verzonden naar de plaats waar het object naartoe gebracht moet worden.
  3. Op de gewenste locatie wordt een kopie van het oorspronkelijke object opgebouwd, met behulp van de ontvangen informatie.
  4. Tevens wordt het oorspronkelijke exemplaar vernietigd, om te voorkomen dat de betrokkene verdubbeld wordt.

Als de laatste stap wordt weggelaten, krijgt men een vorm van klonen. Die vorm van klonen is dus aan teleportatie verwant.

Teleportatie zou ook gerealiseerd kunnen worden door gebruik te maken van afwijkingen in de geometrische structuur van de tijd-ruimte, waardoor van elkaar verwijderde plaatsen elkaar zouden kunnen gaan raken of overlappen.

Problemen[bewerken]

Praktische problemen[bewerken]

Reeds het vastleggen van de positie en toestand van alle elementaire deeltjes en het doorzenden van die informatie is dermate complex, dat een realisatie ervan niet binnen afzienbare tijd mogelijk kan zijn. Dit staat bekend als de onzekerheidsrelatie van Heisenberg.

Het reconstrueren van het object op basis van de ontvangen informatie is nog moeilijker.

Een ander praktisch probleem wordt gevormd door eventueel reeds aanwezige materie op de bestemming, of dat nu een boom, een passerend insect of gewoon lucht is. Het geteleporteerde object zou dezelfde ruimte in moeten nemen. Wat er gebeurt met verschillende atomen of moleculen die tegelijkertijd op dezelfde plaats zijn is niet te voorspellen. Of het geteleporteerde object dit ongeschonden doorstaat nog minder.

Filosofische problemen[bewerken]

De ziel[bewerken]

Het is de vraag of herinneringen, reflexen en "ziel" van een mens, volledig bestaan uit stoffelijke verschijnselen. Volgens bepaalde filosofische opvattingen, is een mens meer dan de atomen of andere natuurkundige verschijnselen waaruit die mens bestaat. Volgens een strikt materialistische opvatting zijn al die zaken echter vastgelegd in de fysische en chemische samenstelling van het lichaam. Die zouden in principe dus allemaal gekopieerd kunnen worden.

Het ontstaan van leven[bewerken]

Volgens begrippen uit de 18e eeuw, kan leven enkel ontstaan uit reeds levende wezens. Dus alle atomen kunnen dan wel gekopieerd worden, dat wou nog niet zeggen dat de kopie 'spontaan' begint te leven. Op grond daarvan werd onderscheid gemaakt tussen organische en anorganische stoffen. In de moderne scheikunde is het verschil tussen organische en anorganische stoffen echter maar relatief.

Bijbel[bewerken]

In de Bijbel staat in Handelingen 8:39-40 het volgende te lezen: "Toen ze uit het water kwamen, greep de Geest van de Heer Filippus en nam hem mee, en de eunuch zag hem niet meer, maar vervolgde zijn weg vol vreugde. Filippus kwam terecht in Azotus." Deze formulering doet enigszins aan teleportatie denken.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]