Telescoop (optica)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een Maksoetov-spiegeltelescoop (diameter 105 mm)

Een telescoop is, net als een verrekijker, een optisch instrument waarmee verre voorwerpen vergroot kunnen worden waargenomen. De naam komt uit het Grieks en betekent „ver-kijker”. Terwijl een verrekijker bedoeld is om op relatief korte afstanden te kijken, is een telescoop vooral bedoeld voor astronomische waarnemingen, dus op zeer grote afstanden. Een telescoop bestaat uit minstens twee lenzen of groepen van lenzen, het objectief en het oculair. Een andere naam voor een telescoop met twee lenzenstelsels is refractor, omdat lichtstralen worden gemanipuleerd door breking. Een kleine uitvoering van een refractor is de verrekijker.

Grotere astronomische telescopen hebben als objectief meestal een spiegel. Dit soort telescopen wordt ook wel reflector genoemd, omdat lichtstralen worden gemanipuleerd door reflectie.

Een telescoop die bestaat uit twee positieve lenzen keert het beeld om. Om rechtopstaand beeld te verkrijgen, zijn extra optische hulpmiddelen noodzakelijk, zoals omkeerprisma's. Deze zijn voor astronomische toepassingen echter niet noodzakelijk. Ze worden vooral in verrekijkers gebruikt; de naam prismakijker, die ook wel voor een verrekijker gebruikt wordt, is aan deze omkeerprisma's ontleend.

De zogenaamde Hollandse kijker heeft een negatieve lens als oculair en geeft een rechtopstaand beeld, de beeldkwaliteit en maximale vergroting zijn echter minder dan met een positief oculair. De ouderwetse „telescopische” uitschuifkijkers zijn vaak van dit type; de term „telescopisch” in de betekenis van uitschuifbaar komt hier vandaan. Verder zijn zogenaamde toneelkijkers vaak ook Hollandse kijkers.

Ontstaan[bewerken]

Hollandse kijker[bewerken]

Het document waarop de octrooiaanvraag van Lipperhey vermeld staat.

In het jaar 1608 was het mogelijk ofwel Sacharias Jansen of Hans Lipperhey die de telescoop uitvond. Beiden woonden in Middelburg, toentertijd een belangrijke stad in de Nederlanden. Wie nu daadwerkelijk de eerste was, is onbekend.

Jacob Adriaanszoon Metius uit Alkmaar wordt ook genoemd als de mogelijk feitelijke uitvinder, eveneens in 1608. Zijn octrooiaanvraag kwam echter dagen na die van Lipperhey binnen en werd afgewezen.

De theorie dat Lipperhey de eerste was, vindt ondersteuning van een octrooiaanvraag. Lipperhey was namelijk bij stadhouder Maurits van Nassau geweest om de uitvinding te tonen. Vanuit Den Haag kon toen met de voor huidige begrippen kleine telescoop de kerkklok in Delft afgelezen worden. Maurits zag meteen in wat voor revolutie dit zou betekenen in de oorlogvoering; de vijand – in die tijd Spanje – zou hiermee van verre bekeken kunnen worden. Wat hij echter ook zag, was dat de telescoop veel te gemakkelijk na te bouwen was, en dus werd er geen patent verleend. Natuurlijk werd er wel een notitie gemaakt van de patentaanvraag voor de buyse waarmede men verre kan sien.

Nu gaat het verhaal dat eigenlijk Sacharias Jansen de eerste was die een telescoop bouwde. Jansen en Lipperhey waren beiden brillenslijpers, woonden bij elkaar om de hoek en waren dus directe concurrenten. Het zou kunnen dat Lipperhey er met Jansens uitvinding vandoor is gegaan, toen Jansen naar de Frankfurter Messe was. Uit gegevens blijkt dat er daadwerkelijk een Hollander met een buis was op de Messe. Had Jansen zijn uitvinding meegenomen naar Duitsland? Dat is een vraag waarvan het antwoord waarschijnlijk altijd onbekend zal blijven. In ieder geval vierde Middelburg in 2008 de uitvinding van de Hollandse kijker. De Italiaanse geleerde en uitvinder Galileo Galilei bouwde zelf een verbeterde versie en bestudeerde daarmee diverse hemellichamen, wat leidde tot een revolutie in het wereldbeeld van de mens.

Keplertelescoop[bewerken]

De Hollandse kijker had een negatief (divergerend) oculair, waardoor de beeldhoek beperkt was. Deze constructie wordt ook wel de toneelkijker genoemd, omdat hij ook gebruikt wordt in kleine zakkijkertjes voor gebruik in theaters. Johannes Kepler ontwikkelde een variant met een positief (convergerend) oculair. De beeldhoek was daardoor groter, maar het uiteindelijke beeld stond ondersteboven. Dit staat bekend als de Keplertelescoop.

Verrekijker[bewerken]

Bij de Keplertelescoop staat het uiteindelijke beeld ondersteboven. Later voegde men zogenaamde omkeerprisma’s toe. Deze constructie wordt toegepast in verrekijkers. (Omkeren met een extra lens is ook mogelijk, maar daardoor wordt de kijker veel langer.)

Spiegeltelescoop[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Spiegeltelescoop voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nog later gebruikte Isaac Newton een holle spiegel als objectief. Dat leidde tot de opkomst van de spiegeltelescopen.

Lenzentelescopen hebben een beperking waardoor ze ongeschikt zijn voor zeer grote vergrotingen. Hoe groter de lens, des te dikker is hij ook, en daardoor des te zwaarder. Zodoende bestaat het risico dat de lens iets doorbuigt, waardoor weer extra afbeeldingsfouten ontstaan. Ook is een lens duurder dan een spiegel van vergelijkbare afmetingen, omdat een lens aan twee zijden geslepen moet worden. In de praktijk heeft een lenzentelescoop zelden een diameter die veel groter is dan een meter. Alle grotere telescopen zijn dan ook spiegeltelescopen.

Temeer daar grote telescopen meestal „eenlingen” zijn – dat wil zeggen niet in series gebouwd – konden steeds nieuwere varianten worden gebouwd met steeds betere specificaties en betere correctie van afbeeldingsfouten.

Soorten telescopen[bewerken]

Voor (amateur-)astronomen is er een groot aantal telescopen te koop. Ze kunnen worden onderverdeeld in drie typen: de refractor, de spiegeltelescopen of reflectoren en de catadioptrische systemen. Refractoren werken in het primaire optische systeem alleen met lenzen, reflectoren alleen met spiegels en catadioptrische systemen met een combinatie van beide.

Een 10" Schmidt-Cassegraintelescoop

Refractoren: – bijvoorbeeld achromaat, apochromaat

Spiegeltelescoop: – bijvoorbeeld Newtontelescoop, Cassegraintelescoop, Kuttertelescoop

Catadioptrische systemen: – bijvoorbeeld Schmidttelescoop, Maksoetovtelescoop

Kenmerken van telescopen[bewerken]

  • Het belangrijkste nuttige kenmerk van een (astronomische) telescoop is de diameter van het objectief. Deze bepaalt niet alleen hoeveel licht er door de telescoop opgevangen wordt, maar ook het maximale scheidend vermogen, en dus de maximaal bruikbare vergroting. Zie hiervoor het artikel Airy-schijf.
  • De brandpuntsafstand van het objectief.
  • Bovenstaande gegevens bepalen de openingsverhouding als 'brandpuntsafstand'/'objectiefdiameter'. Deze verhouding heet de apertuur (in de fotografie is dit bekend als het 'diafragmagetal' (ook wel 'F-getal' genoemd)).
  • De kwaliteit van de optiek. Voor optimale beeldkwaliteit moeten alle optische oppervlakken afgewerkt zijn met een nauwkeurigheid van ongeveer 1/10 van de golflengte van het licht. Dit komt overeen met ongeveer 50 nanometer. Verder spelen, zoals bij alle optiek, nog verschillende andere eigenschappen een rol, zoals de uitlijning van de onderdelen langs de optische as, en dergelijke.
  • Correctie voor optische fouten, zoals sferische aberratie, chromatische aberratie en coma.
  • Grootte van het beeldveld. Over het algemeen geldt dat hoe verder van de optische as, hoe groter de beeldfouten worden. Voor een groter beeldveld moet de optiek beter gecorrigeerd worden, en zal deze dus duurder uitvallen.
  • De mate van vergroting is op zich geen belangrijk kenmerk. Deze wordt bepaald door de verhouding tussen de brandpuntsafstand van het objectief en die van het oculair. Oculairs met verschillende brandpuntsafstanden geven dus verschillende vergrotingen. Wel is het zo dat bij een grote vergrotingsfactor de eventuele beeldfouten van de optiek duidelijker zichtbaar worden.

Voor het waarnemen van lichtzwakke objecten zoals kometen, nevels en gaswolken wordt de optimale vergroting bepaald door de uittreepupil. Deze moet ongeveer even groot zijn als de pupil van het oog van de waarnemer. De diameter van de uittreepupil is gelijk aan de diameter van het objectief gedeeld door de vergroting. Voor een 100 mm telescoop met een vergroting van 25× is de uittreepupil dus 4 mm. Telescopen die speciaal op dit criterium ontworpen zijn worden kometenzoekers genoemd.

N.B.: De 'speelgoedtelescoopjes' met een vergroting van 600 keer die aangeboden worden, hebben een objectiefdiameter van 50 of 60 mm, en zijn dus tot hooguit 100 keer vergroting bruikbaar. Daarbij komt nog dat de kwaliteit van de optiek en die van de opstelling matig is, wat de bruikbaarheid nog verder beperkt.

Door de Airy-limiet zijn bij een voor de objectiefdiameter te grote vergroting geen extra details meer te zien. Een vuistregel hiervoor is 2 keer vergroting per mm objectiefdiameter.

Een redelijke amateurtelescoop met een objectiefdiameter van 100 mm zal dus tot een vergroting van maximaal 200 keer bruikbaar zijn, bij nog sterkere vergrotingen verschijnen geen nieuwe details, je ziet alles alleen groter en vager.

De grootste 'professionele' telescopen hebben objectiefdiameters van meer dan 10 meter, en kunnen dus theoretisch tot 20 000 keer vergroten.

'Professionele' telescopen worden zelden tot nooit gebruikt om gewoon doorheen te kijken, meestal worden er foto's mee gemaakt (tegenwoordig digitaal met CCD's), of er worden andere meetinstrumenten, zoals spectrografen achter gehangen om metingen aan het sterrenlicht te verrichten.

N.B.: Een astronomische CCD-camera is erg duur. Voor een beginnende amateur zijn ook goede resultaten te behalen door een webcam of gewoon digitaal fototoestel achter het oculair te houden (zie ook digiscoping). Met een aangepaste webcam en speciale software zijn zelfs spectaculaire resultaten te behalen.

De opstelling[bewerken]

Andere factoren in de bruikbaarheid van een telescoop zijn de volgende:

  • De stabiliteit van de opstelling. Iedereen die wel eens door een sterke verrekijker gekeken heeft weet dat bij 10 keer vergroting het beeld al nauwelijks stil te houden is. Hoe sterker de vergroting hoe stabieler het statief moet zijn.
  • De kwaliteit van het volgmechanisme. Door de draaiing van de aarde lijken alle objecten aan de hemel een baan te beschrijven. Met het blote oog is de beweging nauwelijks te zien, met een sterke vergroting zal een ster zichtbaar bewegen en in vrij korte tijd door het beeldveld heen bewegen. Ter illustratie: bij een redelijke vergroting zal de diameter van het beeldveld 15' zijn, half zo groot als de volle maan. Een object zal in een minuut van de ene naar de andere rand van het beeld trekken. Hierom worden telescopen voorzien van een volgmechanisme dat de draaiing van de aarde compenseert en de telescoop in de dezelfde richting houdt.Tegenwoordig zijn veel duurdere amateur-telescopen voorzien van computersturing en GPS-systemen, die het gebruiksgemak proberen te vergroten. Langdurige afstellingstijden om de positionering van de montering precies goed te krijgen is nu (voor waarnemingen) niet meer nodig. Voor astrofotografie luistert het echter nog steeds nauw.
  • Ook de locatie is van belang, strooilicht van steden of glastuinbouw en turbulentie in de atmosfeer kunnen het voordeel van een goede telescoop geheel tenietdoen. Hierom zijn grote telescopen vaak op bergtoppen gebouwd, ver weg van de bewoonde wereld, en met zo weinig mogelijk atmosfeer om doorheen te kijken. De ultieme oplossing voor dit probleem is een telescoop in de ruimte, de ruimtetelescoop Hubble is een goed voorbeeld hiervan.

Moderne ontwikkelingen[bewerken]

Om beeldvervormingen door de onrust in de aardatmosfeer te compenseren zijn er tegenwoordig spiegeltelescopen met adaptieve optiek. Hierbij wordt het beeld door een computer continu geanalyseerd en de vorm van de spiegel snel bijgesteld. Dit gebeurt enkele honderden malen per seconde.

Als grote spiegeltelescopen een ster moeten volgen, zal de spiegel ten gevolge van zijn eigen gewicht iets vervormen. Moderne spiegeltelescopen gebruiken actieve optiek om deze vervorming te compenseren. Daar deze bewegingen altijd betrekkelijk langzaam zijn, is hier een correctiesnelheid van enkele malen per seconde voldoende.

Verwant hiermee is het maken van een hele serie opnamen met korte belichtingstijd en deze later digitaal te combineren. Voor amateurs is dit een goed bruikbare methode omdat een beeldsensor van een webcam van enige tientallen euro's al goed genoeg is, en omdat de bijgeleverde software vaak al de mogelijkheid biedt om filmpjes met 15 of 30 beelden per seconde te maken. Deze methode is echter alleen geschikt voor vrij heldere objecten, zoals planeten en manen.

Er bestaan ook telescopen die niet in het zichtbare frequentiegebied van het elektromagnetisch spectrum opereren. Een voorbeeld hiervan is de radiotelescoop. Maar ook de satellietschotel en de reflectoren van radarantennes werken volgens dit principe.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]