Textielindustrie in Veenendaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De plaats Veenendaal in de Nederlandse provincie Utrecht kende vroeger een uitgebreide wolindustrie, die in de tweede helft van de 20e eeuw echter geheel verdwenen is. Het enige wat er nog van rest is de cholesterolfabriek van Solvay.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Toen op het einde van de 17e eeuw de turfwinning tot een einde kwam, werd omgeschakeld op de verwerking van schapenwol. Deze nijverheid bestond weliswaar reeds ten tijde van de turfwinning, die immers seizoensgebonden was, maar nu werd ze hoofdactiviteit. Er werden immers veel schapen gehouden op de Veluwe en in de Gelderse Vallei. Men kende het wolkammen en wolspinnen. Het wolkammen geschiedde in kleine bedrijfjes die in handen waren van wolkammersbazen. Het spinnen geschiedde in de vorm van thuisarbeid. De gesponnen draad ging weer naar de wolkammerswerkplaats waar het getwijnd werd tot sajet ofwel garen. Dit werd vervolgens geverfd. Het sajet werd verkocht aan weverijen in Holland.

Industrialisatie[bewerken]

Vanuit de kleinschalige wolkammerij en de thuisweverij ontwikkelden zich industriële bedrijven die Veenendaal de naam Eindhoven van het noorden bezorgden.

Scheepjeswol[bewerken]

Dirk Stevenszoon van Schuppen was een van de 50 wolkammersbazen die omstreeks 1800 in Veenendaal actief waren. Hij had een tamelijk groot bedrijf met 13 knechten. In 1837 bracht hij zijn wol naar Leiden, waar deze machinaal werd gesponnen. In Veenendaal werd de gesponnen wol dan verder bewerkt. In 1865 werd een stoommachine aangeschaft en weldra groeide de N.V. Veenendaalsche Sajet- en Vijfschachtenfabriek v/h Wed. D.S. van Schuppen en Zoon uit tot een der grotere Veenendaalse bedrijven. In 1865 waren er 65 medewerkers, en dit aantal groeide binnen 20 jaar naar 300. De overgang van huisnijverheid naar industrie verliep geleidelijk en de arbeidsomstandigheden waren beter dan bij de concurrenten, waarbij ook een aantal culturele voorzieningen een rol speelden. Maar smerig en ongezond werk was natuurlijk ook hier wel te vinden. Het bedrijf werd later de Scheepjeswolfabriek genoemd. Het logo van het bedrijf toont een boot, afgeleid van de Samoereus, een binnenvaartschip dat ook gebruikt werd om de turf uit de vervening rond Veenendaal af te voeren. Het bedrijf groeide verder en in 1946 werd het aangevuld met een chemiebedrijf dat in 1969 door Philips-Duphar werd overgenomen en in 1980 door Solvay. Solvay werd echter in 2006 weer overgenomen door Dishman. De Scheepjeswol ging in 1986 failliet, deze werd echter nog overgenomen door de Leidsche Wolspinnerij (ook uit Veenendaal) welke twee jaar later ook het loodje legde. De gebouwen van de Scheepjeswol (De Schup) werden gesloopt in 1989. Op het terrein werden woningen en het winkelcentrum De Scheepjeshof gebouwd. De Scheepjeswolharmonie, opgericht op 2 januari 1897, was één van de uitingen van de band tussen personeelsleden onderling en het bedrijf. Deze harmonie bestaat, onafhankelijk van de fabriek waarnaar ze genoemd is, nog steeds.

Het merk Scheepjeswol is in februari 2010 overgenomen door de firma De Bondt uit Tynaarlo.

VSW[bewerken]

De Veenendaalse Stoomspinnerij en Weverij (VSW) werd in 1861 opgericht door een aantal Amsterdamse ondernemers, onder wie J.W. Bottenheim en E.M. Mijnssen. In 1886 werkten hier 765 mensen. Het was het eerste industriebedrijf in Veenendaal en veruit het grootste. In 1979 ging het bedrijf failliet. Bij VSW heersten aanvankelijk slechte en stoffige arbeidsomstandigheden waardoor longaandoeningen vaak voorkwamen. In 1883 brak in dit bedrijf een arbeidsconflict uit vanwege een loonsverlaging van 10%. De directie kwalificeerde de stakers als 'belhamels' en toonde zich ongevoelig voor de wensen van de werkenden. Inmiddels is de oude VSWhal afgebroken. Daar is er nu een woonzorgcentrum met daaronder een aantal bedrijven voor in de plaats gekomen.

Frisia[bewerken]

De Frisia Wolspinnerij N.V. startte in 1910 aan de Kerkewijk als voortzetting van een in 1884 begonnen machinale sajetfabriek van D. van Woudenberg. Slechts de villa Kerkewijk 8 bleef bewaard.

Rhenense Cravattenfabriek[bewerken]

In 1899 werd een fabriek gesticht door de N.V. Rhenensche Cravatten- en Confectiefabriek aan Kerkewijk 111. Dit bedrijf ging omstreeks 1910 failliet en Roesingh kwam er in. Het pand brandde in 1930 uit maar werd herbouwd. In 1937 kwam het complex in handen van de sigarenindustrie. Het gebouw werd in de volksmond de Karavat genoemd.

Roessingh[bewerken]

Deze fabriek werd in 1919 opgericht op Kerkewijk 115 door de Twentse fabrikantenfamilie Roessingh, die ook eigenaar was van het gelijknamige bedrijf in Enschede dat reeds in 1804 was opgericht. In 1937 kwam het complex in handen van de sigarenindustrie, nadat Roesingh failliet was gegaan.

Van Leeuwen[bewerken]

De Firma Gebroeders Van Leeuwen (Stoom Sajet- en Kousenfabriek 'De Hoop', later Hollandia Wol- en Kousenfabrieken) werd in 1878 opgericht door de Gebroeders Hendrik en Jacob van Leeuwen, die voortkwamen uit een geslacht van wolkammersbazen waarvan het bedrijf reeds in 1789 werd opgericht. In 1893 werd een oude bierbrouwerij aan het Verlaat aangekocht. In 1921 werd een tweede vestiging opgericht in een oude suikerfabriek in Arnhem. In 1939 werkten bij het bedrijf zo'n 700 mensen. Van het nu failliete bedrijf aan het Verlaat bleven de buitenmuren en de laatste gemetselde schoorsteen in Veenendaal bewaard. Het gebouw zal worden ingericht als cultureel centrum.

Latere textielbedrijven[bewerken]

In de loop van de 20e eeuw zouden er nog de volgende bedrijven bij komen.

  • Hollandia Tricotagefabriek (in 1937 voortgekomen uit de Gebroeders Van Leeuwen)
  • N.V. Textielfabriek Veenendaal
  • N.V. Nederlandsche Wolspinnerij, zie: Leidsche Wolspinnerij
  • Wolspinnerij Louis Feitz N.V.

In 1930 werkten er van de Veenendalers 2000 mensen in de textielindustrie, in 1950 ging het om 3000 mensen. Ook de sigarenindustrie ontwikkelde zich. In de jaren '70 van de 20e eeuw verdwenen vrijwel alle traditionele bedrijven in de textiel- en de sigarensector. Dit kwam onder meer door de concurrentie uit lage-lonenlanden en door het wegvallen van de markt in Indonesië. Nieuwe bedrijven, zoals die in de metaalsector, zorgden ervoor dat er werkgelegenheid bleef bestaan.

Referentie[bewerken]