De structuur van wetenschappelijke revoluties

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De structuur van wetenschappelijke revoluties
Oorspronkelijke titel The Structure of Scientific Revolutions
Auteur(s) Thomas Kuhn
Land Verenigde Staten
Oorspronkelijke taal Engels
Onderwerp Wetenschapsgeschiedenis
Oorspronkelijke uitgever University of Chicago Press
Oorspronkelijk uitgegeven 1962
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De structuur van wetenschappelijke revoluties (Engels: The Structure of Scientific Revolutions, 1962), door Thomas Kuhn, is een analyse van de wetenschapsgeschiedenis. De publicatie was een mijlpaal in de geschiedenis, filosofie en de wetenschapssociologie. Het werk zette een nog steeds voortdurende wereldwijde beoordeling in gang - ook buiten de wetenschappelijke gemeenschappen. In dit werk daagde Kuhn de toen heersende opvatting van vooruitgang in de "normale wetenschap" uit. Hij pleitte voor een episodisch model waarin periodes van zulke conceptuele continuïteit in de normale wetenschap worden onderbroken door periodes van revolutionaire wetenschap. Tijdens de revoluties in de wetenschap leiden de ontdekkingen van anomalieën tot een geheel nieuw paradigma, dat de regels van het spel en de "agenda", die leiding geeft aan nieuw onderzoek, verandert en dat ​​nieuwe vragen stelt aan oude data. Het gaat verder dan het oplossen van puzzels in de normale natuurwetenschap.[1]

Fases[bewerken]

Wetenschappelijke vooruitgang werd voornamelijk gezien als een continue toename in een verzameling van algemeen aanvaarde feiten en theorieën, staande op de schouders van reuzen. Kuhn stelde dat doorbraken niet tot stand komen door normale wetenschap, maar als reactie op afwijkingen van de verwachtingen op basis van bestaande theorieën en werkelijke waarnemingen. Daarbij onderscheidde hij verschillende fases.

Normale wetenschap[bewerken]

De meeste wetenschappers bedrijven normale wetenschap, wat Kuhn het oplossen van puzzels noemt. Men borduurt daarbij voort op bestaande theorieën.

Anomalieën[bewerken]

Elke theorie heeft waarnemingen die afwijken van de bestaande theorieën. Nu zijn er altijd wel anomalieën, maar dat betekent niet dat een theorie direct wordt opgegeven. Paradigma's worden volgens Kuhn pas verworpen als er andere beschikbaar zijn. Veel anomalieën worden ook opgelost door normale wetenschap.

Crisis[bewerken]

Als de normale wetenschap echter niet in staat blijkt om deze anomalieën op te lossen, kan een crisis ontstaan, een periode van ongemak voor de meeste wetenschappers door het besef dat het bestaande paradigma ontoereikend is. Voor enkele wetenschappers is juist dit een periode van echte wetenschap en kunnen bestaande opvattingen en paradigma's afgebroken worden. Wetenschappelijke kennis groeit dan ook niet geleidelijk en kent ook niet alleen vooruitgang zoals eerder werd verondersteld, maar kent ook achteruitgang.

Wetenschappelijke revolutie[bewerken]

Kuhn maakte gebruik van het 'eend-konijn'-figuur van Jastrow om duidelijk te maken dat een paradigmaverschuiving de manier van observeren beïnvloedt. Op individueel vlak is er dan sprake van een Gestalt-switch.

Door het afbreken van bestaande overtuigingen ontstaat ruimte voor nieuwe inzichten, een nieuw conceptueel kader. Kuhn noemt dit een paradigmaverschuiving of wetenschappelijke revolutie. Hij vergelijkt dit met het fenomeen van de Gestalt-switch uit de psychologie.

Incommensurabiliteit[bewerken]

Popper had dan wel gesteld dat theorieën getoetst moeten worden door middel falsificatie, in de praktijk gebeurt dit volgens Kuhn niet en lost men vooral puzzels op. Volgens Popper zou er bij het succesvol verlopen van een zogenaamde cruciale test sprake zijn van corroboratie, de theorie wordt versterkt. Kuhn stelde echter dat de cruciale test niet mogelijk was, omdat elk paradigma een eigen conceptueel kader heeft, waarin de test een verschillende waarde heeft, wat Kuhn incommensurabiliteit noemde.

Ook uit de Duhem-Quinestelling volgt dat er geen gemeenschappelijke neutrale taal is van waaruit objectieve feiten de doorslag moet geven. Volgens deze stelling is het niet mogelijk om een afzonderlijke hypothese te testen, omdat het niet duidelijk is welk deel van de hypothese precies op de proef wordt gesteld.

Dat er geen logische dwingende redenen zijn om te kiezen, betekent volgens Kuhn niet dat er geen goede redenen kunnen zijn om een theorie te verkiezen. Het betekent ook niet dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat, maar slechts dat deze vanwege de Duhem-Quinestelling nooit volledig correct beschreven kan worden.

Voorbeeld[bewerken]

De Copernicaanse revolutie[bewerken]

Basiselementen van het Ptolemeïsch systeem
Nuvola single chevron right.svg Zie Copernicaanse revolutie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het meest bekende voorbeeld van een revolutie in het wetenschappelijk denken zette Copernicus in gang met zijn boek De Revolutionibus Orbium Coelestium. In de tot dan gangbare school van denken van Claudius Ptolemaeus ging men uit van een stationaire Aarde in het centrum van de kosmos. Voor het modelleren van de bewegingen van de planeten werd gebruikgemaakt van cykels en epicykels. Naarmate in de loop de eeuwen de nauwkeurigheid van de waarnemingen van de planeten toenam, werd men gedwongen ook de complexiteit van de Ptolemeïsche cykel- en epicykel mechanismen toe te laten nemen. Dit was nodig om de met behulp van het Ptolemeïsche model berekende posities in de buurt van de waargenomen posities te kunnen houden.

Copernicus stelde in zijn revolutionaire werk een nieuwe kosmologie voor, waarin hij niet de Aarde, maar de Zon in het centrum van de kosmos postuleerde. De Aarde was in zijn model nog slechts één van de planeten die om de Zon draaide. Voor het modelleren van de planetaire bewegingen in zijn kosmos gebruikte Copernicus de instrumenten waar hij bekend mee was, namelijk de cykels en epicykels uit de Ptolemeïsche gereedschapkist. Copernicus' model bleek echter meer cykels en epicykels nodig te hebben dan er binnen het toenmalig geldende Ptolemeïsche model in gebruik waren. Als gevolg van een gebrek aan nauwkeurigheid in zijn berekeningen bleek dat de voorspellingen van Copernicus niet accurater waren dan die van het concurrerende Ptolemeïsche model. Het gevolg was dat veel van de tijdgenoten van Copernicus zijn nieuwe kosmologie verwierpen. Kuhn stelde dat zij volledig in hun recht stonden om dit te doen: het ontbrak Copernicus' kosmologie aan de noodzakelijke geloofwaardigheid.

Kuhn laat in zijn boek zien hoe een paradigmaverschuiving later alsnog mogelijk werd toen Galileo Galilei zijn nieuwe ideeën over beweging introduceerde. Intuïtief kan men zich voorstellen dat wanneer een voorwerp in beweging is gezet het al snel weer tot stilstand komt. Een goed gemaakte kar kan zich bijvoorbeeld over een grote afstand voortbewegen voordat hij tot stilstand komt, maar tenzij iemand hem aanduwt, zal hij toch uiteindelijk stoppen met bewegen. Aristoteles betoogde dat dit vermoedelijk een fundamentele eigenschap van de natuur was: om een voorwerp in beweging te houden, moest het voortdurend worden "aangeduwd". Gegeven de op dat moment beschikbare kennis was dit een verstandige en redelijke gedachte.

Galileo kwam met een stoutmoedig alternatief vermoeden: stel, zei hij, dat alle voorwerpen die wij om ons heen tot stilstand zien komen dit alleen doen omdat er altijd enige wrijving optreedt. Galileo had geen instrumenten tot zijn beschikking waarmee hij zijn vermoeden op objectieve wijze kon bevestigen, maar hij suggereerde desondanks dat bij afwezigheid van enige wrijving de inherente neiging van het object is om de snelheid te behouden zonder dat er enige additionele kracht inwerkt op het object.

De Ptolemaeïsche benadering van het gebruik van cykels en epicykels begon steeds meer op een vergezochte interpretatie te lijken: er leek geen einde te komen aan de steeds snellere groei van complexiteit die nodig was om de waarneembare verschijnselen te verklaren. Johannes Kepler was de eerste persoon die de instrumenten van het Ptolemeïsche paradigma verwierp. Hij begon de mogelijkheid te onderzoeken dat de planeet Mars een elliptische baan in plaats van een cirkelvormige baan rond de Zon beschreef. Het was duidelijk dat de hoeksnelheid in dat geval niet constant kon zijn, maar het bleek erg moeilijk om de formule te vinden die de mate van verandering van de hoeksnelheid beschreef. Na vele jaren van berekeningen vond Kepler uiteindelijk wat we nu kennen als de tweede wet van Kepler.

Galileo's vermoeden was slechts dat - een vermoeden. Hetzelfde gold voor de kosmologie van Kepler. Maar elk vermoeden verhoogde in dit geval de geloofwaardigheid van het andere vermoeden. Samen veranderden zij de heersende opvattingen van de wetenschappelijke gemeenschap. Later liet Newton zien dat de drie wetten van Kepler kunnen worden afgeleid uit een enkele theorie van beweging en planetaire beweging. Newton voorzag de paradigmaverschuiving die Galileo en Kepler in gang hadden gezet van een rotsvast fundament.

Literatuur[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. Kuhn, Thomas S., The Structure of Scientific Revolutions, 3e editie Chicago, IL: University of Chicago Press, 1996. "Wijzigingen van de regels" op pagina's 40, 41, 52, 175. Verandering in de richting of 'agenda' van een natuurwetenschap op pagina's 109, 111. Stellen van nieuwe vragen aan oude data op blz. 139, 159. En die verder gaat dan "het oplossen van puzzels" op blz. 37, 144.