Theodoor van Thulden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Theodoor van Thulden
Afbeelding gewenst
Persoonsgegevens
Geboren 1606,
's-Hertogenbosch
( Hertogdom Brabant)
Flag of the Low Countries.svg Zuidelijke Nederlanden
Overleden 1669,
's-Hertogenbosch
(Staats-Brabant)
Prinsenvlag.svg Generaliteitslanden van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Beroep(en) Kunstschilder
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Allegorie op de terugkeer van de vrede, 1657

Theodoor van Thulden (ged. 's-Hertogenbosch, 9 augustus 1606 – begr. 's-Hertogenbosch, 12 juli 1669) was een Brabantse kunstschilder.[1] Hij was een jongere tijdgenoot van de schilder Peter Paul Rubens (1577-1640), door wiens stijl hij werd beïnvloed en met wie hij veelvuldig heeft samengewerkt.

Ouderlijk gezin en huwelijk[bewerken]

Van Thulden werd op 9 augustus 1606 in de Sint-Janskathedraal gedoopt als "Dirrick", zoon van "Jacop van Tulden" en "Heylke sij huijsvrou".[2] Zijn vader Jacob Gerits van Tulden (1575-1630) was zilversmid, maar verdiende de kost als lakenkoopman. Zijn moeder Heylwich (Heylke) van Meurs was een dochter van de zilversmid Dierck Aerts van Moers.

Van Thulden was de oudste van negen kinderen. Hij had zeven broers en één zus. Zijn oudste broer Arnoult (1608-1681) werd advocaat en notaris. Zijn tweede broer Geraert (geb. 1612) was militair. Zijn derde broer Peter (1614-1670) was monnik (kloosternaam: Benedictus) en priester. Zijn vierde broer Franchoijs (1617-1669/1673) werd kunstschilder. Zijn zus Anneken (ovl. ca. 1670) bleef ongehuwd. Een broer Hendrick (geb. 1619) is jong gestorven. Zijn jongste broers Hendrick (1621-1679) en Joannes (1627-1668) waren minderbroeder en pastoor.

Van Thulden is op 24 juli 1635 in Antwerpen getrouwd met Maria van Balen, dochter van de schilder Hendrick van Balen (1575-1632) en diens vrouw Margriet Briers. Bij haar doop op 8 maart 1618 in Antwerpen was Peter Paul Rubens haar peetvader. Theodoor en Maria kregen één kind: dochter Maria Anna, die op 7 mei 1636 in Antwerpen is gedoopt en tussen 1652 en 1669 is overleden.[3]

Biografie[bewerken]

Ondanks zijn levenslange binding met zijn geboortestad 's-Hertogenbosch zou Theodoor Van Thulden een groot deel van zijn leven elders doorbrengen. Twee steden die belangrijk geweest zijn in zijn carrière zijn Antwerpen (destijds eveneens in het Hertogdom Brabant) en Parijs. Op vijftienjarige leeftijd vertrekt Van Thulden uit het ouderlijke huis in ’s-Hertogenbosch naar Antwerpen. Er wordt algemeen aangenomen dat de jonge Van Thulden, die uit een familie van zilversmeden kwam, naar Antwerpen is gegaan om een artistieke opleiding te krijgen. Hij ging daar in 1621 in de leer bij de minder bekende meester Abraham Blyenberch. Er is lang aangenomen dat Theodoor Van Thulden hierna een leerling was van de grootmeester Pieter Paul Rubens, maar dit is waarschijnlijk een misverstand, voortgekomen uit een foute interpretatie van de Latijnse woorden ‘Discipulus Rubenii’. Een tijdgenoot van Van Thulden, Gevaerts, gebruikte deze term volgens hedendaagse interpretaties in een ruimere betekenis ‘navolger van Rubens’ en dus niet zoals lang gedacht ‘leerling van Rubens’.

Stijl en Samenwerking met Rubens[bewerken]

Theodoor Van Thulden werd lange tijd beschouwd als een rechtstreekse kopiist van Rubens. Wanneer werd vastgesteld dat de grote meester een bepaald kunstwerk niet had kunnen maken, werd het al snel toegeschreven aan Van Thulden. Meer recent gaan er stemmen op, onder andere die van professor Alain Roy, voor een andere kijk op deze zeventiende-eeuwse schilder. Onder andere Jacques Foucart stelt dat het belangrijk is de kunstenaar in zijn geschiedkundige context te bekijken en de originaliteit niet als enige voorwaarde voor talent te beschouwen. Deze vernieuwende contextuele aanpak is inderdaad noodzakelijk om Van Thulden (en meteen ook alle medewerkers van Rubens) op een correcte manier te kunnen kaderen. In dit essay zal ik trachten door middel van een beknopte stijlanalyse Theodoor Van Thuldens verdiensten op schilderkunstig vlak te bepalen. Eerst is het belangrijk zijn navolging van Rubens’ schilderstijl na te gaan. Van Thuldens samenwerking met Pieter Paul Rubens strekt zich uit over twee grote opdrachten.

Het eerste project was de decoratie van de stad voor de blijde intrede van Ferdinand van Oostenrijk in Antwerpen. Deze was door zijn broer koning Filips IV net benoemd tot regent van de Spaanse Nederlanden. Rubens deed beroep op enkele van zijn collega’s voor deze grote opdracht, die hij in 1635 van het stadsbestuur gekregen had. Van Thulden werd belast met de schilderijen van de Boog van Mercurius op de brug van Sint Jan en de voorstellingen van de ‘Portucus Austriaca’ op de Meir. Deze werken zijn allen verloren gegaan. Eén van de schilderingen die Van Thulden maakte staat afgebeeld op een schilderij van David Teniers uit 1641, De Galerij van aartshertog Leopold. Na de intocht werd Van Thulden echter gevraagd gravures naar de decoraties voor deze ‘Pompi Introïtus Ferdinandi’ te vervaardigen en te bundelen. Door middel van deze publicatie kan men zich een algemeen beeld vormen van het uitzicht van deze decoraties. Dit boek zou, door problemen met het stadsbestuur, pas in de jaren 40 van de zeventiende eeuw verschijnen en zou een ware financiële aderlating voor Van Thulden betekenen.

De tweede opdracht van Rubens waaraan de Bossche schilder zou meewerken is de decoratie van de ‘Torre de la Parada’, het jachtpaviljoen van Filips IV gelegen in Madrid. Pieter Paul Rubens was genoodzaakt om het omvangrijke werk uit te besteden aan andere kunstenaars. Theodoor Van Thulden schilderde twee schilderijen naar ontwerpen van Rubens voor het paviljoen. Het eerste doek is Orpheus spelend voor de dieren (ca. 1636/37), dat hij in samenwerking met Paul de Vos maakte. Deze laatste kunstenaar had de hand in het schilderen van dieren, zijn specialisatie, Van Thulden nam de weergave van Orpheus op zich. Dit schilderij getuigt van een diepgaande omvorming van de eigen stijl om de stijl van de grootmeester zo nauwkeurig mogelijk te benaderen. Het andere schilderij is getiteld De hond van Hercules ontdekt het Purper (ca. 1636/37). Dit doek vertoont een heel ander coloriet dan dat van Rubens en doet eerder denken aan het oeuvre van Antoon Van Dijck. Van Thuldens werken zouden meermaals foutief toegeschreven worden aan deze grootse schilder. Toch ziet men een grondige verandering in de stijl van Van Thulden na deze samenwerking met Rubens. Zijn werken, die aanvankelijk (vooral tijdens zijn verblijf in Frankrijk, waar hij werken in Fontainebleau bestudeerde) zeer maniëristisch oogden, krijgen nu een zin voor compositie die Rubens’ meesterschap sterk benadert.

Een erg interessant aspect aan Van Thuldens kunstenaarschap is zijn kosmopolitische motivatie om over vijandige landsgrenzen heen opdrachten aan te nemen. In 1629 zou ’s-Hertogenbosch deel gaan uitmaken van de Nederlandse Republiek. De vrede van Munster, in 1648, zorgde er vervolgens voor dat de scheiding van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden een voldongen feit werd. De twee streken die ooit een eenheid gekend hadden kwamen zelfs in een vijandige relatie te staan tot elkaar. De Noordelijke Nederlanden sloten de Schelde af van Antwerpen, waardoor de economie van de Zuidelijke Nederlanden een moeilijke tijd tegemoet ging. Daarbij kwamen nog de godsdienstgeschillen, in de vorm van de Reformatie en als reactie van de zuidelijke katholieken daarop de Contrareformatie, die al vanaf de zestiende eeuw een wig gedreven hadden tussen beide Nederlanden. Theodoor Van Thulden liet zich echter niet tegenhouden door deze politiek-godsdienstige kwesties en vergaarde in beide lage landen een grote roem en faam. Hij schilderde zowel katholieke altaarstukken (bijvoorbeeld Verschijning van christus aan zijn moeder, ca. 1660) als protestants religieuze schilderingen voor de Noord Nederlandse kloosters (bijvoorbeeld De Heilige Dominicus ontvangt de rozenkrans uit handen van Maria, ca. 1654). Hij weerhield zich er ook niet van om beide Nederlanden te eren in allegorieën op hun grootsheid. Zo staat de Allegorie op de voorspoed van Antwerpen (ca. 1640) tegenover de Allegorie op de intrede van ’s-Hertogenbosch en de Meierij in de Unie (ca. 1645/50). Deze soepelheid, die lang niet alle kunstenaars bezaten, en eveneens de grote vrijheid die hij genoot in zijn tijd, zowel in de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden is opmerkelijk. Mijns inziens ligt de kracht van het oeuvre van Theodoor Van Thulden niet in zijn navolging van Rubens, maar algemener in zijn uitzonderlijke bekwaamheid om naargelang de situatie zijn stijl en thema’s aan te passen, echter niet in die mate dat de eigenheid van zijn schildershand verloren zou gaan. Ook zijn talent om de meest verdienstelijke aspecten van verschillende kunstenaars en stromingen te integreren in een eigen uitgesproken stijl is noemenswaardig. Zo zien we in Allegorie op het verzoek van de Brabantse steden om toetreding tot de Staten-Generaal (1650) een geslaagde combinatie van de barokke compositie die de beweging suggereert, uiteraard in mindere mate dan in de doeken van Rubens’ opgemerkt wordt, en het bleke rustgevende coloriet van Van Dijck. Sommige compositionele elementen worden dus overgenomen van Rubens’ werken. Zo zien we op Van Thuldens Allegorie in de rechterbenedenhoek een riviergod die functioneert als repoussoir zodat de illusie van diepte gecreëerd wordt. Rubens gebruikt deze techniek ook bijvoorbeeld in De Heilige Maagd met Heiligen uit 1634. Op beide doeken zien we de rug van de mannelijke figuur op de voorgrond. Dezelfde techniek zien we ook terugkeren in Rubens’ Ontmoeting van Abraham en Melchizedek uit ca. 1625. Op dit doek kan men ook de trappenpartij herkennen die op Van Thuldens Allegorie prijkt. Ook de diagonale opbouw is bij beide werken prominent. Ondanks deze compositionele overeenkomsten straalt er een heel andere sfeer uit de werken van Theodoor Van Thulden. Dit is niet in het minst het gevolg van het erg verschillende kleurgebruik. Wanneer Antoon Van Dijcks Huwelijksportret van Willem II en Maria Stuart uit ca. 1641 bekeken wordt, kan men erg duidelijk exact dezelfde kleuren opmerken als in het schilderij van Van Thulden. De jurk van het kleine prinsesje is van dezelfde bleekblauwgrijze tint als het gewaad van de allegorische voorstelling van de Brabantse steden. Het kostuum van de prins is dan weer van dezelfde rozige kleur als het de mantel van de allegorische voorstelling van de Staten-Generaal op het doek van Van Thulden. Deze geïntegreerde invloeden wordt ingezet om de typische Van Thuldense allegorische thematiek weer te geven. Een ander karakteristiek element in de doeken van Van Thulden is de nadruk op de bleke schoonheid van de vrouw en de engelen en cupido’s, die op bijna prerococo manier worden weergegeven.

Theodoor Van Thulden heeft vele verwijten gekregen, onder andere van Marie-Louise Hairs in de jaren ‘70 en zelfs nog in 1991 van Alain Roy die hem toch omschrijft als een groot kunstenaar. Deze verwijten gaan vooral over het feit dat Van Thulden Rubens niet voldoende volgt of in het tegenovergestelde vervalt en een banale kopiist van Rubens wordt. Dit is volgens mij een zinloze discussie en kan moeilijk als een punt van kritiek aanvaard worden. Zoals hierboven vermeld is het noodzakelijk de medewerkers van Rubens afhankelijk van deze uitzonderlijk getalenteerde kunstenaar-zakenman te bespreken. Hier kan nog aan toegevoegd worden dat Pieter Paul Rubens zelf zonder twijfel Van Thuldens genie opgemerkt en erkend heeft. Rubens heeft immers Van Thulden een tweede samenwerking aangeboden en de grootmeester had, als gevolg van zijn internationale roem, de mogelijkheid om kieskeurig te zijn over zijn medewerkers. Indien Rubens niet tevreden was over Van Thuldens eerdere prestaties of hij zijn stijl niet zou waarderen, zou hij hem niet gevraagd hebben enkele doeken voor de Torre de la Parada te verzorgen. Als besluit kan gesteld worden dat Theodoor Van Thulden een groot decoratief en allegorisch schilder was doordat hij het talent bezat het beste van de grootmeesters van zijn tijd, namelijk Rubens en Van Dijck, in zijn schilderkunst te integreren.

Referenties[bewerken]

  1. Zie Adriaenssen (2011: 121, 135) voor zijn doop en begrafenis. Ten tijde van zijn geboorte behoorde 's-Hertogenbosch nog tot het verenigde Hertogdom Brabant, maar bij zijn overlijden behoorde de stad tot het afgesplitste Staats-Brabant.
  2. Zie het doopboek 1602-1606 (folio 128, rechts onderaan) van de Sint-Janskathedraal. Als doopgetuigen worden genoemd "Gerart van Tulden" (grootvader van vaderskant) en "Peterken de huijsvrou van Dirrick van Muers" (grootmoeder van moederskant).
  3. Zie Adriaenssen (2011: 121-137). Maria Anna was in leven toen het gezin in 1652 tijdelijk de stad verliet nadat dienstmeid Sophia aan de pest was bezweken. Zij is echter vóór haar vader overleden.

Verdere informatie[bewerken]

  • L.F.W. Adriaenssen, Voorheen van Tuldel, Thans Van Tulden, Van Tulder, Van Thulden, Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening (Amsterdam 2011). Online: Familie Tuldel (downloadbaar als pdf) op de website van Leo Adriaenssen (geraadpleegd 6-7-2014).
  • A. Balis, ‘Rubens en zijn atelier: een probleemstelling’ Rubens: Een genie aan het werk. Rondom de Rubenswerken in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, vol. tent.cat. (Brussel -Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België- 2007-2008) pp. 30-51
  • M.-L. Hairs: Dans le sillage de Rubens: Les Peintres d’histoire anversois au XVIIe siècle (Liège, 1977), pp. 125–47
  • H. Vlieghe, Rubens's Atelier and History Painting in Flanders. A Review of the Evidence, in: The age of Rubens, vol. tent.cat. Boston - Toledo (Museum of Fine Arts - Museum of Art), 1993-1994, pp. 158-170
  • C. de Bie: Het gulden cabinet (1661), p. 251
  • J.-B. Descamps: Vie des peintres flamands et hollandais, i (Paris, 1754), pp. 112–15
  • A. Michiels: Histoire de la peinture flamande, vii (1869), p. 116
  • F. J. Van den Branden: Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool, ii (Antwerp, 1883), pp. 289–95
  • H. Schneider: ‘Theodoor van Thulden en Noord-Nederland’, Oud-Holland, xlv (1928), pp. 1–5, 200–09
  • M.-L. Hairs: ‘Théodore van Thulden’, Rev. Belge Archéol. & Hist. A., xxxiv (1965), pp. 11–73
  • Theodore van Thulden, 1606–1669 (exh. cat. by G. J. Schweitzer, ’s-Hertogenbosch, Noordbrabants Mus., 1970)
  • S. Alpers: The Decoration of the Torre de la Parada, Corpus Rubenianum Ludwig Burchard, ix (London and New York, 1971), p. 221
  • A. Roy: ‘Un Peintre flamand à Paris au début du XVIIe siècle: Théodore van Thulden’, Bull. Soc. Hist. A. Fr. (1979), pp. 67–76
  • S. Béguin, J. Guillaume and A. Roy: La Galerie d’Ulysse à Fontainebleau (Paris, 1985)
  • J. Wood: ‘Padre Resta’s Flemish Drawings: Van Diepenbeek, van Thulden, Rubens and the School of Fontainebleau’, Master Drgs, xxviii/1 (1990), pp. 3–53
  • Theodoor van Thulden: Un Peintre baroque du cercle de Rubens (exh. cat. by A. Roy, ’s Hertogenbosch, Noordbrabants Mus.; Strasbourg, Mus. B.-A.; 1991–2)
  • Flemish Drawings in the Age of Rubens (exh. cat. by A.-M. Logan, Wellesley Coll., MA, Davis Mus. & Cult. Cent., 1993–4), pp. 218–20
  • Y. Van den Bemden, C. Fontaine-Hodiament and A. Balis: Cartons de vitraux du XVIIe siècle: La Cathédrale Saint-Michel, Bruxelles (Brussels, 1994)