Theophilus van Alexandrië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Theophilus

Theophilus van Alexandrië ( - 412) was bijna dertig jaar patriarch van Alexandrië in Egypte. Zijn ambtstijd, die van 385 tot 412 duurde, werd gekenmerkt door gewapende strijd met het heidendom, het origenisme en de patriarchen van Constantinopel.

Theophilus was een Koptische paus in een tijd van conflict tussen de nieuwe, nu dominante christelijke stroming en het heidense establishment van Alexandrië. Beide stromingen werden ondersteund door een segment van de Alexandrijnse bevolking. Edward Gibbon (geen fan) beschreef Theophilus als "... de eeuwige vijand van de vrede en de deugd, een hondsbrutale, slechte man, die zijn handen afwisselend bevuilde met goud en met bloed."[1]

In 391 ontdekte Theophilus (volgens Rufinus en Sozomenus) ​​een verborgen heidense tempel. Hij en zijn volgelingen stelden de heidense artefacten op een spottende wijze aan het publiek ten toon. Hierdoor raakten de heidenen zo beledigd dat dit een aanval op de christenen uitlokte. De christelijke factie deed nu een tegenaanval, waardoor de heidenen zich terug moesten trekken op het Serapeum (waar op dat moment mogelijk een deel van de bibliotheek van Alexandrië was ondergebracht). De keizer stuurde een brief waarin hij Theophilus opriep om gratie aan de overtredende heidenen te verlenen, maar dat de tempel moest worden afgebroken; volgens Socrates Scholasticus, een tijdgenoot van Theophilus, werd dit laatste aspect (de verwoesting van de tempel) toegevoegd als gevolg van een zware lobby door Theophilus.

Scholasticus gaat verder met te volgense beschrijving:

Aanhalingsteken openen

Profiterend van deze gelegenheid spande Theophilus zich tot het uiterste in... Hij zorgde ervoor dat de Mithraeum werd uitgemest... Daarna vernietigde hij het Serapeum ... en hij liet de fallussen van Priapus door het midden van het forum dragen. ... de heidense tempels ... werden daarom met de grond gelijkgemaakt, en de beelden van hun goden werden omgesmolten tot potten en andere handige gebruiksvoorwerpen voor het gebruik van de Alexandrijnse kerk[2]

Aanhalingsteken sluiten

De vernietiging van het Serapeum werd door vele antieke- en moderne schrijvers gezien als de beslissende triomf van het christendom over de andere religies. Volgens John van Nikiu (een 7e-eeuwse bron) prees de menigte van Alexandrijnse Koptische monniken, die de filosofe en wiskundige Hypatia lynchte en vilde, Theophilus' neef en opvolger Cyrillus van Alexandrië als "de nieuwe Theophilus, aangezien hij de laatste resten van afgoderij in de stad had vernietigd". [3]

Theophilus wierp zich nu op de volgelingen van Origenes na deze trouwens eerst gesteund te hebben. Hij werd in 403 op zijn reis naar Constantinopel vergezeld door zijn neef Cyrillus van Alexandrië. Daar vervulde hij het voorzitterschap van de "Synode van de Eik". Deze synode resulteerde in de afzetting van de patriarch van Constantinopel Johannes Chrysostomus.

Op 10 juli worden in de Oosterse (Grieks-)Orthodoxe Synaxarion de 10.000 monniken herdacht die op bevel van Theophilus van Alexandrië werden vermoord in zijn paranoïde campagne vanwege vermeend Origenisme en tegen de vier Lange broeders. Hoewel de Koptisch Orthodoxe Kerk hem als een heilige beschouwt, wordt hij in de andere oosters-orthodoxe kerken als een "goddeloze" herdacht.[4] Zijn neef en opvolger Cyril wordt wel als een heilige in het hele christendom erkend.

Overlevende werken[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. Edward Gibbon, The Decline and Fall of the Roman Empire, New York: The Modern Library, n.d., v. 2, blz. 57 et seq.
  2. (en) Socrates Scholasticus, The Ecclesiastical History, 16.
  3. Kroniek van John van Nikiu
  4. (en) [http://oca.org/FSLivesAllSaints.asp?SID=4&M=7&D=10 "Deze heilige martelaren van Christus, die in de woestijnen en grotten van de Nitrische woestijn leefden, werden door patriarch Theophilus van Alexandrië gedwongen een bittere dood onder ogen te zien". Hij beschuldigde hen ten onrechte van Origenisme, waar zij zich in feite de gramschap van patriarch op de hals hadden gehaald door onderdak te verlenan aan zijn vijand, de priester Isidorus."