Theorieën over de moord op president Kennedy

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geplaatst:
04-09-2014

Genomineerd: Verbetering nodig   Verbetering gevraagd!

Help mee dit artikel te verbeteren, zodat het voldoet aan de conventies van Wikipedia. Na een evaluatieperiode van twee weken wordt beslist of dit artikel behouden kan worden of wordt verwijderd. Je kunt hier de beoordelingslijst bekijken. De hiervoor opgegeven reden is: het is onbegonnen werk om aan te geven wat er allemaal niet deugt aan dit lemma, maar vrijwel alles komt dicht in de buurt. De theorieën rond de moord op Kennedy zijn een mer à boir en het vergt dus inzicht, vernuft, historische kennis, kennis van de Engelse taal, kennis van historische heuristiek, kennis van de Amerikaanse geschiedenis en what have you om hier iets van te maken. Aan al die zaken lijkt het in het onderhavig lemma te ontbreken. Helemaal weg, en opnieuw beginnen, lijkt mij de enige manier

Verwijder dit sjabloon alleen wanneer dit artikel zodanig is verbeterd en aangepast dat het wel binnen Wikipedia past. Geef dit aan op de beoordelingslijst door het toevoegen van de reden. (/)

De moord op de Amerikaanse president John F. Kennedy in Dallas (Texas) op 22 november 1963 heeft geleid tot het ontstaan van diverse theorieën. In veel van deze theorieën wordt verband gelegd met een samenzwering, waarbij instanties betrokken zouden zijn geweest als de CIA, de KGB, John Edgar Hoover, de Amerikaanse maffia, alsmede vicepresident Lyndon B. Johnson, de Cubaanse president Fidel Castro, Cubaanse vluchtelingen die tegen Castro waren, personen uit het Amerikaanse leger en / of de industrie, dan wel uit de voormalige Sovjet-Unie. Zelfs is serieus naar voren gebracht dat Kennedy een georganiseerde zelfmoord zou hebben laten uitvoeren.

Een van de oorzaken van de vele speculaties is het omstreden onderzoeksrapport van de Commissie-Warren, de officiële onderzoekscommissie naar de moord op de president. Volgens velen heeft deze commissie tal van aanwijzingen, al of niet in strijd met haar eindconclusies, genegeerd, of was er (nog) niet mee bekend. Ze stond bovendien onder zware druk het onderzoek binnen één jaar af te ronden, aangezien de gebeurtenis veel onrust in de samenleving had teweeggebracht. Het feit dat Lee Harvey Oswald, volgens de commissie de (enige) moordenaar, twee dagen na de moord op president Kennedy op zijn beurt vermoord werd –vóór hij berecht was of zelfs maar een verklaring had afgelegd– heeft de geloofwaardigheid van het rapport ook geen goed gedaan. Verder is een moord op een charismatische president als Kennedy, die zeer geliefd was maar ook tal van vijanden had, een niet te versmaden onderwerp voor schrijvers en filmmakers.

Vast staat inmiddels dat het rapport van de Commissie-Warren tal van tegenstrijdige beweringen en onjuistheden bevat; verder heeft zij veel materiaal niet in handen kunnen krijgen, doordat tal van documenten tot het jaar 2029 het stempel 'staatsgeheim' kregen. Dit geldt in het bijzonder voor documenten die betrekking hebben op activiteiten van de binnenlandse en buitenlandse inlichtingendiensten van de Verenigde Staten: de FBI resp. de CIA.

Achtergrond[bewerken]

In 1964 concludeerde de Commissie-Warren dat Lee Harvey Oswald in zijn eentje president John F. Kennedy had vermoord en dat er van een samenzwering geen sprake was geweest. Kort daarna begonnen critici het onderzoek en de conclusies van de commissie in twijfel te trekken. Een van de eersten was Mark Lane, de advocaat van Oswalds moeder. Al in december 1963 stuurde hij een document aan Earl Warren, voorzitter van de commissie, waarin hij 15 bewijzen tegen Oswald onder de loep nam. Dit document werd ook gepubliceerd in de National Guardian.[1] In 1966 schreef Lane het boek Rush to Judgement, waar een jaar later een documentaire van gemaakt werd.

In de volgende decennia werd door tal van critici een groot aantal zeer verschillende en dikwijls tegenstrijdige theorieën gepubliceerd. Van die theorieën zijn een groot aantal niet gebaseerd op nieuwe feiten, maar wordt het bestaande, merendeels door de Commissie-Warren verzamelde, materiaal anders uitgelegd.

Jim Garrison

Een belangrijke gebeurtenis was het proces dat officier van justitie Jim Garrison uit New Orleans in 1967 aanspande tegen de zakenman Clay Shaw. Garrison beschuldigde Shaw ervan deel van een samenzwering om Kennedy te vermoorden te zijn geweest. Na minder dan een uur beraadslagen sprak de jury Shaw vrij, maar ze was niettemin onder de indruk van Garrisons bewijsvoering. Uit Garrisons ondervraging van een arts, die de lijkschouwing op Kennedy had verricht, bleek onder meer dat een daarbij aanwezige generaal hem had bevolen de halswond van Kennedy niet nader te onderzoeken, en dat een admiraal hem had bevolen nooit meer te spreken over de sectie op de president. Als hij dat wel zou doen, zou hij gearresteerd worden. Verder wist Garrison de aandacht te vestigen op de film van Abraham Zapruder, een toeschouwer die de moord op de president toevallig had vastgelegd. Dit materiaal was voor het proces niet openbaar gemaakt, en lijkt de visie te ondersteunen, dat Kennedy niet alleen van achteren, maar ook van voren werd beschoten.

House Select Committee on Assassinations

In de jaren zeventig onderzocht de House Select Committee on Assassinations (HSCA), een speciale onderzoekscommissie van het Huis van Afgevaardigden, de moord. De HSCA keek naar de vele theorieën die inmiddels ontwikkeld waren en achtte die onbewezen. Zij beoordeelde een samenzwering als zeer waarschijnlijk, mede, maar niet uitsluitend, op basis van geluidsopnamen gemaakt met een dictabelt op een politiemotor. De interpretatie van dit bewijsmateriaal werd later weer ter discussie gesteld, zoals overigens bijna alle nieuwe feiten inzake de moord op de president. De HSCA besteedde echter, anders dan de Commissie-Warren en net zoals Jim Garrison, wel aandacht aan personen als Clay Shaw en de piloot David Ferrie, die met de in 1964 overleden privédetective Guy Banister blijkbaar een rol hadden gespeeld in de tegen president Castro van Cuba gerichte activiteiten van gevluchte Cubanen na de communistische revolutie aldaar. Ook zette men deskundigen aan het werk die het bewijs opnieuw moesten onderzoeken.

Film

Begin jaren negentig werd de discussie over mogelijke samenzweringen nieuw leven ingeblazen door filmregisseur Oliver Stone, die in 1991 de film JFK uitbracht. De film is grotendeels gebaseerd op Garrisons boek On the trail of the assassins (in het Nederlands vertaald onder de titel Op het spoor van de moordenaars) en deels op het boek Crossfire: the plot that killed Kennedy van Jim Marrs.[2] De door Garrison verzamelde nieuwe gegevens en interpretaties zijn samen met de ballistische forensische bevindingen van Marrs in de film van Stone verwerkt tot een alternatief verhaal. De jonge Lee Harvey Oswald wordt neergezet als een agent van de geheime dienst, die in een complot zit om de Amerikaanse president te vermoorden, maar later toch de autoriteiten waarschuwt voor de aanslag.

Sommigen beweren dat de werkelijke Lee Harvey Oswald inderdaad voor de moord op de president zou hebben gewaarschuwd (een gebeurtenis die men vaak aanhaalt is een briefje aan FBI-agent Hosty), maar dat zijn waarschuwingen werden genegeerd (Hosty zou het briefje, in opdracht van zijn direct leidinggevende, door het toilet gespoeld hebben). Garrison beweert verder in zijn boek dat de merkwaardige levensloop van Oswald, bijvoorbeeld zijn hoge veiligheidsklassering als radarspecialist, ondanks zijn belangstelling voor het communisme, alleen te verklaren is vanuit zijn mogelijke betrokkenheid met de CIA, die later ook door verschillende getuigenverklaringen van ex-medewerkers van de CIA is bevestigd.

Stones film leidde ook tot pogingen de verschillende complottheorieën te ontzenuwen. Zo schreef Gerald Posner het boek Case Closed, waarin hij tot de conclusie komt dat Oswald en diens moordenaar Jack Ruby beiden alleen handelden. Deze conclusie werd heftig tegengesproken en volgens sommigen bevat het boek grove onwaarheden.[3] Onderzoeker Vincent Bugliosi schreef het boek Reclaiming History, waarin hij tot dezelfde conclusie als Posner komt. De televisiezender ABC zond in 2005 de documentaire The Kennedy Assassination: Beyond Conspiracy uit, die een samenzwering eveneens tegenspreekt.[4]

Publieke opinie

Voor veel Amerikanen - na de film van Stone inmiddels een minderheid - is het idee dat de eigen overheid medeverantwoordelijk of zelf mede-aanstichter zou zijn van de moord op een van de meest hoopgevende en idealistische presidenten uit de geschiedenis van de Verenigde Staten, in strijd met hun beeld van 'de Amerikaanse droom' en daardoor onaanvaardbaar, hoeveel nieuw materiaal over de moord ook boven water komt - en dat is op jaarbasis nog altijd zeer veel.

Assassination Records Review Board

Naar aanleiding van de hernieuwde belangstelling, mede als gevolg van de film van Oliver Stone, werd de Assassination Records Review Board (ARRB) gevormd, die in 1998 haar eindrapport publiceerde. Daarin concludeerde zij dat veel van de onduidelijkheid over de moord mede werd veroorzaakt doordat de overheid veel documenten tot staatsgeheim heeft verklaard.[5]

Theorieën over het aantal schutters of schootsrichtingen[bewerken]

Dealey Plaza in 2003, gezien in noordoostelijke richting. Links een deel van de grasheuvel. Het linker van de twee bakstenen gebouwen is het schoolboekenmagazijn, het andere is het Dal-Texgebouw.
De schutting op de grasheuvel (gezien in meer westelijke richting)

In het volgende passeren diverse ideeën de revue, die door onderzoekers zijn geopperd over het aantal mogelijke schutters dan wel schootsrichtingen op de president. Aangezien er rondom de plaats van de moord op de president vele honderden getuigen aanwezig waren, ligt het voor de hand dat de getuigenissen van zovelen tegenstrijdigheden bevatten; maar hadden deze via gedegen onderzoek kunnen worden opgeheven. Dat dit niet gebeurd is, is mede oorzaak dat de vele hardnekkige speculaties over aantallen schutters en mogelijke plaatsen waarvandaan op de president is geschoten, zijn blijven bestaan. Plaatsen die eruit springen als 'schuttersnest' zijn het schoolboekenmagazijn aan Elm Street waar Oswald werkte (vanuit verschillende ramen op de bovenverdiepingen, achter de president), het Dal-Texgebouw op de hoek van Elm Street en Houston Street (achter de president) en de grasheuvel of Grassy Knoll, een deels omheinde heuvel met goed zicht op Elm Street (voor de president). In sommige theorieën, onder andere die van Garrison, is sprake van driehoeksvuur om een hinderlaag te leggen, hetgeen een beproefde militaire methode zou zijn.

Aanwijzingen voor Oswald als (enige) schutter[bewerken]

  • Het belangrijkste argument dat er één schutter was is het volgende: op Dealey Plaza waren vele getuigen. Bijna allemaal hoorden ze de schoten uit dezelfde richting komen: de meerderheid uit die van het schoolboekenmagazijn achter Kennedy, en een grote minderheid uit die van de grasheuvel, dichterbij voor de president. Slechts een handjevol hoorde de schoten uit meer dan één richting komen.[6]
  • Getuige Howard L. Brennan zag op de een-na-hoogste (de zesde) verdieping[7] van het schoolboekenmagazijn een man heen en weer lopen en later aanleggen voor 'een laatste schot'.[8] Brennan dacht eerst dat er rotjes naar buiten werden gegooid, maar zag later de schutter.[9]
  • Bonnie Ray Williams, werkzaam op de vijfde verdieping van het schoolboekenmagazijn, hoorde schoten op de verdieping boven hem en kreeg kalk op zijn hoofd.[10]
  • Kort na de moord werd op de zesde verdieping een geweer gevonden, verborgen tussen dozen, en een geïmproviseerde papieren zak.[11] Oswald had toen hij 's ochtends naar zijn werk ging een langwerpige papieren zak bij zich. Hij zei dat hij gordijnrails bij zich had, maar die werden in het pakhuis niet gevonden.[12] Vreemd genoeg werd er later in de postkamer een aan Oswald gericht pakje gevonden waar eveneens een papieren zak in zat.[13] Het hoe, wat en waarom omtrent dit pakje is nooit opgelost.
  • De kogel die op Connally's draagbaar werd gevonden en de kogelresten die in de limousine werden gevonden komen overeen met het Mannlicher-Carcanogeweer dat in het pakhuis werd gevonden.[14]
  • Het geweer was besteld onder de naam A. Hiddell. De naam Alek James Hiddell kwam voor op het valse identiteitsbewijs dat Oswald bij zijn arrestatie bij zich had. De FBI beweerde dat een afdruk van Oswalds handpalm op het geweer te vinden was, al kon dit niet worden geverifieerd doordat de afdruk per ongeluk van het geweer zou zijn gewist op het politiebureau.[15]
  • De foto's waarop Oswald staat afgebeeld met het vermoedelijke moordwapen, de zogenoemde "achtertuinfoto's", zijn in het rapport van de HSCA als authentiek aangemerkt.[16]
  • Na Oswalds arrestatie constateerde men dat Oswald nitraatsporen op zijn handen had zitten, die overeenkwamen met sporen bij iemand die recent een vuurwapen gehanteerd of afgevuurd had.[17]
  • Analyse van de kleding van Kennedy en Connally toonde aan dat beiden geraakt waren door kogels van achteren, die door de voorkant van hun kleding kwamen.[18]
  • Geheim agent Clinton Hill, die zich achter de limousine bevond, meende een schot te horen van rechts achter. Hij beschreef het geluid als 'dat van een rotje'. Zijn collega Roy Kellerman, die naast de chauffer in de limousine zat, gaf een vergelijkbare verklaring.[19]
  • Gouverneur Connally, die voor Kennedy zat, verklaarde in de documentaire The Men Who Killed Kennedy eveneens dat hij een schot van rechtsachter meende te horen.
  • Motoragent Marrion Baker getuigde dat hij een schot van rechtsachter meende te horen. Baker keek direct naar achteren, dat wil zeggen naar het schoolboekenmagazijn, en zag vogels opvliegen van het dak. Baker had kort voordien op herten gejaagd, zodat hij de geweerschoten direct als zodanig herkende.[20]
  • De Zapruderfilm toont dat er bloed komt uit de rechtervoorkant van Kennedy's slaap, maar geen uit de achterkant van zijn hoofd.[21]
  • De voorruit van de limousine werd aan de binnenkant geraakt, wat betekent dat het schot van achteren kwam.[22]
  • Volgens een in 2013 gemaakte computeranimatie behoort de single bullet-theorie wel degelijk tot de mogelijkheden: deze kogel zou dan van achter en boven Kennedy zijn afgevuurd.[23]

Aanwijzingen dat Oswald niet de (enige) schutter was[bewerken]

Reconstructiefoto: het zicht werd Oswald gedeeltelijk ontnomen door een boom
  • Op de 8mm-film van Abraham Zapruder grijpt Kennedy eerst naar zijn hals; daarna wordt zijn hoofd met grote kracht naar achteren geslagen.
  • Meer dan vijftig getuigen, de meerderheid van de mensen die op Dealey Plaza dicht bij de president waren, hoorden schoten uit de richting van het grasheuveltje voor de limousine.[24]
  • Het bestaan van zowel getuigen die de ene kant op wijzen als getuigen die de andere kant op wijzen, is in overeenstemming met de theorie dat er van meerdere kanten geschoten werd, en de getuigen werden geleid door het voor hen dichtstbijzijnde schot. Als er alléén van achteren geschoten zou zijn, zou een complete getuigengroep zich moeten vergissen.
  • Geheim agent Roy Kellerman, die ook in de limousine zat, meende dat Kennedy vier en Connally drie keer geraakt was. Hij zag een groot gat in het achterhoofd van de president, wat klopt met iemand die van voren wordt geraakt.[25]
  • Geheim agent Clint Hill, die verantwoordelijk was voor de veiligheid van Kennedy's vrouw en haar na de aanslag terug de auto induwde, beschreef dat de rechterachterkant van het hoofd van Kennedy weg was. Het lag op de achterstoel van de auto.[26][27] Dr. McClelland, die in het ziekenhuis Kennedy onderzocht, verklaarde dat een deel van de hersenen van de president weg was.[28]
  • Verschillende getuigen zagen een gat in de ruit van de limousine en niet enkel een barst zoals de Commissie-Warren schreef.[29]
  • Op Kennedy's overlijdenscertificaat wordt een plek vermeld waar hij geraakt zou zijn, die niet overeenkomt met wat te zien zou zijn op foto's van zijn overhemd[30] en jasje.[31]
  • Er zijn grote problemen met de gevonden kogelhulzen in het schoolboekenmagazijn: de hulzen werden zó keurig gerangschikt aangetroffen, dat het onwaarschijnlijk is dat ze zó uit het geweer zouden zijn weggeslingerd bij het afschieten. Eerder lijkt het erop dat ze daar netjes werden neergelegd.
  • Diverse getuigen, onder wie gevangenen die vanuit het nabijgelegen huis van bewaring toekeken en een zicht hadden op gelijke hoogte, zagen verschillende mannen met geweren achter ramen van het schoolboekenmagazijn, maar dit waren andere ramen dan het raam waarvandaan Oswald zou hebben gevuurd.
  • Van het aan Oswald toegeschreven geweer, een in 1940 geproduceerd Manlicher-Carcanogeweer, werd geen magazijn gevonden. Zonder magazijn snel achter elkaar schieten (drie keer in (maximaal) 5,6 seconden volgens de Commissie-Warren) is moeilijk. Geen enkele scherpschutter van de politie was op officiële reconstructies in staat om de aan Oswald toegeschreven handeling na te doen, terwijl ze toch betere schutters waren met beter materiaal.
  • Vanuit het raam op de zesde verdieping werd Oswalds mogelijke schootsveld naar Kennedy belemmerd door een boom. Het aan hem toegeschreven geweer had een slecht vizier, dat ook niet goed lijnde met de loop.
  • Een minuut na de schietpartij werd Oswald door motoragent Marrion Baker en zijn manager Roy Truly op de benedenverdieping van het schoolboekenmagazijn gezien.[32] Hij was níet buiten adem, wat toch het geval had moeten zijn, als hij een minuut daarvoor nog vanaf de zesde verdieping op de president had geschoten en vervolgens de trap af naar beneden was gerend.

Andere theorieën[bewerken]

Er zijn meer gebeurtenissen die critici vaak aanvoeren als aanwijzingen voor een samenzwering. Dat betreft enerzijds meerdere, enigszins merkwaardige, gebeurtenissen (op de plaats delict) in de navolgende dagen en anderzijds 'verdachte' gebeurtenissen rondom de kroongetuigen van Kennedy's moord.

In het volgende passeren diverse ideeën de revue, die door onderzoekers geopperd zijn, over de mogelijkheid van het bestaan van een samenzwering. Hard bewijs voor zo'n samenzwering is er echter niet.

Dood van kroongetuigen

Na de dood van Kennedy zijn een aantal kroongetuigen op een mysterieuze wijze overleden.[33] Warren Reynolds, de getuige die Oswald had gezien na de moord op Tippit, werd op het terrein van een handel in tweedehands auto's (waar hij werkte) op 23 januari 1964 doodgeschoten. De dader werd nooit gevonden.

De generaal die Kennedy bij San Antonio had begroet, evenals de kelner en de directeur van een afdeling bij de Dallas News die daar ook waren, stierven allen plotseling. Volgens artsen hadden zij totaal geen gezondheidsproblemen.

Twee jaar later was Oswalds voormalig hospita, Earlene Roberts, een kroongetuige van de Commissie-Warren,[34] aan de beurt. Ze stierf plotseling aan een beroerte.

Oswalds taxichauffeur, Bill Whaley, kwam om bij een verkeersongeluk. Roy Truly, de afdelingschef van het boekenmagazijn en baas van Oswald, werd onverwacht een jaar lang ziek en had langdurig medische hulp nodig.

Jim Koethe en Bill Hunter, verslaggevers van de Dallas Time Herald en de Long Beach Press Telegram, hadden rondgeneusd in het appartement van Jack Ruby. Op 23 april schoot een politieagent Hunter dood.[35] De agent verklaarde dat hij zijn wapen had laten vallen en dat het daarbij afgegaan was. Toen dat technisch gezien onmogelijk bleek te zijn, wijzigde de agent zijn verhaal.[36] Hij had een spelletje gespeeld; wie het snelste zijn wapen kon trekken. Dat was volgens hem de oorzaak dat Bill Hunter om het leven was gekomen. Zijn collega-agent keek net even de andere kant op.

Ook Koethe kwam op gewelddadige wijze om het leven toen iemand inbrak in zijn appartement en hem velde met een karateslag. De dader werd nimmer gearresteerd.

In 1965 pleegde Dorothy Kilgallen ogenschijnlijk zelfmoord. Kilgallen was een bekende televisiepersoonlijkheid en had Ruby acht minuten geïnterviewd in de gevangenis. De zelfmoord werd onderzocht, want de plaatselijke politie vond het verdacht dat ze gevonden werd in een slaapkamer die ze al jaren niet meer gebruikte, een boek bij zich had dat ze volgens getuigen al lang uit had, en ze geen leesbril op had, die ze normaal wel nodig had. De politie dacht dat het moord was, maar heeft dit nimmer kunnen bewijzen.

De verdachte getuigen

Enkele verdachte getuigen op de plaats delict worden vaak als onderdeel van een complot gezien.

Critici voeren drie verdachte getuigen aan als vermoedelijke leden van een complot. De eerste getuige betreft een donkergetinte man, die vlak na de moord op een stoeprand werd gesignaleerd. Op beeldmateriaal menen onderzoekers een radio in de hand van de man te zien (hij werd onder meer bekend als de man met de radio) en dat is volgens critici verdacht. De man had via de radio mogelijk met de schutter(s) gesproken. Hij is nooit gevonden.

De tweede verdachte getuige betreft een nog jonge man die op 22 november 1963, ten tijde van de moord, een paraplu opstak. Het regende tijdens de moord niet. Critici vinden het daarom merkwaardig dat deze "parapluman" zijn paraplu opstak. De parapluman verklaarde later dat hij dit deed om de aandacht van Kennedy te trekken, maar velen leggen deze verklaring uit als een leugen, om de werkelijke reden van deze daad te verhullen.

De derde verdachte getuige is een onbekende man die na de moord het plaats delict "vervuilde". Er dook een foto op, waarop een man te zien is die, onder toeziend oog van twee agenten, iets van het plaats delict oppakt en in zijn zak steekt. Hierbij denken critici aan een extra kogel. De man is niet opgespoord door de Commissie-Warren of de HSCA. Jim Garrison onderzocht dit voorval wel.[37]

De extra lijkschouwing

Een ander aspect wat regelmatig wordt aangevoerd is een illegale, extra lijkschouwing op Kennedy’s lichaam. Tussen de rit van Parkland Hospital naar Air Force One zou Kennedy’s lichaam volgens critici gestolen zijn.

In het boek Best Evidence beschrijft auteur David Lifton hoe hij in de documenten van de Commissie-Warren ontdekte dat agent Sibert op Kennedy's lichaam een heelkundige ingreep signaleerde. Agenten Sibert en O’Neill waren tijdens de lijkschouwing de gehele tijd aanwezig en schreven later in hun proces-verbaal: as wel as surgery of the head area, namely in the top of the skull.[38] In Parkland was zo'n ingreep echter helemaal niet verricht. Ook de tracheotomie, een snede in de luchtpijp die men in Parkland maakte, was in Bethesda Navy Hospital opmerkelijk groter geworden.

Een ander merkwaardig aspect dat vaak aangevoerd wordt, is de verwijdering en verdwijning van Kennedy's hersenen. In het programma Peter R. de Vries, misdaadverslaggever verklaarde de man die belast was met het opbaren van Kennedy’s lichaam "dat de achterkant van de schedel ernstig beschadigd was" en dat men "stukjes hersenen meenam".[39] Op de vraag van De Vries of dit normaal was, glimlachte de man en ontkende dat. Jim Garrison trachtte in 1966 Kennedy's hersenen op te vragen als bewijs, maar kreeg nul op het rekest.

Doofpotoperatie

Het meest voorkomende aspect dat critici aanvoeren om een samenzwering aannemelijk te maken, is een politieke doofpotoperatie. Volgens critici had president Johnson de commissie niet aangesteld om een grondig onderzoek uit te voeren, maar om de zaak in de doofpot te stoppen. De commissie moest op bevel van Johnson slechts concluderen dat er maar één dader was en dat een samenzwering uitgesloten was. Volgens critici zou deze redenering ook de slordigheden in het onderzoek verklaren.

President Ronald Reagan was het hier overigens mee eens. In een radio-interview zei hij dat hij meende dat Johnson bang was voor een samenzwering, waarbij de Sovjet-Unie betrokken zou zijn. Johnson zou om die reden de doofpotoperatie hebben gedirigeerd.[40]

Complottheorieën[bewerken]

Afhankelijk van het opinieonderzoek hecht tegenwoordig nog slechts 17 tot 32% van de Amerikaanse bevolking geloof aan het officiële standpunt, hetgeen reden is voor vele verschillende complottheorieën. Met name over de theorie over de magische kogel die Kennedy twee keer trof, daarna Connally verwondde en vervolgens zonder een krasje werd teruggevonden, bestaat veel scepsis. Er bestaat echter een computeranimatie (zie hiervoor de PBS-documentaire uit 2005) waaruit de mogelijkheid blijkt dat de kogel een rechte lijn kan hebben gevolgd, en niet, zoals de Commssie-Warren stelde, afboog na het raken van een rib van Kennedy en de pols van Connally. Niettemin wordt hiermee de conclusie van de Commssie-Warren over de weg die deze kogel zou hebben afgelegd toch onderuitgehaald, zij het dan wel met de bedoeling om de mening van de Commissie te ondersteunen, dat een enkele kogel verantwoordelijk zou zijn voor zeven verschillende verwondingen.

De Zapruderfilm van Abraham Zapruder wordt vaak aangehaald in complottheorieën, omdat daarin Kennedy's lichaam met kracht naar achteren slaat. Dit zou in overeenstemming zijn met de theorie, dat het dodelijke schot dat de zware hoofdwond in Kennedy's rechterachterhoofd veroorzaakte, van voren op de president werd afgevuurd, en dus niet van Oswald kon zijn of van iemand anders die van achteren op hem schoot; daarbij is een groeiend aantal critici van mening, dat bij de van achteren afgevuurde schoten op de president, Oswald in het geheel niet betrokken kon zijn.[23]

Voor al deze theorieën zijn argumenten en tegenargumenten te vinden. De vele onduidelijkheden en tegengestelde verklaringen blijven aanleiding geven tot allerlei speculaties.

In het algemeen wordt gesproken over de volgende groeperingen, die afzonderlijk of in enigerlei combinatie mogelijk een aandeel hebben gehad in de moord op Kennedy en daartoe elk hun eigen beweegredenen hadden:

Lyndon B. Johnson[bewerken]

Er waren veel geruchten[bron?] dat John F. Kennedy niet verder wilde met de Texaan Johnson als vicepresident. Johnson was in vier[bron?] schandalen verwikkeld. Een van die schandalen betrof de enorme landbouwfraude van zijn vriend Billie Sol Estes, waarin ook zijn naam genoemd werd.[41][42] Er gingen geruchten dat hij door die schandalen geen president meer kon worden.[43] Voormalig CIA-agent E. Howard Hunt beschuldigde Johnson (samen met enkele andere CIA-agenten) betrokken te zijn bij de moord op Kennedy.[44]

Op 18 september 1964, een kleine week vóór de Commissie-Warren haar eindrapport officieel presenteerde, had Johnson een telefonisch onderhoud met senator Richard Russel. In dat gesprek zei Russel, zelf lid van de commissie, dat hij de conclusies van de commissie niet geloofde. Johnson zei daarop: "[...] Ik ook niet [...]"[45]

CIA[bewerken]

In het openbaar nam Kennedy de verantwoordelijkheid op zich voor de mislukte invasie van Cuba in 1961. Persoonlijk legde hij de schuld echter bij de CIA en naar verluidt zou hij gezworden hebben die organisatie "in duizend kleine stukjes te zullen versplinteren".[46] Vooral Jim Garrison is na zijn onderzoek tot de conclusie gekomen, dat de top van de CIA uit mensen bestond, die er sterk belang bij hadden om Kennedy weg te krijgen. De door Kennedy ontslagen onderdirecteur van de CIA, Charles Cabell, was volgens Garrison betrokken bij de moord op Kennedy.[47]

FBI[bewerken]

J. Edgar Hoover en Robert F. Kennedy, de broer van John F. Kennedy, mochten elkaar niet en Hoover was het er niet mee eens dat Kennedy als minister van Justitie de baas over hem was. Robert Kennedy kon Hoover zelfs continu via een intercom tot de orde roepen. Er waren plannen om Hoover als FBI-directeur aan de kant te schuiven. Hoover was een goede vriend van Lyndon Johnson, de vicepresident die Hoover opdroeg het onderzoek naar de moord te leiden. Hoover leidde het onderzoek persoonlijk en werd kort daarna voor het leven benoemd tot directeur van de organisatie.

Secret Service[bewerken]

Een andere theorie stelt dat de Secret Service (de geheime dienst) achter de moord op Kennedy zat. Volgens Abraham Bolden, in die tijd agent van de Secret Service (de eerste van Afro-Amerikaanse afkomst), had hij van collega's vernomen dat deze Kennedy niet accuraat zouden beschermen tegen aanslagen; ze zouden nog liever ontslag nemen dan hun leven voor de president geven.[48] De HSCA concludeerde in haar eindrapport dat de veiligheidsdienst Kennedy 'niet voldoende had beschermd', wat de speculaties alleen maar deed toenemen.

Amerikaanse maffia[bewerken]

Kennedy wilde de maffia hard aanpakken, maar de organisatie had veel macht, ook binnen de politiek. Sinds enkele decennia had de maffia, zowel de Joodse als de Italiaanse, zijn illegale praktijken naar het Cubaanse Havana verplaatst. Fidel Castro had de maffia in 1959 zijn land uitgewerkt, en met een communistische leider zou er voor de maffia voorlopig geen plek zijn in Havana. Kennedy zag ervan af Castro's regime omver te werpen, waardoor de situatie voor de maffia uitzichtloos leek. In de ogen van de georganiseerde misdaad zou het verwijderen van JFK een kapitalistisch Cuba weer een stap dichterbij brengen, zodat Havana weer kon worden uitgebuit. Overigens had Frank Sinatra, op verzoek van Kennedy's vader, tijdens de verkiezingscampagne van JFK om hulp gevraagd aan maffiabaas Sam Giancana.[49] Giancana dacht dat Kennedy hem daarom een wederdienst schuldig was, maar Sinatra gaf aan dat hij het was die de gunst gevraagd had en uiteindelijk speelde de Rat Pack een week lang in Giancana's nachtclub in Chicago.

Daarnaast onderhield de maffia vermoedelijk nauwe contacten met J. Edgar Hoover, de hoogste chef van de FBI. Hoover heeft zelf altijd ontkend dat een dergelijke georganiseerde misdaad bestond. De maffia kon er met een gerust hart van uitgaan dat ze, als ze Kennedy zouden hebben gedood, Hoover makkelijk aan hun kant zouden krijgen.

Hoewel de Commissie-Warren dit ontkende, gaf de HSCA aan dat Jack Ruby, de latere moordenaar van Lee Harvey Oswald, banden had met de georganiseerde misdaad.[50][51] De HSCA onderkende in haar rapport verder dat er geruchten gingen dat ook Lee Harvey Oswald banden met de maffia had.[52]

De HSCA onderzocht ook geruchten dat maffiakopstuk Carlos Marcello bedreigingen aan het adres van John Fitzgerald en Robert Kennedy geuit had. De HSCA identificeerde een informant die in 1962 bij Marcello aanwezig was op Churchill Farm in New Orleans. Volgens de informant had Marcello aangegeven president Kennedy door een gek te zullen laten vermoorden.[53] De FBI beschikte eind jaren zestig al geruime tijd over deze informatie zonder er iets mee gedaan te hebben. Integendeel: met medeweten van de top probeerde de FBI de betreffende informant in diskrediet te brengen. Ook vanuit de onderwereld werden pogingen in die richting ondernomen. De HSCA concludeerde dat de informant, die zelf ook banden met de onderwereld had, mogelijk geen betrouwbare getuige was.

Op 2 mei 2006 werd een aflevering van het Nederlandse televisieprogramma van Peter R. de Vries aan de moord op John F. Kennedy gewijd. De Nederlander Wim Dankbaar, die jarenlang onderzoek deed naar de moord, stelde dat deze door de maffia in samenwerking met de CIA gepleegd was. Veel hooggeplaatste figuren in de toenmalige Amerikaanse regering zouden (in)direct belang hebben gehad bij de moord op Kennedy. Niet Lee Harvey Oswald, maar James Files, een huurmoordenaar van de Amerikaanse maffia, zou een fataal schot hebben gelost. Dit zou hij gedaan hebben vanachter een hek bij de grasheuvel. De aanslag zou zijn uitgevoerd door in totaal drie schutters.

Bovendien zou Lee Harvey Oswald volgens Dankbaar geen communist zijn, maar juist een CIA-medewerker die in opdracht van zijn werkgever net deed alsof hij communist was om zo te kunnen infiltreren in communistische kringen. Guy Bannister, voormalig FBI-agent, CIA-agent en lid van de anti-Castrobeweging, zou zelfs hebben samengewerkt met Oswald. In de documentaire zijn ook interviews met James Files te zien, die zegt het fatale schot te hebben gelost met een toen zeer modern Remington Arms Fireball XP-100-handgeweer. James Files zit levenslang in de gevangenis voor een poging tot moord op een politieagent.

Banken en de Illuminatie[bewerken]

Tot nu toe leende de Amerikaanse overheid het geld van de Federal Reserve, de Centrale Bank van Amerika die in particuliere handen is. Deze bank drukt het geld en vraagt daar rente voor, in feite voor niet bestaand geld. De eigenaren, enkele families die banden hebben met de Kennedy-familie, zijn machtig en rijk en worden in complottheorieën de Illuminati genoemd. Deze Illuminati zouden op vele gebieden de touwtjes in handen hebben. Volgens de theorieën streven zij naar een nieuwe wereldorde, waarin de politieke en financiële macht in hun handen is. Kennedy wilde hun macht breken en begon in overeenstemming met de Amerikaanse grondwet zelf geld te drukken. Na zijn dood werd de beslissing weer teruggedraaid. In een toespraak op 27 april 1961 verklaarde hij dat "wij [allen] tegenstander zijn van geheime genootschappen en geheime besprekingen" tegenover de verzamelde pers.

Sovjet-Unie[bewerken]

De Sovjet-Russische KGB zou de moord op Kennedy hebben gepleegd, in opdracht van Nikita Chroesjtsjov, die bang was dat de onberekenbare Kennedy een heuse kernoorlog zou uitlokken. Deze theorie wordt extra gestaafd, doordat Oswald een tijd in Rusland woonde en zodoende gerekruteerd kon worden door de KGB. Hij had ook een Russische vrouw. De KGB zou overigens volgens het Mitrochin-archief via een vervalste brief van Lee Harvey Oswald de CIA de moord in hun schoenen hebben willen schuiven.

Militair-industrieel complex[bewerken]

Deze term komt uit de laatste presidentiële toespraak van Dwight D. Eisenhower en gaat over de macht van de wapenindustrie en de samenwerking met Defensie. De Cubacrisis was afgewend en Kennedy zou van plan zijn de Amerikaanse troepen uit Vietnam terug te trekken. Hierdoor zou het complex een fortuin mislopen. Na Kennedy's dood werd deze beslissing door Johnson vrijwel onmiddellijk teruggedraaid en werd de militaire aanwezigheid van de VS in Vietnam juist sterk opgevoerd.

Fidel Castro[bewerken]

Verschillende malen was geprobeerd Castro te vermoorden en de samenwerking was niet bepaald plezierig te noemen.

Op 6 januari 2006 werd op het Duitse televisiekanaal ZDF een documentaire vertoond die de theorie dat Fidel Castro opdracht zou hebben gegeven tot de moord weer naar voren brengt.

De Duitse journalist Wilfried Huisman was onder meer op het spoor gekomen van een zekere Oscar Marino, voormalig agent van de Cubaanse geheime dienst G-2. Deze vertelde hem dat zijn dienst Oswald, een man die overliep van wrok en ressentiment, gebruikt had om de aanslag te plegen.

Castro had opdracht gegeven tot die aanslag uit wraak voor de diverse (mislukte) moordaanslagen die de CIA op hem had beraamd (op instigatie van JFK's broer Robert).

Kennedy's opvolger Johnson, die zich nog goed herinnerde hoe een crisis om Cuba kort tevoren bijna tot een wereldoorlog had geleid, vond dat deze affaire geen oorlog waard was (het Amerikaanse publiek zou, als het de ware toedracht had gekend, waarschijnlijk zo opgewonden zijn geraakt dat een oorlog tegen Cuba moeilijk te vermijden zou zijn geweest; die oorlog zou op zijn beurt weer gemakkelijk hebben kunnen escaleren tot een oorlog met de Sovjet-Unie). Hij beval daarom dat alle sporen naar de werkelijke opdrachtgever moesten worden uitgewist. De schuld moest dus op een "op eigen houtje handelende gek" ("lone nut") worden geworpen. Het is meer dan waarschijnlijk dat Oswald vervolgens op last van de CIA werd vermoord, om te voorkomen dat bij zijn verhoor en berechting de ware toedracht toch zou uitlekken. Overigens is er veel in het leven van Oswald, dat wijst op verwevenheid met de CIA en spionage: onder andere zijn hoge veiligheidsklassering als radarspecialist bij de Marine, op een basis voor spionagevluchten boven de Sovjet-Unie, alsook het gemak waarmee hij de Sovjet-Unie binnenkwam en weer kon verlaten in 1961.

Een wrang aspect zou zijn dat Kennedy zojuist begonnen was met pogingen de relatie met Fidel Castro weer wat te verbeteren, of tenminste de escalatie van het conflict te beëindigen, maar het is mogelijk dat de moordaanslag toen al bij G-2 "in de pijpleiding zat" en niet meer tijdig kon worden gestopt.

Huisman vermeldt ook een KGB-document dat zijn theorie bevestigt. De documentaire draagt echter niet meer bewijs aan voor de theorie van Huisman dan er is voor vele andere opvattingen.

Ex-Cubanen[bewerken]

Deze groep wilde Cuba graag terug, en tot ver in 1962 wemelde het in het zuiden van de VS van trainingskampen van Cubanen, die Castro met Amerikaanse hulp uit het zadel wilden lichten. Dwight D. Eisenhower, Kennedy's voorganger, had al toestemming voor deze trainingskampen gegeven. De kampen stonden onder regie van de CIA, waarbij met name directeur Cabell op de voorgrond trad. Binnen de geheime diensten had deze groep zeer veel openlijke steun gekregen. Pas na de Cubacrisis in oktober 1962, waarbij Kennedy met Nikita Chroesjtsjov overeenkwam om de soevereiniteit van Cuba te respecteren, werden deze geleidelijk ontbonden.

Na de moord is een donkergetinte man gesignaleerd. Hoewel zijn identiteit nooit is achterhaald, denken sommigen dat deze man een Cubaan was. Hij wordt ook wel Umbrella Man Friend genoemd, omdat hij kort na de schietpartij naast de zogenaamde Umbrella Man (parapluman) op het trottoir zat en met hem in gesprek leek te zijn. Anders dan die van de donkergetinte man, werd de identiteit van de parapluman later wel vastgesteld. In een verklaring gaf de parapluman, Louis S. Witt, aan dat hij zich de man als een negroïde man herinnerde.[54]

Israël[bewerken]

Na de gevangenisstraf van Menachim Ben, een voormalige jood, zou de Israëlische inlichtingendienst Mossad wel eens achter de moord op Kennedy kunnen zitten. Hun motief zou zijn dat Kennedy het niet eens was met het opbouwen van een chemische wapenfabriek en daarbij was het volk diep verontwaardigd, toen Kennedy zei dat de joden zich net als de nazi's gedroegen.

De olie-industrie[bewerken]

Voor zijn dood had Kennedy een paar oliemaatschappijen te kennen gegeven van plan te zijn om een nieuw belastingstelsel op de olie-industrie toe te passen. Uit cijfers bleek dat de olie-industrie 187.000.000 dollar per maand omzet maakte. Kennedy wilde hierover maandelijks 30.000.000 dollar aan belastinggelden binnenhalen, opdat hij meer steun zou kunnen bieden aan de arme bevolking in Amerika en diverse derdewereldlanden. Voor de handelaren zelf, waaronder George H.W. Bush, was dit pure broodroof en dus onacceptabel. Opmerkelijk is dat Bush toentertijd ook een medewerker van de CIA was en mogelijk op Dealy Plaza aanwezig was.[55] Dit doet de speculaties over Bush' eventuele betrokkenheid bij de moord op Kennedy alleen maar toenemen.

Vlak voor haar dood in 2002 verklaarde Madeleine Duncan Brown, een langdurige buitenechtelijke vriendin van Lyndon B. Johnson, dat de eerste plannen om Kennedy te vermoorden al gesmeed werden in 1960, kort vóór Kennedy als Democratische presidentskandidaat gekozen werd. Naast Johnson zou ook oliemagnaat H.L. Hunt er vanaf het begin bij betrokken zijn. De groep werd allengs uitgebreid en omvatte uiteindelijk ook FBI-baas J. Edgar Hoover, Clyde Tolson, John J. McCloy (later lid van de Commissie-Warren), Jack Ruby (die later Lee Harvey Oswald dood zou schieten), voormalig vicepresident (en toekomstig president) Richard Nixon, verschillende maffiakopstukken en diverse kranten- en televisiejournalisten. Op 21 november 1963 kwamen leden van de groep 's avond bijeen. Rond 23.00 uur kwam vicepresident Johnson, vergezeld van Brown, onverwachts langs. Gastheer Clint Murchison belegde een spoedoverleg in de vergaderzaal. Johnson bleef niet lang binnen en zou de zaal hebben verlaten met de woorden "Na morgen zullen die hufters me nooit meer voor schut zetten. Dat is geen dreigement, maar een belofte".[56][57][58]

Ook Bob Haldeman, stafchef van het Witte Huis in de tijd van Nixons presidentschap, schreef in zijn memoires (The Ends of Power) dat hij aanwijzingen had dat de olie-industrie, met name Howard Hunt en Richard Nixon, achter de moord op Kennedy zaten. Volgens Haldeman waren er transcripten van een gesprek tussen Nixon en politiek adviseur Chuck Colson, waarin Colson zou hebben gezegd: "[...] Wel, hij heeft al heel wat lastige karweitjes voor ons opgeknapt [...] slaagde er in heel wat ingewikkelde zaken in de jaren zestig op te lossen." Het volgende gedeelte was, volgens Haldeman, met het oog op de nationale veiligheid uit de documenten geschrapt. Vervolgens kwam Nixon aan het woord. "[...] ik ben het daar niet mee eens. Als er ooit iets met hem gebeurt, kun je er zeker van zijn dat hij het hele boekje over de Varkensbaai zal opendoen." Haldeman beweert in zijn memoires dat 'Varkensbaai' een codenaam was voor de moord op Kennedy en stelt: "Het lijkt erop dat de cryptische verwijzing naar de moord op Kennedy is geschrapt."[59]

In juni 1971 nam een opnameapparaat in het kantoor van president Nixon een gesprek op, waarin Nixon aan Haldeman instrueerde Richard Helms, toenmalig directeur van de CIA, te bellen om de CIA opdracht te geven het FBI-onderzoek naar wat later bekend zou worden als het Watergateschandaal te frustreren. Zo niet, zou "het hele Varkensbaaigedoe weer opduiken" op een "ongunstig moment voor de CIA, het land en de buitenlandse politiek". Helms weigerde en schreeuwde zenuwachig: "de Varkensbaai had hier niets mee te maken. Ik ben niet bezorgd over de Varkensbaai".[60]

Aangezien de mislukte invasie in de Varkensbaai niet echt een geheim was, moest Varkensbaai hier een code voor iets anders zijn. Haldeman vermoedde dat hiermee de moord op Kennedy bedoeld werd.[59] Anderen houden het op een beraamde, maar nooit uitgevoerde, aanslag op het Cubaanse staatshoofd Fidel Castro.

Zelfmoord[bewerken]

Ook geloven sommige mensen dat Kennedy zelfmoord pleegde: ze vonden het vreemd dat zijn weduwe Jacky Kennedy niet bepaald rouwig was ten tijde van de begrafenis. De theorie is dat Kennedy aan haar medegedeeld had dat hij bang was vanwege zijn ziekte (de ziekte van Addison) een afschuwelijk einde te moeten meemaken en dat hij zich ten tijde van de rit door Dallas door een huurmoordenaar op zijn eigen verzoek liet doodschieten. Deze theorie kan verwaarloosd worden. Zo weigerde Jacky Kennedy, toen haar mantelpakje onder het bloed van haar man zat, andere kleding aan te doen. Ze zou hebben gezegd: "Laat ze maar zien, wat ze gedaan hebben!" Dit mantelpakje wordt overigens nog altijd in de National Archives bewaard.[61][62]

Externe links[bewerken]

Referenties[bewerken]

Noten
  1. (en) Oswald Innocent?—A Lawyer’s Brief oorspronkelijk gepubliceerd op 19 december 1963
  2. Jim Marrs: Crossfire: the plot that killed Kennedy. 1989, Carrol & Graf Publishers. ISBN 9780881846485
  3. (en) JFK Assasination.net
  4. (en) The Kennedy Assassination: Beyond Conspiracy op YouTube
  5. (en) Eindrapport Assassination Records Review Board
  6. (en) McAdams: Shots
  7. Naar Europese maatstaven de vijfde verdieping. Echter, in de Verenigde Staten wordt de begane grond als eerste verdieping geteld. In Amerikaanse documenten is daardoor sprake van "the sixth floor". Deze telling is in dit artikel ook aangehouden.
  8. (en) Testimony of Howerd Leslie Brennan, JFK Assassination.net
  9. (en) Testimony Howard L. Brennan, Warren Commission Hearings and Exhibits, vol. III, p.144
  10. (en) Testimony of Bonnie Ray Williams, JFK Assassination.net
  11. (en) Rapport van de Commissie-Warren
  12. (en) JFK-Assassination.de
  13. (en) Gary Murr: The Undeliverable Package
  14. (en) Rapport van de Commissie-Warren
  15. (en) Rapport van de Commissie-Warren
  16. (en) Verklaring van de HSCA, volume 4, conclusie B, alinea D, nr. 377
  17. (en) Paraffin Tests, Commission Document 1 - FBI Summary Report
  18. (en) Rapport van de Commissie-Warren
  19. (en) Rapport van de Commissie-Warren vanaf In the Presidential Limousine
  20. (en) Getuigenverklaring van Marrion Baker Warren Commission Hearings and Exhibits, volume 3, p246
  21. (en) McAdams: Jet Effect
  22. (en) Rapport van de Commissie-Warren
  23. a b (en) pbs.org: Who was Lee Harvey Oswald?
  24. (en) History Matters.com
  25. (en) JFK Assassination.net
  26. (en) JFK Assassination.net
  27. (en) JFK Assassination.net
  28. (en) JFK Assassination.net
  29. (en) Was there a bullet hole in the windshield? The Puzzle Palace
  30. foto op JFK lancer.com
  31. foto op JFK lancer.com
  32. Summary and Conclusions Rapport van de Commissie-Warren
  33. William Manchester Death Of a President: 1963 Uitgeverij Bruna
  34. (en) Testimoney Earlene Roberts Warren Commission, Hearings and Exhibits Vol VI, p434
  35. (en) Artikel over Bill Hunter
  36. Flip de Mey Cold Case Kennedy
  37. Jim Garrison On the trail of the assassins
  38. (en) CD7, FBI Summery Report
  39. Peter R. de Vries misdaadverslaggever, aflevering: De Moord op JFK (prt. 1)
  40. Reagan in his own voice, CD 5, Track 13
  41. Artikel NY Times
  42. (en) Artikel Alinea 4
  43. Robert Dallek Flawed Giant, Lyndon Johnson and his times
  44. American Spy: My secret History in the CIA, Watergate and beyond
  45. Michael Beschloss Taking Charge: The Johnson White House Tapes (1963-1964)
  46. (en) HSCA Report
  47. (en) Artikel in Washington Post
  48. Abraham Bolden: The Echo from Dealey Plaza, p. 18. 2008, Harmony Books, New York. ISBN 978-0-307-38201-6
  49. (en) Tina Sinatra: Mob Ties Aided JFK, CBS News, 5 oktober 2000. Geraadpleegd op 19 juni 2014.
  50. (en) What Did the Warren Commission Say about Jack Ruby?, 22november1963.org.uk
  51. (en) Verklaring van de HSCA, volume 9, hoofdstuk 1, conclusie 2a, 2b en 2c
  52. (en) Verklaring van de HSCA, volume 9, hoofdstuk 1, conclusie 4
  53. (en) Eindrapport HSCA, p. 171
  54. (en) Testimony of Louie Steven Witt
  55. (en) Did George H.W. Bush Coordinate a JFK Hit Team? Veterans Today, 30 maart 2013.
  56. (en) LBJ Night Before JFK Assassination: "Those SOB's Will Never Embarrass Me Again, PrisonPlanet.com, augustus 2006. Geraadpleegd op 20 juni 2014.
  57. Flip de Mey: Cold Case Kennedy. 2013, Lannoo Uitgeverij, Antwerpen. ISBN 9789401409520
  58. Madeleine D. Brown: Texas in the Morning: The Love Story of Madeleine Brown and President Lyndon Baines Johnson, blz. 166. 1997, Conservatory Press. ISBN 0-941401-06-5
  59. a b Bob Haldeman: The Ends of Power. 1978, Dell Publishing. ISBN 978-0440122395
  60. (en) The "Bay of Pigs Thing", Mary Ferrel Foundation
  61. Waarom niemand het roze pakje van Jackie Kennedy mag zien Nieuwsblad.be, 20 november 2013
  62. (en) Gift of Historical Materials Relating to Jacqueline B. Kennedy, National Archives