Therapeutische breedte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De therapeutische breedte (ook: therapeutische index of therapeutische ratio) van een geneesmiddel is het verschil tussen een net effectieve dosering en een net niet toxische dosering.

De breedte wordt ook uitgedrukt als ratio, namelijk de verhouding tussen de dosis die een toxisch effect geeft bij 50% van de populatie (TD50) en de dosis die een minimaal effect geeft bij 50% van de populatie ED50)

De formule voor de therapeutische ratio is de volgende:

\mbox{Therapeutische ratio} = \frac{\mathrm{TD}_{50}}{\mathrm{ED}_{50}}

Bij middelen met een grote therapeutische breedte (en ook een hoge ratio) hoeft men niet zeer zorgvuldig te werk te gaan om een effect te krijgen zonder veel kans op nadelige effecten.

Bij middelen met een kleine therapeutische breedte (dus een lage ratio) ligt dat anders; geeft men juist genoeg dan is er geen vuiltje aan de lucht, geeft men bijvoorbeeld twee keer zoveel, of is de patiënt in kwestie toevallig niet zo goed in staat het middel te metaboliseren (en hierin bestaan voor veel middelen bij veel mensen en dieren grote verschillen) dan kunnen er al vergiftigingsverschijnselen optreden.

Soms is het nodig bij toediening van een geneesmiddel na enige tijd te controleren hoeveel van het middel zich in het bloed bevindt.

Een voorbeeld van middelen met een grote therapeutische breedte is de groep van de benzodiazepinen, kalmerende en slaapmiddelen die ook bij een overdosering van 10 of 20x de normale dosis zelden ernstige problemen geven.

Voorbeelden van middelen met een geringe therapeutische breedte zijn bijvoorbeeld digoxine, gentamycine, lithiumcarbonaat, colchicine en zelfs het bekende paracetamol.