Thomas Bernhard

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Thomas Bernhard (Heerlen, 9 februari 1931Gmunden, 12 februari 1989) was een Oostenrijks schrijver en een toonaangevend dramaticus.

Leven[bewerken]

Thomas Bernhard werd geboren in de Vroedvrouwenschool te Heerlen. Moeder Herta Bernhard raakte in Oostenrijk zwanger van een man met wie zij niet gehuwd was, de timmerman Alois Zuckerstätter. Om de zwangerschap te verbergen (ook voor haar ouders) en om extra inkomen voor haar familie te verdienen, vertrok zij in juni 1930 naar Nederland, waar ze werd opgevangen door vriendinnen uit haar geboortestreek, en werkte als dienstmeisje op diverse adressen. In de Vroedvrouwenschool in Heerlen werd op 9 februari 1931 Thomas geboren. In september 1931 keerde zij met Thomas terug naar Oostenrijk. Bernhard had een zwakke gezondheid. In zijn vroege jeugd werd hij door zijn grootouders opgevoed, en in 1942 te Salzburg op pensionaat gestopt, waar hij boekhoudkunde volgde. Tussen 1951 en 1954 studeerde hij musicologie in Wenen, en volgde daarna in Salzburg les aan de Universität für Musik und Darstellende Kunst "Mozarteum" Salzburg. Ondertussen werkte hij als gerechtelijk verslaggever, en in 1957 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, Auf der Erde und in der Hölle. Het zijn sombere, evocatieve gedichten met een surrealistische inslag. Bernhard studeerde vervolgens dramaturgie te Salzburg, en ging in het dorpje Ohlsdorf wonen.

Zijn grote doorbraak kwam met zijn eerste roman, Frost, over een student die in het vervallen, ijskoud mijnwerkersdorpje Weng een excentrieke schilder moet observeren, van wie beweerd wordt dat hij gek is. De troosteloze, grijze omgeving vol hondenkadavers is een metafoor voor de weerzinwekkendheid van de mensen in het algemeen, en de afstotelijke natuur van de beschaving. De roman was een revelatie, zij het op een zeer eigenzinnige wijze: het werk staat bol van de walging en de afkeer die Bernhard voor zijn vaderland voelde, en de erkenning die hem in Oostenrijk te beurt viel, heeft zijn oordeel over dit land nooit milder gemaakt. In 1965 won Bernhard de Bremer Literaturpreis. Hij werd vooral actief als toneelauteur, en schreef theaterstukken aan de lopende band. Stuk voor stuk zijn het verbolgen, verbitterde en duistere schilderingen van de eenzaamheid, vijandelijkheid en stompzinnigheid van de mens, die denkt te kunnen liefhebben, maar in feite op lange termijn alleen nog maar kan haten en verafschuwen. Meer nog, die haat is noodzakelijk, want walging is wat mensen in beweging houdt. Hiermee profileerde Bernhard zich als een uitgesproken cultuurpessimist, met bovendien bijzonder veel zwarte humor en sarcasme. Ein Fest für Boris leverde hem in 1970 de Georg-Büchner-Preis op.

Graf van Thomas Bernhard

Bernhard bleef in aanzien stijgen, en was voortdurend op reis. Wanneer hij thuis was, trok hij zich terug in een onooglijk dorpje in Opper-Oostenrijk, waaraan hij een hekel had, maar er waren tenminste niet zoveel mensen. Men zag hem dikwijls in Weense koffiehuizen zitten; hij gaf maar zelden interviews, want hij hield niet van journalisten. Hij was een vrijgezel en misantroop, die met gezondheidsproblemen kampte, en hij koketteerde graag met zijn mensenhaat. Bernhard hield zich het liefst afzijdig bij maatschappelijke debatten, en cultiveerde zijn imago als de buitenstaander die het gemaakt had. Wanneer toneelstukken van hem in het Burgtheater werden opgevoerd, was zijn oordeel vaak vernietigend, ofschoon deze uitlatingen niet zelden een ironische ondertoon hadden. Minetti en Ritter, Dene, Voss schreef hij speciaal voor de gelijknamige acteurs.

Zijn voortdurende afwijzing van Oostenrijk en zijn bewoners vonden hoofdzakelijk in intellectuele kringen resonantie; de stukken en romans van Bernhard zijn soms behoorlijk zware lectuur, met een opzettelijk elitaire houding. Bernhard vergt van zijn lezers een voldoende culturele bagage en vertrouwdheid met wetenschap, geschiedenis en zeldzaam vocabularium. De excentrieke Bernhard dreef het nihilisme van zijn generatie tot het uiterste; ook suïcide is een courant thema in zijn werk. In Alte Meister, een roman waarvan de vertelde tijd ternauwernood een uur of drie bedraagt en die zich in het Kunsthistorisches Museum van Wenen afspeelt — meer bepaald op een bankje vóór Man met witte baard van Tintoretto —, laat hij het hoofdpersonage, dat niet de verteller is, de hele menselijke cultuur tot schroot herleiden, in volzinnen die soms een hele bladzijde bestrijken en die Bernhards hypnotische, retorische vertelstijl die reeds in zijn lyriek tot uiting kwam, dik in de verf zetten.

Waarom Bernhard zo pessimistisch was, en of dit door zijn persoonlijke ervaringen kwam, heeft na zijn dood tot enige speculaties geleid, toen zijn allereerste roman gepubliceerd werd, In der Höhe — Rettungsversuch, Unsinn. Bernhard had zich steeds tegen publicatie tijdens zijn leven verzet. De roman schijnt grotendeels autobiografisch te zijn; hij bestaat uit één enkele zin, die over bijna tweehonderd pagina's wordt uitgesmeerd en pas helemaal op het eind met een punt eindigt. Het is een verbitterde, zwaar melancholische woordenstroom, die een zwakke, kwetsbare jongeman toont die door iedereen in de steek wordt gelaten, nergens nog in kan geloven en aan alles een hekel krijgt. In de latere werken van Bernhard wordt de toon nog veel killer en afstandelijker.

Een jaar vóór zijn dood ontketende Bernhard een schandaal met zijn toneelstuk Heldenplatz; hij beweerde dat het Oostenrijk van die tijd nog niets veranderd was ten opzichte van de tijd van het fascisme. Hij had echter ook verdedigers, die hem meer dan ooit loofden. Bernhard werd gehuldigd als een van de grootste auteurs van Oostenrijk. Hij wreekte zich op het land door middel van zijn testament, waarin hij stipuleerde dat, tot vijftig jaar na zijn dood, geen enkel van zijn toneelstukken op Oostenrijkse bodem mocht worden opgevoerd, wat inhoudt dat Bernhard tot 2039 niet in Oostenrijk gespeeld mag worden. Zijn erfgenaam heeft de voorwaarden in 1999 echter verlicht, en er worden inmiddels regelmatig werken van Bernhard in het Burgtheater opgevoerd.

Werken[bewerken]

  • 1957 Auf der Erde und in der Hölle (dichtbundel)
  • 1958 Unter dem Eisen des Mondes (dichtbundel)
  • 1958 In hora mortis (dichtbundel)
  • 1959 Die Rosen der Einöde (libretto)
  • 1963 Frost (roman)
  • 1964 Amras (verhaal)
  • 1967 Verstörung (roman)
  • 1968 Ein Fest für Boris (toneel)
  • 1968 Ungenach (vertelling)
  • 1969 Watten (vertelling)
  • 1969 Ereignisse (kort proza)
  • 1970 Das Kalkwerk (roman)
  • 1971 Midland in Stilfs (verhalenbundel)
  • 1971 Der Italiener (verhaal/filmscript)
  • 1971 Gehen (vertelling)
  • 1972 Der Ignorant und die Wahnsinnige (toneel)
  • 1974 Die Jagdgesellschaft (toneel)
  • 1974 Die Macht der Gewohnheit (toneel)
  • 1975 Korrektur (roman)
  • 1975 Der Präsident (toneel)
  • 1975 Die Ursache. Eine Andeutung (autobiografie deel 1)
  • 1976 Der Keller (autobiografie deel 2)
  • 1977 Minetti (toneel)
  • 1978 Immanuel Kant (toneel)
  • 1978 Der Atem (autobiografie deel 3)
  • 1978 Der Stimmenimitator (kort proza)
  • 1978 Ja (vertelling)
  • 1980 Die Billigesser (vertelling)
  • 1981 Die Kälte (autobiografie deel 4)
  • 1982 Wittgensteins Neffe (roman)
  • 1982 Ein Kind (autobiografie deel 5)
  • 1982 Beton (roman)
  • 1983 Der Schein trügt (toneel)
  • 1983 Der Untergeher (roman)
  • 1984 Holzfällen. Eine Erregung (roman)
  • 1984 Ritter, Dene, Voss (toneel)
  • 1985 Alte Meister (roman)
  • 1986 Auslöschung. Ein Zerfall (roman)
  • 1988 Heldenplatz (toneel)
  • 1990 In der Höhe — Rettungversuch, Unsinn (postume roman)

Literatuur[bewerken]

  • Andreas Dorschel, 'Lakonik und Suada in der Prosa Thomas Bernhards', in: Thomas Bernhard Jahrbuch 2007/08, 215-233.
  • Niels Bokhove, '"Im Grunde bin ich ein Meermensch". Thomas Bernhards eerste levensmaanden in Nederland', Het Land van Herle. Historisch tijdschrift voor Parkstad Limburg 61 (2011) 1, p. 1-30; zelfstandige herdruk: Uitg. Huis Clos, Rimburg, febr. 2014. - Duitse, bewerkte versie o.d.t. '"Im Grunde bin ich ein Meermensch", Thomas Bernhards erste Lebensmonate in den Niederlanden. Eine Dokumentation' in: Thomas Bernhard Jahrbuch 2009/2010, p. 155-175.
Bronnen, noten en/of referenties
  • Barbara Baumann & Brigitta Oberle (1985), Deutsche Literatur in Epochen. München: Max Hueber.
  • Gerhard Fricke & Mathias Schreiber (1988), Geschichte der deutschen Literatur. Paderborn: Ferdinand Schöningh.
  • Wolf Wucherpfennig (1986), Geschichte der deutschen Literatur. Von den Anfängen bis zur Gegenwart. Stuttgart: Ernst Klett.