Tiende

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De betaling van de Tienden, Pieter Brueghel de Jonge, 1618

Een tiende (tiendrecht en tiendenrecht) is een vorm van winstbelasting, waarbij men een deel van de opbrengst dient te betalen. Oorspronkelijk bedroeg dit een tiende deel; uit de middeleeuwen zijn echter ook andere fracties bekend.

Geschiedenis[bewerken]

In de Bijbel wordt al gesproken (Deuteronomium 12:11) over het afdragen van tiende van de oogst aan de Joodse Tempel.

De tiende werd in Europa pas ingevoerd ten tijde van Pepijn III (714-768). Het was bedoeld als een sociale belasting, die moest dienen ter financiering van de armenzorg, het levensonderhoud van parochiepriesters en de instandhouding van kerkgebouwen. De regel was dat iedereen een tiende deel van zijn oogst zou afdragen. Een derde van de tiende werd besteed aan sociale werken, een derde kwam toe aan de dorpspastoor en een derde aan de parochiekerk. In gebieden waar de tiende pas in latere eeuwen werden ingevoerd, kwam er ook een deel toe aan de bisschop.

Van kerkelijk goed naar leengoed[bewerken]

Alhoewel de tiende in principe een kerkelijke en sociale belasting was, kwam ze op sommige plaatsen toch in het lekenbezit terecht. Omdat een tiende in principe een financieel goed was, kon men ze namelijk ook perpetueel te gelde maken. Soms kwam een tiende daardoor zelfs in het leengoed terecht. In dorpen waar een kerk tot stand gekomen was uit een lekeninitiatief (een eigenkerk van een dorpsheer bijvoorbeeld), werd de tiende echter soms onrechtmatig toegeëigend door de eigenaar van die kerk (usurpatie). Tegen dergelijke wantoestanden werd door de kerkelijke overheid hard opgetreden.

Tiendrecht in Holland[bewerken]

Het tiendrecht nam in het Rooms-Hollands recht een aparte plaats in. Hoewel men tegenwoordig zou vermoeden dat het een vorm van belasting betrof, moet het eigenlijk onder het burgerlijk recht worden geschaard. Hugo de Groot plaatste het bij zijn indeling van beperkte zakelijke rechten in erfdienstbaarheden, "tocht" en "rechten minder dan tocht" onder de laatste categorie.

Soorten tienden en inning[bewerken]

Varianten[bewerken]

  • De tiende op gewassen werden ook vruchttiende genoemd.
  • Vleestienden of bloedtienden: vervingen de gewone tienden in gebieden waar de veeteelt domineerde of waar de landbouwers via veeteelt probeerden aan de belasting te ontsnappen.
  • Novale tienden: tiende op nieuwe gewassen of nieuw ontgonnen land.
  • De grote of grove tiend had betrekking op graanproducten en boekweit
  • De kleine of smalle tiend had betrekking op gewassen als peulvruchten, wortelen en knollen, hop en dergelijke
  • De krijtende tiend of bloedtiend had betrekking op pasgeboren dieren
  • Lichte en zware tienden
  • Tiende in functie van een specifieke bebouwing: hooitiende, houttiende, hoptiende, wijntiende, ...
  • Schoof: Omdat de tiende moest verdeeld worden tussen drie of vier instellingen (armen, kerk, pastoor en eventueel bisdom) kon één van de partijen zijn deel apart ophalen. Men spreekt dan over de "derde schoof" of "vierde schoof".

Wijze van inning[bewerken]

Een tiendpaal in Sint-Margriete uit 1654

De inning gebeurde aanvankelijk in natura, waarbij men letterlijk een tiende deel van een oogst op de velden ging ophalen. In latere tijden werd de tiende dikwijls verpacht (aan een zogenaamde tiendesteker). Met de tijd werd de tiende ook voldaan in klinkende munt.

De tienden konden worden opgeslagen in een tiendschuur. De meeste imposante zijn de schuren van uitgestrekte abdijdomeinen, zoals bijvoorbeeld die van de Abdij van Herkenrode of de landcommanderij van Alden Biesen.

In dorpen waar de tiende door meerdere partijen werd opgehaald, werd het inningsgebied zorgvuldig afgebakend of via een tiendebeschrijving te boek gesteld. Soms kan men nog hardstenenpaaltjes aantreffen, die destijds dienst deden als afbakening van een tiendblok. Dit zijn de zogenaamde tiendpalen.

Het inningsgebied werd in deelgebieden verdeeld, dit werden tiendblokken of klampen genoemd.

Afschaffing in Nederland[bewerken]

Met het inwerkingtreden op 1 januari 1909 van de Tiendwet 1907 verviel in Nederland de tiendplichtigheid. De gerechtigden van de tiendheffing werden door de regering schadeloos gesteld; de tiendplichtingen werden door de regering belast met een dertigjarige rente op hun grond, de tiendrente.

Tienden elders[bewerken]

In sommige landen (onder andere Duitsland) worden tienden tot op heden nog steeds geïnd, indien men lid is van een parochie en dit ook kenbaar maakt aan de fiscus. Dit heet kerkbelasting of, in het Duits: Kirchensteuer.[bron?]

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Hugo de Groot, Inleidinge tot de Hollandsche rechts-geleerdheid, bewerkt en uitgegeven door F. Dovring, H.F.W.D. Fischer en E.M. Meijers (Leiden 1952)
  • G.G. Visagie, Die Leenreg van Holland (Kaapstad 1974).
  • J.W. Wessels, History of the Roman Dutch Law (Grahamstad 1908)