Timbre

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Timbre of klankkleur is de eigenschap van een klank waarmee verschillende muziekinstrumenten en stemmen zich onderscheiden. Hierdoor is het, met enige oefening, mogelijk het verschil te horen tussen een saxofoon en een trompet in een jazz band, of tussen een fluit en een viool in een orkest. De aanwezigheid van een of meerdere formanten (resonanties op bepaalde frequenties) zorgt hier in de meeste gevallen voor. Met nog meer oefening is het verschil tussen bijvoorbeeld verschillende violen te horen. Een stradivarius klinkt anders dan een nieuw gebouwde viool, maar ook een stradivarius kan verschillend klinken als deze door verschillende violisten bespeeld wordt. Dit laatste heeft ook te maken met het verloop van het timbre in tijd. Ook verschillende stemmen van mensen onderscheiden zich in klank van elkaar. Zo is er ook een verschil tussen een coloratuursopraan en een "gewone" sopraan, al zingen ze dezelfde aria. Ook bij spreekstemmen wordt van timbre gesproken.

Hoewel de term klankkleur wordt gebruikt als synoniem voor timbre, worden kleuren uit het optische spectrum gewoonlijk niet verbonden aan bepaalde klanken. Vaker wordt het geluid van een instrument beschreven als "warm" of "scherp" of andere termen, waarbij het verband met aanraking groter is dan met zicht. Mensen met synesthesie zien echter wel soms kleuren wanneer ze speciale klanken horen.

De natuurkundige eigenschappen van geluid met betrekking tot timbre worden beschreven door spectrum en de omhullende (Engels: envelope).

Spectrum[bewerken]

Elke toon van een muziekinstrument is opgebouwd uit een aantal afzonderlijke frequenties, gemeten in hertz (Hz). De laagste frequentie wordt grondtoon genoemd en de toonhoogte van deze frequentie bepaalt hoe hoog het menselijk gehoor de toon daadwerkelijk ervaart. Bijvoorbeeld in westerse muziek worden instrumenten tegenwoordig gestemd met een A = 440 Hz.

De kwaliteit van de klank bestaat uit de grondtoon met een aantal harmonischen en/of delen (ook wel boventonen genoemd). De meeste westerse muziekinstrumenten produceren harmonische klanken. De frequentie van deze boventonen kunnen worden berekend door het vermenigvuldigen van de frequentie van de grondtoon met een geheel getal (× 2, × 3, × 4 enz.). Veel instrumenten produceren echter niet alleen harmonischen, maar vooral ook boventonen die nìet een geheel aantal keer de grondtoon zijn; dit worden de delen genoemd.

De klankkleur neemt vervolgens een typische wending aan als bepaalde harmonischen versterkt worden door o.a. resonantie. Deze versterkingen worden formanten genoemd en komen veelvuldig voor.

Wanneer een orkest stemt (gebruikelijk op een A) bestaat het geluid uit een combinatie van 440 Hz, 880 Hz, 1320 Hz, 1760 Hz en verder. De balans van de sterkte van elke frequentie en de formanten bij een lang aangehouden toon geeft elk instrument diens karakteristieke geluid.

Bij een luid gespeelde toon op een instrument zijn de harmonischen t.o.v. de grondtoon luider dan bij een zacht gespeelde toon. Het menselijk gehoor ervaart dit als respectievelijk schelle en doffe klanken. Bovendien sterven bij instrumenten met een bepaalde uitklinktijd, hoge harmonischen sneller weg dan lage.

Omhullende[bewerken]

Het timbre van een klank wordt ook sterk bepaald door de omhullende, het geluidssterkteverloop van een toon van ontstaan tot wegsterven. In elektronische klankvorming worden meestal de volgende fasen onderscheiden: Aanzet, verval, aanhouden, loslaten (Engels: Envelope = Attack, Decay, Sustain, Release, ofwel ADSR) en overgangen. Als uit bijvoorbeeld van het geluid van een piano of trompet de aanzet (elektronisch) wordt verwijderd, wordt het instrument nauwelijks herkend, omdat het geluid van de hamer tegen de snaren, of het aanzetten van de lippen op de trompet, karakteristiek zijn voor deze instrumenten.

De grondtoon hoeft niet altijd noodzakelijk de sterkste component in de totaalklank te zijn. Deze kan ook worden gesuggereerd door de harmonischen: een A(440 Hz) is duidelijk te onderscheiden van de A één octaaf lager (220 Hz) door de aanwezigheid van de 3e harmonische (660 Hz) van A(220 Hz), ook al zouden de grondtonen (respectievelijk 440 Hz en 220 Hz) afwezig zijn. Dit effect treedt op bij kleine luidsprekers die het laagste spectrum van de muziek niet weer kunnen geven maar waarvan de weergegeven muziek toch vrijwel geheel herkenbaar is.

Timbre wordt naast frequentie en omhullende gezien als een fundamentele eigenschap van muziek.

Zie ook[bewerken]