Toetsingsrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Toetsingsrecht is het recht om wetten te toetsen aan een wet van een hogere orde, zoals een grondwet of een verdrag.

Nederlandse situatie[bewerken]

In Nederland toetst de rechter wetten en verdragen niet aan de Grondwet; dat is hem verboden in artikel 120 van de Grondwet, dat luidt:

"De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen."

De formulering van deze bepaling komt uit de Grondwet van 1953 (artikel 60), maar werd pas met de Grondwet van 1983 een zelfstandig artikel. De achterliggende opvatting gaat al terug op de Grondwet van 1848, waarin stond dat wetten onschendbaar zijn. De reden is dat een wet geacht werd het "unanieme gevoelen van de koning en de twee kamers van de Staten-Generaal" uit te drukken, en dat aan de wet de interpretatie van de grondwet moet worden gelaten, "die niets anders is dan de zindelijke toepassing van de artikelen van de grondwet van het koninkrijk", zoals de grondwetscommissie het destijds uitdrukte. De wetgever werd dus als hoogste uitlegger van de Grondwet bestempeld. Derhalve komt toetsing van formele wetten aan de Grondwet alleen toe aan de formele wetgever.

De Hoge Raad heeft het toetsingsverbod altijd streng geïnterpreteerd: niet alleen toetsing van de inhoud van een wet aan de Grondwet (1868), maar ook aan het Statuut (Harmonisatiewetarrest 1989) en algemene rechtsbeginselen zijn door de Hoge Raad onwettig geacht. Eveneens werd toetsing of een wet wel op de juiste manier tot stand was gekomen onwettig geacht (Van den Bergh/Staat der Nederlanden 1961).

Wanneer de Raad van State de regering vóór indiening bij de Tweede Kamer adviseert over een wetsvoorstel, zal hij zich er wel over uitlaten als hij meent dat het voorgelegde voorstel in strijd met de Grondwet is; dit is dus een vorm van "preventieve toetsing", ook al is het oordeel van de Raad van State niet bindend.

Regelgeving van andere wetgevers dan de formele wetgever (regering en parlement), zoals koninklijke besluiten, algemene maatregelen van bestuur en verordeningen van provincies, waterschappen, gemeenten en andere bestuurlijke lichamen, mag wél door de rechter aan de Grondwet, Statuut en rechtsbeginselen worden getoetst. Daarnaast mag de rechter, beter gezegd móét de rechter, de wet wel toetsen aan verdragen.

Wijzigingsvoorstellen[bewerken]

Aangezien D66 en GroenLinks vinden dat er al bij het wetgevingstraject, maar ook in de rechtspraak, te weinig rekening gehouden wordt met de sociale grondrechten, de mensenrechtenverdragen en milieu- en emancipatie-effecten van regelgeving dringen zij erop aan een toetsingsrecht aan de Grondwet en het Statuut van het Koninkrijk, maar ook aan bijvoorbeeld het Vrouwenverdrag, in te voeren in de rechtspraak. Voor een burgerlijke partij zou het daardoor mogelijk worden de Nederlandse wetgeving door de rechter te laten toetsen en middels jurisprudentie te laten corrigeren.

Bij D66 is dit al sinds het ontstaan van de partij een speerpunt van het beleid, bij GroenLinks is het standpunt met name uitgedragen sinds 2002, toen Femke Halsema het wetsvoorstel-Halsema indiende. Dit wetsvoorstel beoogt een wijziging van de Grondwet die uitzonderingen op artikel 120 mogelijk maakt. Daardoor zou beperkte rechterlijke toetsing van Nederlandse formele wetten aan de Grondwet mogelijk worden. Het betreft dan met name toetsing aan grondwetsartikelen die te maken hebben met klassieke grondrechten: afweerrechten, gelijkheidsrechten en participatierechten. Na aanneming door beide Kamers wacht het wetsvoorstel thans op een tweede lezing die pas kan volgen na ontbinding van de Tweede Kamer.

Belgische situatie[bewerken]

In België ligt de situatie ingewikkelder. Aangezien het land na vele staatshervormingen zowel federale als - per taalregio - gewestelijke als gemeenschappelijke bevoegdheidsniveaus heeft, is het principe van checks and balances toegepast om belangenconflicten tussen de diverse taalgroepen te voorkomen.

Elk parlement of gewestraad in België – zowel het Vlaams, het Waals, het Duitstalig als het Brussels – kan bij de vaststelling van wetten, besluiten of decreten tevoren advies vragen aan de Raad van State en bij een communautair belangenconflict het Grondwettelijk Hof achteraf om een dirigerende uitspraak vragen. Ingeval van zo'n conflict kan tijdens de parlementaire behandeling – zelfs als dat gebeurt in een ander parlement – de alarmbelprocedure ingezet worden.

Ook een lagere rechtbank kan de rechtsregels zelf in vraag stellen in het kader van een juridische procedure. Dit gebeurt dan door een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Omdat het antwoord op deze vraag vaak cruciaal is voor het lopend proces voor de lagere rechtbank, wordt de procedure bij die rechtbank dan ook stilgelegd tot het antwoord op de prejudiciële vraag bekend is.

Verenigde Staten[bewerken]

In de Verenigde Staten kan het Hooggerechtshof (Supreme Court) wetten, besluiten en rechterlijke uitspraken van lagere rechters aan de Grondwet toetsen en er zelfs een interpretatie aan geven.

Dit toetsingsrecht staat niet in de grondwet maar is er via jurisprudentie door opperrechter John Marshall ingelezen bij het arrest Marbury v. Madison van 24 februari 1803.

John Adams, de tweede president van de Verenigde Staten, had de verkiezingen van 1800 verloren, zo bleek op 17 februari 1801. Op 4 maart 1801 zou de inauguratie van Thomas Jefferson tot derde president van de Verenigde Staten plaatsvinden. De federalistische president Adams, gesteund door het nog op zijn hand zijnde Congres, nam een nieuwe wet aan, de "New Judiciary Act" waarmee een aantal nieuwe rechtbanken werd geïnstalleerd waarvan het de bedoeling was dat die door federalisten zou worden gecontroleerd. Op 2 maart 1801, twee dagen voor zijn aftreden, benoemde Adams 42 federalistische rechters in deze rechtbanken. Op 3 maart 1801 keurde de Senaat de benoemingen goed.

President Jefferson beoordeelde 25 van de 42 benoemingen om procedurele redenen als ongeldig en gaf zijn minister van Buitenlandse Zaken James Madison opdracht om de benoeming van onder anderen William Marbury niet af te leveren.

Marbury richtte een verzoek om alsnog benoemd te worden rechtstreeks aan het Hooggerechtshof. Hij stelde dat op basis van Sectie 13 van de Judiciary Act van 1789 het Congres het Hooggerechtshof had gemachtigd om te beslissen over gerechtelijke benoemingen. Volgens zijn opvatting zou dat tot die tijd niet het geval zijn geweest. Deze Juridical Act is echter volgens de opperrechter John Marshall van een lagere orde dan de grondwet. In de grondwet artikel III staan de gevallen waarin het Hooggerechtshof jurisdictie heeft en die kunnen niet worden uitgebreid door een wet lager in rang. Een wet die dat wel doet is geen geldige wet en daarmee heeft hij toetsing van wetten aan de grondwet gerealiseerd.

Volgens Marshall heeft Marbury wel recht om op te komen voor zijn rechten en is daar ook wetgeving voor maar hij kan zijn klacht niet, althans niet via de Juridical Act van 1789, bij het Hooggerechtshof terecht.

Andere landen[bewerken]

In Duitsland kan het Bundesverfassungsgericht rechterlijke besluiten en zelfs wetten in abstracto aan de Grondwet toetsen. Dit gerecht waakt er echter voor geen politieke besluiten te nemen waar het niet democratisch voor gelegitimeerd is ("Parlamentsvorbehalt"). Wordt een wet strijdig bevonden met de grondwet, dan krijgt het Parlement doorgaans de opdracht op bepaalde termijn met een betere wet te komen. Na die termijn vervalt de gewraakte wet. Het parlement kan besluiten niet met een nieuwe wet te komen, en dan vervalt de wet zonder dat er een andere wet voor in de plaats komt. Dit gebeurde bij voorbeeld met de wetgeving aangaande de vermogensbelasting, die volgens de rechter discriminerend was.

De Duitse grondwet regelt ook de bevoegdheden van de bondsregering in Berlijn, net zoals de Amerikaanse grondwet de bevoegdheden van de federale regering in Washington DC afbakent. In Duitsland zijn de deelstaten autonoom, voor zover de Grondwet niet anders bepaalt. Daarvoor staan er in de Duitse grondwet lijsten van bevoegdheden die geheel of gedeeltelijk aan de bondsregering in Berlijn toekomen. Anders dan in een eenheidsstaat als Nederland is de Bondsregering (evenmin als de federale regering in Washington) dus niet eindverantwoordelijk voor "alles".

In federale staten als Duitsland en de VS is de grondwet als het ware een verdrag van de deelstaten, en kan dus slechts gewijzigd worden als voldoende deelstaten instemmen (in de VS via "amendments" die aan de grondwet worden toegevoegd). Daarvoor is een (gekwalificeerde) meerderheid in Bundestag en Bundesrat of het Amerikaanse Congress dus niet voldoende.

In Frankrijk geeft het Conseil constitutionnel (Constitutioneel Hof) na de tweede stemming in het parlement een toetsing aan de Grondwet. Indien deze toetsing negatief uitvalt gaat de wet terug naar het parlement.

Zie ook[bewerken]