Topische vragen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Topische vragen, ook wel W-vragen of de vijf W's genoemd, zijn vragen omtrent het onderwerp van een tekst, zoals wie, wat, waar, waarom, waartoe? Ze kunnen worden gebruikt in de tekstanalyse en het tekstontwerp om de opbouw van een tekst te karakteriseren. Soms worden ze ook wel de zeven W's genoemd, met toevoeging van "wanneer" en "welke".

Historie[bewerken]

Het begrip "topische vragen" is afgeleid van het woord "topos". In de oud-Griekse retorica was dit een aanduiding van een standaardmethode om een argument op te bouwen of te behandelen. De Griekse stoïcijnse filosoof Hermagoras van Temnos (2e eeuw voor Christus) kwam in dit kader met een formule die vertaald in het Latijn als volgt luidde:[1]

Quis, quid, quando, ubi, cur, quem ad modum, quibus adminiculis (Wie, wat, wanneer, waar, waarom, op welke wijze, met welke middelen).

In Nederland is in de jaren zeventig binnen het vak taalbeheersing het begrip "topische vragen" ingevoerd als een kenmerkende eigenschap van de schrijfprocedure door Willem Drop in het boek Taalbeheersing: handboek voor taalhantering uit 1974. Hij presenteerde de ondertussen klassieke inzichten zoals de algehele afstemming op doel en publiek, en de topische vragen als instrumenten.[2] :

Tegenwoordig zijn topische vragen een vrij gangbaar begrip in verschillende schrijfmethoden en schrijfprocedures. Buiten de taalwetenschap zijn deze vragen bekender onder de term W-vragen. Internationaal wordt dit ook wel aangeduid met de 5 W's.[3]

Gebruik van topische vragen[bewerken]

Bij het analyseren van teksten kunnen topische vragen gebruikt worden om de volledigheid van een tekst te beoordelen. Om dit te beoordelen zal de lezer dienen na te gaan, wat er zoal over het onderwerp te zeggen valt los van wat er reeds vermeld is. Het verkennen van dit onderwerp kan de lezer met behulp van topische vragen uitvoeren.[4]

Bij het ontwerpen van teksten kunnen topische vragen op meerdere wijzen behulpzaam zijn.[5]

  • Verkennen van terrein en thema bij de werkbasis : de schrijver kan in een oriëntatiefase topische vragen gebruiken om zijn eigen kennis hierover te activeren, en te documenteren.[6] Juist het gebruik van deze vragen kan een nieuw licht werpen op het onderwerp.[7]
  • uitbouwen van een minisamenvatting tot steeds representatievere versies: Het tekstontwerp kan beginnen met een minisamenvatting, waarin op enkele topische vragen een kort antwoord is gegeven. Deze eerste versie kan worden door deelvragen in te voeren en deze te beantwoorden. Zodoende kan men tot een steeds representatievere versie van de tekst komen.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Christiane Nord (2005). Text analysis in translation. p.41
  2. Willem Drop, Daniël Janssen, G. Verhoeven (1989). Taalbeheersing in Nederland: een bundel artikelen aangeboden aan prof. dr. W. Drop ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar in de Nederlandse taalbeheersing aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. p.51
  3. Zie bijvoorbeeld het Engelse Wikipedia-artikel Five Ws.
  4. Michaël Steehouder e.a. (1979). Leren communiceren: Procedures voor mondelinge en schriftelijke communicatie. p.43
  5. A. Braet en J. Vos (1979). Forum der letteren: Volume 20. p.81
  6. W.I.M. van Calcar (1995). Een toegepaste grammatica: grondslag voor het vak Nederlands. p.76
  7. Fons Vandergraesen (2004). Z@kelijk. p.88
Genres epiek: anekdote · ballade · epos · fabel · gedicht · genre · inleiding · kort verhaal · legende · mythe · novelle · parabel · raamvertelling · reisverhaal · roman · saga · sage · sprookje · verhaal · vignet · volksballade · volksverhaal
Verloop en verhaallijn: catharsis · cliffhanger · climax · deus ex machina · drie act-structuur · epiloog · expositie · fabel · plot · plotpoint · proloog · startplotscène · rode draad · scenario · setup · synopsis · verhaallijn
Begin en einde: ab ovo · in medias res · in ultimas res · incipit · openingsscène · openingszin · post rem · terminus
Personage: aangever · alter ego · alteriteit · antagonist · antiheld · bijfiguur · bijrol · booswicht · byroniaanse held · copresentator · deuteragonist · flat character · held · hoofdpersoon · hoofdrol · karakter · protagonist · round character · tritagonist · typetje · uitverkorene · underdog
Spanning: cliffhanger · spanning
Vertelperspectief en Vertelinstantie: afwisselende perspectief · auctoriële verteller · focalisatie · gedramatiseerd · homodiëgetische vertelling · heterodiëgetische vertelinstantie · ik-perspectief · onbetrouwbare verteller · personele verteller · point of view · rhema · voice-over
Motief & thema: abstract motief · concreet motief · leidmotief · motto · thema · topos
Tijd & ruimte: eenheidsconventie · flashback · flashforward · kalendertijd · mise en abyme · opschuivende tijdlijn · praesens historicum · tijdverruiming · verteltijd · vertelde tijd
Stijl: directe rede · dramatische ironie · indirecte rede · red herring · shooting the messenger · register · stijl · stream of consciousness · suspension of disbelief · show, don't tell · verteltechniek · vrije indirecte rede
Scenariotermen: premissesynopsistreatmentscenariofilmdraaiboekstoryboard
Stijlperiode: middeleeuwen · renaissance · maniërisme · barok · verlichting · sentimentalisme · preromantiek · romantiek · realisme · impressionisme · naturalisme · neoromantiek · symbolisme · expressionisme · constructivisme · dadaïsme · surrealisme · nieuwe zakelijkheid · magisch realisme · existentialisme · vijftigers · modernisme · postmodernisme
Studie: driehoek van Petersen · literaire kritiek · narratologie · topische vragen · verhaalanalyse