Trans-Alaska-pijpleiding

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Trans-Alaska pijpleiding)
Ga naar: navigatie, zoeken
Locatie van de Trans-Alaska pijpleiding
De Trans-Alaska pijpleiding slingert door het landschap.
Bij de breuklijn in nationaal park Denali moest de pijpleiding worden aangelegd op glijders, om mee te kunnen bewegen met bewegingen van de aarde.

De Trans-Alaska pijpleiding (Trans Alaska Pipeline System, afgekort TAPS) is een van de grootste pijpleidingen ter wereld. De pijpleiding, met een totale lengte van 1287 kilometer, strekt zich uit van Prudhoe Bay tot Valdez, en wordt gebruikt voor het transport van ruwe olie. De pijpleiding is privé-eigendom van de Alyeska Pipeline Service Company. De buizen hebben een diameter van 122 centimeter, en de pijpleiding telt in totaal 11 pompstations.

De pijpleiding heeft een grote invloed op Alaska, maar is tevens omstreden zoals bleek uit de vele protesten tegen de bouw ervan.

Bouw[bewerken]

In 1968 werd aardolie ontdekt in Prudhoe Bay, maar het idee voor een pijpleiding om dit olieveld makkelijker te kunnen exploiteren stuitte op veel verzet. Tot 1971 werden er hevige politieke en milieukundige discussies gevoerd en werd van meerdere kanten tegen de bouw geprotesteerd. Pas na de Oliecrisis van 1973 kreeg de pijpleiding definitief groen licht.

In januari 1974 zou de bouw beginnen, maar door het koude weer, problemen met het vinden van genoeg arbeiders en de bouw van de Dalton Highway werd deze datum uitgesteld naar maart 1974.[1] In de drie jaar erop werkten tienduizenden arbeiders mee aan de pijpleiding. De bouw was lastig vanwege het koude klimaat en het feit dat de pijpleiding door geïsoleerde en lastig begaanbare gebieden moest worden aangelegd. Aanvankelijk wilde men de pijpleiding zo veel mogelijk ondergronds bouwen, maar bouwkundigen voorzagen dat dit niet mogelijk zou zijn vanwege de permafrost. De pijpleiding moest derhalve bovengronds worden aangelegd. Ook bouwen op de bevroren grond bleek een uitdaging, waarvoor nieuwe bouwtechnieken moesten worden ontwikkeld.[2]

In 1977 werd de eerste olie door de pijpleiding vervoerd.

Oppositie[bewerken]

Een rendier loopt naast de pijpleiding.

De voornaamste tegenstanders van de bouw van de pijpleiding waren de inheemse volkeren van Alaska en milieuactivisten.

De inheemse stammen waren tegen de bouw daar de pijpleiding hun landgoederen zou doorkruisen, zonder dat zij hier direct economisch voordeel van zouden hebben. De Alaska Federation of Natives spande een rechtszaak aan tegen de bouw van de pijpleiding. Tussen 1968 en 1971 werden meerdere schikkingen getroffen tussen het Amerikaanse congres en de inheemse stammen van Alaska om de bouw van de pijpleiding mogelijk te maken.

Milieuactivisten waren tegen de bouw van de pijpleiding omdat deze het laatste stuk ongerepte natuur in Alaska zou aantasten. De komst van de National Environmental Policy Act gaf hen de kans om juridische stappen tegen de bouw te ondernemen. In het voorjaar van 1970 spanden de Wilderness Society, Friends of the Earth en de Environmental Defense Fund samen om een rechtszaak tegen het project te beginnen.[3] Alyeska werd gedwongen meer onderzoek te doen naar de gevolgen van de bouw van de pijpleiding voor de flora en fauna in het gebied. Zo werd onder andere gevreesd dat de pijpleiding de levenswijze van de kariboes in het gebied zou verstoren. Er werden meerdere alternatieven voor de pijpleiding gezocht, waaronder uitbreiding van het spoorwegnet van Alaska, een omleiding van de pijpleiding door Canada, en de aanleg van een haven bij Prudhoe Bay zodat de olie per schip kon worden vervoerd. Al deze alternatieven zouden echter schadelijker zijn voor het milieu dan de pijpleiding.

Invloed op Alaska[bewerken]

De pijpleiding heeft in meerdere opzichten een grote invloed gehad op Alaska.

De bouw van de pijpleiding zorgde voor een grote impuls voor de economie, met name in steden langs of nabij de route. Steden als Fairbanks en Valdez zagen een enorme toename van het aantal inwoners. Dit had ook onvoorziene gevolgen, zoals een enorme stijging van de huizenprijzen[4], een toename van de criminaliteit en een aanvoer van nieuwe inwoners die niet bekend waren met de Alaskische gebruiken.[5]

Na de voltooiing van de pijpleiding kreeg de Alaskische economie een grote impuls door de verkoop van de aardolie. In 1982 kwam 86.5% van het totale inkomen van Alaska uit de aardolie-industrie. Een andere sector die profiteerde van de pijpleiding was het toerisme. Jaarlijks trekt de pijpleiding duizenden bezoekers.[6]

Onderhoud[bewerken]

De pijpleiding wordt meerdere malen per dag geïnspecteerd, meestal vanuit de lucht. Deze inspecties zijn vooral om lekkages of andere beschadigingen op te sporen. Van binnenuit wordt de pijpleiding vooral onderhouden met zogenaamde 'pigs': op afstand bestuurbare machines die door de pijpleiding kunnen worden gestuurd voor meerdere taken, zoals het verwijderen van olieresten en het opsporen van corrosie.

Incidenten[bewerken]

De pijpleiding heeft meerdere malen te maken gehad met lekkages, onder andere door sabotage of door constructiefouten, maar ook door natuurrampen. Alyeska is wettelijk verplicht noemenswaardige lekkages te melden aan de autoriteiten.

De bekendste olieramp met olie uit Alaska is de lekkage van de Exxon Valdez, maar de pijpleiding was hier niet bij betrokken.

De grootste lekkage in de pijpleiding zelf was op 15 februari 1978, toen een onbekende dader bij Steele Creek, ten oosten van Fairbanks, met een explosief een 2.5 centimeter breed gat in de pijpleiding wist te maken. Er ging 2500 kubieke meter olie verloren door deze lekkage.

De pijpleiding is gemaakt om kogels te kunnen weerstaan, maar desondanks schoot op 4 oktober 2001 een dronken schutter een gat in een lasnaad van de pijpleiding nabij Livengood. Dit leidde tot de op een na grootste lekkage uit de geschiedenis van de pijpleiding; 976,8 kubieke meter olie lekte door het kogelgat. Hiervan werd 673,8 kubieke meter met succes opgevangen. Het kostte ongeveer 17 miljoen dollar om de schade hiervan te herstellen.

In 2006 bezweek een deel van de pijpleiding als gevolg van corrosie en lekte 1000 kubieke meter olie. In 2009 vervuilde een andere lekkage in de buurt van Prudhoe bay een oppervlak van 800 vierkante meter toendra.

In Mei 2010 viel de stroom bij een pompstation uit waardoor een veiligheidsklep opende en er olie in een opslagtank liep, die echter overstroomde. 800 kubieke meter olie liep vervolgens in een met dijken omzoomd gebied.

Op 8 januari 2011 werd een lekkage ontdekt in de kelder van een pompstation. Door tijdig de druk te verlagen tot 5% van normaal, kon voorkomen worden dat er olie de natuur in liep.

De pijpleiding is tevens berekend op aardbevingen en bosbranden. De Aardbeving in Denali 2002 zorgde ervoor dat de pijpleiding 66 uur moest worden afgesloten.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Roscow, p. 143
  2. Coates, p. 185
  3. Coates, pp. 189-190.
  4. Cole, p. 164
  5. Cole, p. 156
  6. Cole, p. 199