Treinkaping bij De Punt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Treinkaping bij De Punt
Een kaper loopt met een RMS-vlag langs de gekaapte trein (5 juni 1977).
Een kaper loopt met een RMS-vlag langs de gekaapte trein (5 juni 1977).
Plaats De Punt, Nederland
Coördinaten 53° 7′ NB, 6° 38′ OL
Datum 23 mei-11 juni 1977
Doden 8 (onder wie 6 daders)
Dader(s) 9 Zuid-Molukkers van 17 t/m 27 jaar
Treinkaping bij De Punt
Treinkaping bij De Punt

De treinkaping bij De Punt (met als plaatsbepaling ook wel Vries) begon op maandag 23 mei 1977 om negen uur 's morgens toen de intercity Assen-Groningen ter hoogte van het dorp De Punt in de provincie Drenthe, niet ver van de spoorwegovergang te Glimmen in de provincie Groningen, tussen station Assen en station Haren, door negen gewapende Zuid-Molukkers van 17 t/m 27 jaar gekaapt en tot stilstand werd gebracht. Na bijna 19 dagen werd de kaping beëindigd middels een beschieting door de bijzondere bijstandseenheid (BBE) Krijgsmacht, gevolgd door een bestorming door de BBE Mariniers, gesteund door de Koninklijke Luchtmacht. Deze actie kostte twee gegijzelden en zes kapers het leven.

Dit was van de twee treinkapingen in de Nederlandse geschiedenis de tweede, en opnieuw door Molukse terroristen, na de kaping van 2 december 1975 gedurende 12 dagen van de stoptrein Groningen-Zwolle bij het Drentse dorp Wijster door zeven jonge Zuid-Molukkers.

Context[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van de Molukkers in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Zuid-Molukkers kwamen in 1951 voor een tijdelijk verblijf naar Nederland, met de belofte van de Nederlandse regering dat zij op de Molukken hun eigen staat zouden kunnen stichten. Zij verbleven in kampen, waaronder Kamp Vught en Schattenberg, onder meestal matige tot slechte omstandigheden. Nadat zij een generatie - ruim 25 jaar - hadden gewacht op de inlossing van de beloften van de Nederlandse regering, wilden enkelen van de jongere generatie hun situatie niet meer accepteren en gingen over tot radicale acties.

Verloop[bewerken]

Chronologie van de gebeurtenissen
23 mei De gijzeling begint.
24 mei Bij de NOS-radio wordt een brief van eisen voorgelezen.
25 mei De Tweede Kamerverkiezingen worden gehouden (deze gaan gewoon door), het ultimatum verstrijkt zonder gevolgen.
26 mei Een geboeide man wordt buiten de trein geplaatst en weer naar binnen gehaald.
28 mei Grote schoonmaak in de trein, 60 demonstranten bieden zich aan ter vervanging van de gegijzelden.
29 mei Onderhandelingen over het vrijlaten van de zwangere N. Ellenbroek lopen op niets uit.
30 mei De gijzeling gaat de tweede week in.
31 mei De kapers vragen voor het eerst om een bemiddelaar.
1 juni De kapers vragen om een ambulance, maar trekken dit verzoek weer in.
4 juni Twee bemiddelaars voeren een urenlang gesprek met de kapers.
5 juni Twee zwangere vrouwen, onder wie Annie Brouwer-Korf, mogen de trein verlaten.
6 juni De kapers spelen buiten de trein slagbal.
8 juni Een zieke passagier (Th. J. van Hattem) wordt vrijgelaten.
9 juni Twee bemiddelaars hebben een tweede gesprek met de kapers.
11 juni ’s Morgens vroeg komt er een einde aan de gijzeling.

Begin[bewerken]

De hoofdconducteur (chef trein) en machinist werden onder bedreiging van een vuurwapen gesommeerd de trein te verlaten. Kort daarna mochten 40 reizigers de trein verlaten; de overige 54 reizigers werden gegijzeld. Onder hen de latere burgemeester van Utrecht Annie Brouwer-Korf, toen enkele weken zwanger. Enkele dagen voor de bestorming mochten Annie Brouwer en twee andere gegijzelden de trein verlaten, zodat er 51 gegijzelden (van 16 t/m 58 jaar) overbleven.

Tegelijkertijd begonnen vier Zuid-Molukkers met de gijzeling van een lagere school in Bovensmilde waarbij 105 kinderen en 5 onderwijzers gegijzeld werden. Met deze acties wilden ze de Nederlandse regering dwingen zich in te zetten voor een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken en bovendien eisten ze de vrijlating van 21 Zuid-Molukse gevangenen. Als voor 25 mei 14:00 uur deze eisen niet zouden worden ingewilligd zouden de trein en de school worden opgeblazen. De Nederlandse regering liet echter weten pas over het ultimatum te willen praten als alle kinderen zouden zijn vrijgelaten.

Crisisteam[bewerken]

De regering (het demissionaire Kabinet Den Uyl) vormde een crisisteam, waarin naast minister-president Den Uyl ook de ministers van Justitie, Van Agt, en van Binnenlandse Zaken, De Gaay Fortman, zitting hadden. Van Agt bleek voorstander van een harde aanpak, waar de anderen voorstander waren van onderhandelingen.

Voor 25 mei stonden de verkiezingen voor de Tweede Kamer gepland. Door de lijsttrekkers werd besloten de verkiezingscampagne te staken maar de verkiezingen zelf door te laten gaan. Den Uyl zei hierover: "Enkele tientallen mensen mogen ons niet afbrengen van de weg van onze eigen parlementaire democratische orde waarin de verkiezingen thuishoren."

Na het verstrijken van het ultimatum kwamen nieuwe eisen: een vrije aftocht per vliegtuig vanaf Schiphol met de 21 Zuid-Molukse gevangenen, vijf gijzelnemers en de vijf leerkrachten. Met behulp van afluisterapparatuur was men te weten gekomen dat de gegijzelden op dat moment geen gevaar liepen zodat minister Van Agt ook dat ultimatum liet verstrijken.

Bemiddelaars[bewerken]

Mevrouw J. Soumokil-Taniwel (de weduwe van de in Indonesië geëxecuteerde Chris Soumokil) en huisarts H. Tan speelden een rol als bemiddelaars tussen de kapers en de Nederlandse regering.

Als gevolg van een ziekte in de school werd besloten de kinderen vrij te laten maar de leerkrachten bleven gegijzeld. Volgens de als bemiddelaar optredende arts Frans Tutuhatunewa (later de opvolger van Manusama als president van de RMS) was er tijdens zijn bezoek aan de trein geen sprake van een slechte gezondheid bij de gegijzelden. Desondanks speelde de slechte gezondheid van de gegijzelden mee bij het besluit om de trein te bestormen.

Volgens een verslag van De Gaay Fortman: "Even voor vier uur belde ik Dries uit het Catshuis. Hij verzekerde mij dat de volgende ochtend een eind aan de gijzeling zou worden gemaakt. (...) Wat mij betreft had hij groot gelijk. De toestand in de trein was onhoudbaar, de hygiënische omstandigheden waren allerverschrikkelijkst. De mensen werden steeds meer prikkelbaar en agressief. Er waren al doden (in 1975) gevallen, er waren mensen in koelen bloede geëxecuteerd."

Voorbereiding van de aanvallen[bewerken]

Er werd een aanvalsplan opgesteld, waarbij weliswaar vluchtende en zich overgevende gijzelnemers niet opzettelijk zouden worden gedood, maar de mogelijkheid dat alle gijzelnemers zouden worden gedood werd geaccepteerd.

De locaties in de trein van de gijzelnemers en gegijzelden werd zo goed mogelijk bepaald. Afluisterapparatuur die zat verborgen in gebruiksvoorwerpen had daarbij wel de beperking dat de locatie daarvan kon wisselen en niet zonder meer te bepalen was.

De aanvallen[bewerken]

Zaterdagochtend 11 juni 1977, om ongeveer 5 uur, bijna drie weken na het begin van de kaping, voerden precisieschutters van de BBE Krijgsmacht, bijgestaan door mitrailleurschutters, een intensieve beschieting uit op de compartimenten van de trein waarvan het sterke vermoeden bestond dat zich daarin alleen gijzelnemers zouden bevinden, om in ieder geval te verhinderen dat deze naar de gegijzelden toe zouden gaan. Naar achteraf bleek was er één portaal waar zich tegen de verwachting in twee gegijzelden bevonden. Een daarvan, de 19-jarige Ansje Monsjou, kwam zo om het leven.

De beschieting gaf bovendien mariniers van de BBE Mariniers dekking om de trein door het open landschap te kunnen naderen en binnendringen. Tijdens de beschieting vonden er – voor een schrikeffect – schijnaanvallen plaats door drie keer in groepjes van twee laag over te vliegen met zes Starfighters met oorverdovend brullende nabranders. De jongste van de piloten was de latere Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten en chef Defensiestaf Dick Berlijn. Tijdens deze schijnaanvallen simuleerde een kikvorsteam inslagen van vliegtuigbommen door explosieven naast de trein tot ontploffing te brengen. Onder dekking van het precisievuur en de schijnaanvallen naderden vijf mariniersgroepen achter elkaar aanlopend de trein vanuit noordelijke richting via het talud van het spoor. Nadat het vuren door de precisieschutters was gestopt, forceerden de mariniers deuren door het plaatsen en detoneren van springramen (in één geval lukte dat niet en werd een raam ingeslagen), waarop zij de trein binnendrongen. Het optreden van de mariniers in de trein werd bemoeilijkt door de smalle gangen, de verduisterde ramen en de scheve stand van de trein.

In de coupé van de vrouwelijke gegijzelden, waar ook de 40-jarige man Rien van Baarsel sliep, stormde gijzelnemer Marcus Rudie Lumalessil bewapend met een uzi binnen om, zoals hij achteraf verklaarde, alle gegijzelden neer te schieten. Hij verwondde daarbij een gegijzelde, waarop een marinier op hem schoot en daarbij Van Baarsel, die was opgestaan, dodelijk trof. De overige 49 treinreizigers werden bevrijd.

De gewonde kaapster Hansina Uktolseja werd gedood door een marinier die niet direct kon vaststellen dat ze op dat moment ongewapend was, zoals achteraf bleek (van de mededeling van de regering in 1977 dat er geen schot is gelost op een kaper die zich niet door middel van een vuurwapen verzette vermeldt het verslag van het archiefonderzoek van 2014 dat die niet klopte). Nog vijf kapers kwamen door kogels van de BBE of mariniers om het leven, de leider Max Papilaya, Ronnie Lumalessil, George Matulessy, Minggus Rumahmory en Mateus Tuny. Junus Ririmasse en Andreas Luhulima gaven zich over. Marcus (Rudi) Lumalessilen werd na een schotenwisseling overmeesterd.

De daadwerkelijke actie duurde iets meer dan tien minuten: 8 minuten beschieting op afstand en 3 minuten actie van mariniers in de trein, inclusief het geforceerd binnenkomen.

Er is hollow point-munitie gebruikt om bij het treffen van een gijzelnemer het risico van het vervolgens treffen van een erachter aanwezige gegijzelde te voorkomen. Volgens het regeringsrapport was en is deze munitie volgens internationale verdragen weliswaar verboden in geval van oorlog of een gewapend conflict, maar met speciale toestemming van de regering wel toegestaan bij een actie als deze, die geldt als politieoptreden. Het feit dat de politie daarbij wordt ondersteund door de krijgsmacht en dat het misdrijf waaraan een einde wordt gemaakt politiek is gemotiveerd doet daaraan niet af.

Tegelijkertijd werd de school met gepantserde voertuigen geramd, waarop de gijzelnemers daar zich zonder verzet overgaven, en de gegijzelde leerkrachten werden bevrijd.

Tijdens de persconferentie na de bestormingen zei Den Uyl: "Dat geweld nodig was om een einde te maken aan de gijzeling ervaren wij als een nederlaag."

Nasleep[bewerken]

Er is van afgezien de gijzelnemers de dodelijke gevolgen van de beëindiging van de gijzeling ten laste te leggen. Dat was om meerdere redenen, onder meer de wenselijkheid dat de betrokken mariniers anoniem zouden blijven, wegens het risico van wraakacties vanuit (militante) delen van de Molukse gemeenschap. Bij de rechtbank in Assen werd de drie overlevende kapers alleen wederrechtelijke vrijheidsberoving en verboden wapenbezit ten laste gelegd. Bij de rechtszaak kwam de wijze van beëindiging van de gijzeling niet aan de orde.

Voor de genoemde delicten kregen de gijzelnemers een celstraf van zes tot negen jaar. Naast de gijzelnemers stond ook Mezack Johannes Patty terecht. Patty zou volgens het plan mee doen aan de gijzelingen, maar kwam uiteindelijk niet opdagen. Toen hij op de ochtend van de gijzeling wakker werd kon hij naar eigen zeggen zijn benen niet meer bewegen. Hij werd wegens medeplichtigheid aan de beide acties (ter beschikking stellen van een pistool met munitie) veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.

De vasthoudende opstelling van de gijzelnemers op 10 juni zou volgens de regering verklaard kunnen worden door een gegeven dat pas na beëindiging van de gijzeling bekend werd. In de kleding van een van de gijzelnemers werd toen een briefje aangetroffen dat door mevrouw Soumokil tijdens haar tweede bezoek op 9 juni aan de gijzelnemers in de trein was overhandigd. Dat briefje hield onder meer in een oproep om vol te houden en aan de eisen vast te houden en de mededeling dat Benin alle gijzelnemers zou willen ontvangen en dat de 21 Molukse gedetineerden waarvan de gijzelnemers de vrijlating eisten met hun mee wilden.

In 2000 verscheen de documentaire Dutch Approach over dit gijzelingsdrama. Aan de documentaire werd meegewerkt door gegijzelden, gijzelnemers en andere betrokkenen. In 2009 verscheen het televisiedrama De Punt.

In 2012 was minister Hillen van Defensie van plan aan de militairen die in 1977 een einde maakten aan de treinkaping een insigne te geven. Dit voorstel is ingetrokken. Ze hebben wel de veteranenstatus gekregen.

De stelling dat de gedode gijzelnemers door een "kogelregen" zijn getroffen is door opeenvolgende ministers ontkend.[1] Dit is nader bekeken. De aantallen wonden (getal voor de komma) en in het lichaam aangetroffen projectielen (getal na de komma) zijn: Matheus Tuny (15,5), Hansina Francina Uktolseja (40,4), Max Johny Papilaya (17,3), George Alexander Matulessy (28,7), Ronald Lodewijk Paulus Lumalessil (13,3), Domingoes Rumamory (33,14). De meeste kogels hebben de lichamen weer verlaten en daarbij dus tenminste twee verwondingen veroorzaakt, namelijk een in- en uitschotwond. Het is mogelijk dat een kogel die het lichaam verlaat na afketsing tegen bijvoorbeeld een wand opnieuw het lichaam verwondt of binnendringt. Bovendien is het mogelijk dat er door de beschieting van de trein delen van de metalen wand of andere harde materialen als secundaire projectielen de lichamen hebben geraakt. Hierdoor is het niet mogelijk om uit de autopsierapporten af te leiden door hoeveel kogels ieder van de gijzelnemers is geraakt.

Naar aanleiding van een onderzoek naar de toedracht bij de beëindiging van de treinkaping[2], uitgevoerd door de onderzoeksjournalist Jan Beckers in samenwerking met betrokken gijzelnemer Junus Ririmasse, heeft de Tweede Kamer de regering vragen gesteld, waarop deze een archiefonderzoek heeft laten doen dat in november 2014 werd gepubliceerd en openheid gaf over de operationele details van de bevrijdingsactie.[3]

Betrokken treinstel[bewerken]

Bij de kaping was het vierdelige Hondekop-treinstel 747 betrokken. Het treinstel was bij de beschietingen doorzeefd met kogels, en overwogen werd om ethische redenen het treinstel te slopen. Echter, de Nederlandse Spoorwegen kampten met materieeltekort en dus werd het treinstel toch hersteld. Begin jaren 90 werd dit treinstel vernummerd naar 758, omdat het vorige nummer teveel associaties met de kaping zou oproepen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Bootsma, Peter. & Dortmans, Hans (2000) De Molukse Acties. Treinkapingen en gijzelingen 1970-1978 Amsterdam, Boom. ISBN 90-5352-645-5.
  • De Molukkers. Wat brengt hen tot gijzelingsacties? Achtergronden geschiedenis. Rotterdam 1975.
  • Gras, H., De Geschiedenis van Assen. Assen, 2000. ISBN 9023235215.
  • Documentaire Dutch Approach. In vier delen uitgezonden op 6, 13, 20 en 27 november 2007 door NPSDokwerk.
  • Televisieprogramma Waar was u toen?, aflevering “Annie Brouwer over de treinkaping bij De Punt”. Uitgezonden op 22 juli 2006 door de EO.
  • Tijdschrift "Onze Luchtmacht" 60e jaargang nummer 3 - juni/juli 2008 pagina 7 en 8.
  • Volkskrant Magazine - zaterdag 29 november 2008, pagina 13.
  • Willem Breedveld en John Jansen van Galen. Kameraden in een crisisteam. Trouw (2 november 1996) Geraadpleegd op 15 december 2013