Triac

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schakelsymbool van een triac

Een triac (triode for alternating current) is een elektronische component die tot de categorie van de halfgeleiderschakelaars behoort. Een triac kan opgebouwd worden gedacht als twee antiparallel geschakelde thyristoren en daarmee als een speciale variant van de thyristor worden gezien. In werkelijkheid is de triac echter opgebouwd uit één halfgeleiderkristal.

Een triac heeft drie aansluitingen: elektrode 1, elektrode 2 en gate, er kan niet van anode en kathode gesproken worden omdat de polariteit bij deze component niet vast ligt, zoals bij de thyristor. Toch hanteren sommige fabrikanten de aanduiding A1 en A2. In het Engels spreekt men van main terminal, MT1 en MT2.

Werking[bewerken]

Karakteristiek van een triac

De werking van de triac lijkt sterk op de werking van de thyristor. Deze component wordt in geleiding gestuurd door een stroompuls via de gate van de triac te sturen, dit heet de ontsteekpuls. Uit de grafiek kan worden afgeleid dat de triac zonder puls ook in geleiding kan worden gestuurd, namelijk door de spanning over de component hoger te maken dan Ubo. Dit is echter niet de juiste, gecontroleerde methode om de triac in geleiding te brengen, het verhoogt het risico op beschadiging.

Om geleiding te bewerkstelligen is een ontsteekpuls op de gate en een voldoende hoge spanning over de hoofdaansluitingen van de triac nodig. Tijdens geleiding is de spanning over de component 0,6 tot 1,0 volt. Afhankelijk van het type en de koeling kan de triac stromen verwerken tussen 100 mA en vele honderden ampères.

In tegenstelling met de thyristor die alleen tijdens de positieve periode kan schakelen, kan de triac zowel tijdens de positieve als de negatieve periode geleiden. Voor volledige geleiding dient de triac te worden ontstoken tijdens de positieve en de negatieve periode, daarbij speelt de polariteit van de ontsteekpuls geen rol.

Bij het ontsteken wordt in de regel gebruikgemaakt van een puls of een reeks van pulsen in plaats van een constante spanning, net als bij de thyristor. Dit beperkt de vermogendissipatie in de component.

De triac kan uit geleiding worden gebracht (gaan sperren) als de hoofdstroom door de component onder een bepaalde waarde daalt, deze minimale stroom die dient te vloeien om geleiding in stand te houden wordt de houdstroom genoemd. Bij een wisselstroom zal de triac bij elke polariteitswisseling rond de nuldoorgang door deze oorzaak uit geleiding raken.

In een schakeling die door één triac en zijn stuurcircuit wordt gestuurd en gevoed met een wisselspanning, is 100% geleiding niet mogelijk. Vlak voor de nuldoorgang daalt de stroom tot onder de houdstroom en zal de geleiding wegvallen.

Er zijn speciale schakelingen die de tijdsduur van isolatie verkorten: zie zerocross bij halfgeleiderrelais waarin de triac wordt toegepast.

Toepassingen[bewerken]

Schematische opbouw van een triac