Truus Wijsmuller-Meijer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Truus Wijsmuller-Meijer door de beeldhouwer Herman Diederik Janzen

Geertruida (Truus) Wijsmuller-Meijer (Alkmaar, 21 april 1896Amsterdam, 30 augustus 1978) was een Nederlandse verzetsheld en waarschijnlijk na Raoul Wallenberg de persoon die de meeste Joden heeft gered. Ze ontving van Yad Vashem de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren Zij heeft, samen met anderen die voor de Kindertransport organisatie werkten, de levens van meer dan 10.000 Joodse kinderen gered.

Jeugd[bewerken]

Meijers ouders hadden een drogisterij in Alkmaar. Zij waren liberaal hervormd. Ze leerden Truus om "altijd op te komen voor mensen die dat werkelijk ook verdienen en nodig hebben, ongeacht huidskleur of religie", vertelde ze later. Ze voegden de daad bij het woord door na de Eerste Wereldoorlog zwakke en hongerige kinderen uit Oostenrijk in huis te nemen. In 1923 verhuisde de familie naar Duivendrecht. Twee jaar kreeg ze haar eerst baan bij een bank, waar ze J.F. Wijsmuller (geboren in Amsterdam op 25 februari 1894) leerde kennen. Ze trouwden in 1923. Toen duidelijk werd dat het paar geen kinderen kon krijgen ging Truus zich op aanraden van de huisarts bezig houden met maatschappelijk werk.

Kindertransport[bewerken]

Al snel bouwde Wijsmuller een enorm netwerk op. Zo was ze bevriend met Mies Boissevain-van Lennep, die ze kende van de Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap (VVGS). Vanaf 1933 was Wijsmuller betrokken bij het Joods vluchtelingenwerk en reisde ze af en toe af en toe naar Duitsland om verwanten van in Nederland wonende Joden op te halen. Enkele dagen na Kristallnacht reisde ze zelf naar de Nederland-Duitse grens om met eigen ogen te zien wat zich daar afspeelde. Begin december kreeg ze het verzoek naar Wenen te reizen om Adolf Eichmann, toen hoofd van de emigratie-afdeling, te vragen 10.000 kinderen naar Engeland te laten reizen. Eichmann wilde een grap met haar uithalen en gaf haar toestemming om vijf dagen later 600 kinderen mee te nemen, denkend dat ze dit niet voor elkaar zou kunnen krijgen. Maar op 10 december vertrok een trein met 600 Joodse kinderen van Wenen naar Nederland. Ondanks de korte voorbereidingstijd en het feit dat het vertrek op een zaterdag was had Truus Wijsmuller het voor elkaar gekregen. Vijfhonderd van deze kinderen reisden via Hoek van Holland naar Engeland, de andere 100 werden in een school in de Copernicusstraat in Den Haag opgevangen en zouden in Nederland blijven. Tussen december 1938 en het uitbreken van de oorlog in september 1939 organiseerde Wijsmuller vele kindertransporten, meestal naar Engeland, maar soms ook naar Zweden, België en Nederland. De groepen kinderen zouden wel kleiner zijn. Ze gebruikte vele middelen om dingen voor elkaar te krijgen. Ze kon dreigen, maar ook omkopen of in tranen uitbarsten. Ook schrok ze er niet voor terug om een flinke borrel te nuttigen met een paar nazi's, zolang dat haar maar dichter bij haar doel bracht. Vanaf maart 1939 was ze betrokken bij het bestuur van het Amsterdamse Burgerweeshuis, waar vanaf dat tijdstip Duitse vluchtelingenkinderne waren ondergebracht. Zowel zij als haar man waren nauw betrokken bij de kinderen, en namen de kinderen op zondag vaak mee op uitjes, bijvoorbeeld naar de Amsterdamse dierentuin Artis. De kinderen noemden haar 'tante Truus'.

Oorlog[bewerken]

Truus Wijsmuller was in Parijs toen de Duitse troepen Nederland binnen vielen op 10 mei 1940. Volgens eigen zeggen had ze de invasie zien aankomen en had hiervoor ook gewaarschuwd in Den Haag. Ze reisde in drie dagen terug naar Amsterdam, waar ze bij aankomst onmiddellijk werd ondervraagd. Vervolgens ging ze naar het Burgerweeshuis om met de vluchtelingenkinderen te praten. De garnizoenscommandant van Amsterdam ontbood haar op zijn kantoor in de Lairessestraat en droeg haar op de kinderen uit het Burgerweeshuis in veiligheid te brengen. Zij wist al deze mensen aan boord van het SS Bodegraven te brengen, het laatste schip dat de haven van IJmuiden wist te verlaten, slechts enkele minuten voor de overgave van de Nederlandse regering. Ook Jacques Goudstikker en zijn familie waren aan boord van het schip. Zelf besloot Wijsmuller in Nederland te blijven, omdat ze haar echtgenoot niet alleen wilde laten. Hoewel het schip beschoten werd bereikte het Engeland heelhuids, maar vanwege de Duitse nationaliteit van de meeste passagiers werd het schip niet toegestaan in Engeland aan te meren. In Plymouth werd na lang aarzelen toestemming gegeven het lichaam van Jacques Goudstikker te begraven, en de matroos die gewond was geraakt bij de zoektocht naar Goudstikker in het ziekenhuis op te nemen. Pas op 19 mei mocht het schip in de haven van Liverpool haar vracht lossen. Nu haar bewegingsvrijheid was ingeperkt legde Truus Wijsmuller zich voornamelijk toe op gezinshereniging. Ze nam kinderen wier ouders naar België of Frankrijk waren gevlucht mee naar hun ouders, en nam op de terugweg kinderen mee wier ouders in Nederland waren. Soms bracht zij kinderen terug naar de ouders in Duitsland. Ze bracht medicijnen naar de kampen in Frankrijk voor het Rode Kruis, maar voornamelijk omdat dit werk haar de mogelijkheid gaf kinderen mee te nemen. Vanaf eind 1941 werkte ze voor het reisbureau Hoyman & Schuurman's. Ze reisde mee met groepen Joden die via Spanje en Portugal Europa konden verlaten. Ook op deze reizen nam ze kinderen mee. In de zomer van 1942 werd ze gearresteerd en in bewaring gesteld in de gevangenis op de Amstelveenseweg. De Gestapo verdacht haar (terecht) van mensensmokkel, maar bij gebrek aan bewijs werd zij na enkele dagen vrijgelaten. Daarna hield zij zich bezig met het versturen van voedselpakketten naar Westerbork, Bergen-Belsen en Theresienstadt. Toen ook dat niet meer mogelijk was richtte ze tijdens de hongerwinter haar aandacht weer op kinderen. Ditmaal waren het de hongerige kinderen uit het westen van het land: zij werden naar Friesland, Groningen, Overijssel en Drenthe gebracht.

Na de oorlog[bewerken]

In oktober 1945 werd Truus Wijsmuller lid van de Amsterdamse gemeenteraad, voor de VVD. Ze zou lid blijven tot 1966. Ze ging door met haar maatschappelijk werk (onder andere voor de stichting Diogenes) en was jarenlang bestuurslid van de Anne Frank Stichting. In een advertentie na haar dood beschreven enkele van de vluchtelingenkinderen haar als "de moeder van 1001 kinderen, die van het redden van Joodse kinderen haar werk had gemaakt'. Tot haar dood onderhield tante Truus contact met veel van de kinderen die zij had gered.

Monumenten[bewerken]

  • Een borstbeeld, gemaakt door Herman Janzen, werd onthuld in 1965 in het sanatorium Beatrixoord in het Oosterpark in Amsterdam. Toen dit sanatorium in 1976 sloot nam Wijsmuller het beeld mee naar huis. Na haar dood werd het in december 1978 werd het weer onthuld, ditmaal op het Amsterdamse Bachplein.
  • In Amsterdam, Gouda, Leiden, Pijnacker and Coevorden zijn straten naar haar genoemd. In Leiden draagt een tunnel haar naam.
  • Asteroïde nummer 15296 is als "Tantetruus" naar haar genoemd.

Onderscheidingen[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • NIOD
  • Madelon d'Aulnis, "Joodse kinderen op reis naar vrijheid 1938-1943. Truus Wijsmullers werkzaamheden voor gezinsvereniging in en emigratie uit West-Europa, (ongepubliceerde) afstudeerscriptie nieuwe geschiedenis UvA, 1987
  • Madelon d'Aulnis, "So reinarisch und dann so verrückt", Ons Amsterdam mei 1993
  • L.C. Vrooland, Truus Wijmuller-Meijer: Geen tijd voor tranen, Amsterdam 1961 (biography)
  • Albert Kelder, De Bodegraven moet tot zinken gebracht worden, de Blauwe Wimpel, 53/8-1998, 282-285

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties