Tsjechisch-Silezië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Silezië in 1871, geel omlijnd; het Oostenrijkse deel is in het roze aangegeven
Het Oostenrijkse kroonland Silezië

Tsjechisch-Silezië of Moravisch-Silezië (tot 1918 Oostenrijks-Silezië) is het deel van de historische regio Silezië dat tot Tsjechië behoort.

Geschiedenis[bewerken]

Na de dood van de Boheemse koning Lodewijk II in de slag bij Mohács (1526) ging het Boheemse koningschap over aan Ferdinand I en daarmee ook aan de dynastie van de Habsburgers. Tussen 1526-1740 waren de Habsburgers als koning van Bohemen ook hertog van Silezië. In de 16e eeuw benoemen de laatste Silezische Piasten van de overgebleven kleinstaat de Brandenburgse Hohenzollern als erven. De Habsburgse keizer bracht echter ook deze laatste kleinstaat onder de Boheemse kroon. Toen in 1675 de laatste Silezische Piast stierf, construeerde Frederik II van Pruisen hieruit zijn aanspraken voor heel Silezië. In de 16e eeuw werden de meeste Silezische steden protestants. Sinds de tweede helft van de 17e eeuw werd Silezië het in economisch opzicht belangrijkste gebied voor de Habsburgse monarchie door de textielindustrie.

Na de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) werd het grootste deel van Silezië door Pruisen geannexeerd. Een klein gedeelte rond Troppau, Jägerndorf, Teschen, Bielitz, en ook een deel van het Neisser Land bleven als Oostenrijks Silezië onderdeel van de habsburgse monarchie met als hoofdstad Troppau.

Tot 1918 was het een Oostenrijks kroonland met de officiële naam hertogdom Silezië. Na het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije in 1918 is het gebied verdeeld tussen de nieuwe staten Tsjecho-Slowakije en Polen. Troppau werd op 18 december 1918 door Tsjechische militairen bezet.

In 1928 werden de provincies Moravië en Silezië verenigd tot de provincie Moravië-Silezië.