Tussentaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Taalvariatiecontinua: men kan verticaal het continuüm aflezen tussen de standaardtaal en de dialecten voor respectievelijk Nederland en België

Met de term tussentaal wordt de in Vlaanderen gesproken, informele Nederlandse spreektaal aangeduid, die geen dialect maar ook geen Algemeen Nederlands is. De term werd bedacht door Gentse academici in de jaren 90 van de twintigste eeuw.[1] Daarnaast zijn nog andere benamingen in omloop zoals Verkavelingsvlaams en Soapvlaams, maar de meer neutrale aanduiding tussentaal wordt het meest gebruikt om het fenomeen te beschrijven.

Het bestaan van tussentaal is voor veel taalwetenschappers overigens nog steeds omstreden. Het begrip "tussentaal" suggereert immers dat er één informele omgangstaal zou bestaan voor heel Vlaanderen. In werkelijkheid verschilt de informele omgangstaal in Vlaanderen per provincie. Dikwijls zijn er zelfs nog verschillen binnen de provincies. Zo verschilt de Gentse Oost-Vlaamse tussentaal aanzienlijk van de Aalsterse. Het is dan ook de vraag of tussentaal niet gewoon een verzorgde vorm van regiolect is. In ieder geval is het moeilijk om een grens te trekken tussen de begrippen "regiolect" en "tussentaal". De verschillende soorten tussentaal zijn onderling echter meestal wel vrij goed verstaanbaar.

Pluriformiteit[bewerken]

Het zou al te eenvoudig zijn om te stellen dat er één enkele uniforme tussentaal bestaat. Tussentaal verschilt van dialectgebied tot dialectgebied en kan dus worden gezien als niet meer dan een verzamelnaam voor een groep van Zuid-Nederlandse regiolecten. In West-Vlaanderen zal de tussentaal iets meer West-Vlaams gekleurd zijn, waarbij bijvoorbeeld de g in een h verandert, en in Limburg weer iets meer Limburgs. Wel is het zo dat op Vlaamse televisiezenders dikwijls programma's worden uitgezonden in Brabants gekleurde tussentaal, waardoor sommige taalkundigen denken dat de Brabantse tussentaal de andere regiolecten beïnvloedt.

Wanneer we naar het hedendaagse gewest Vlaanderen kijken, blijkt ook dat de Brabantse steden Leuven, Mechelen, Antwerpen en Brussel in velerlei opzichten de kern van het gewest vormen. Het is zeker niet verwonderlijk dat de tussentaal sterk op de dialecten van deze steden gericht is. In dit verband wordt wel gesproken van de Brabantse expansie: Brabantse dialectkenmerken veroveren langzaam de Vlaamse omgangstaal.

Toch gebeurt ook soms het omgekeerde. Het veel aangehaalde tussentaalzinnetje "oe noemde gij" (hoe heet je) vindt zijn oorsprong in het West-Vlaams, maar is nu tot in (Belgisch) Limburg in gebruik.

Vooralsnog kan echter niet van een uniforme Vlaamse omgangstaal gesproken worden. Toch zijn er bepaalde kenmerken van de tussentaal, die (vrijwel) algemeen zijn.

Kenmerken[bewerken]

Wat de uitspraak en de woordenschat betreft, wijkt tussentaal eigenlijk maar relatief weinig af van de Belgische variant van de Nederlandse standaardtaal. Wel worden de ij, ui en in mindere mate de ou meestal niet als diftongen, maar als lange monoftongen uitgesproken. Er zijn vooral veel afwijkingen op het gebied van de morfologie.

Persoonlijke voornaamwoorden[bewerken]

Tussentaal wordt onder meer gekenmerkt door een afwijkend gebruik van voornaamwoorden. Zo wordt in Oost-Vlaamse, Brabantse en Limburgse tussentaal de vorm gij gebruikt als persoonlijk voornaamwoord van de tweede persoon enkelvoud. Dit "gij" komt overeen met het Noord-Nederlandse "jij", terwijl de vormen "jou" en "jouw" in Tussentaal als u en uw klinken. Bij het gebruik van "gij" hoort ook een eigen werkwoordsverbuiging met typische vormen als "gij zijt" en "gij waart". De meervoudsvorm gulder of gijle (afkomstig van gij lui), of een variant hiervan (zoals gelle), wordt ook gebruikt. De vervoeging hiervan is identiek aan de vervoeging bij "gij". De objectsvorm hiervan is ulder (of een variant hiervan, zoals ulle).

Een opvallend kenmerk van de tussentaal zijn de stapelvormen. "Ben jij" wordt dan zijdegij en "hoe heet je" klinkt als oe noemde gij. Het -de in deze voorbeelden komt voort uit de assimilatie van de werkwoordsuitgang -t met het persoonlijk voornaamwoord "gij": Middelnederlands "komt ghi" > (enclitisch) "komdi" > (tegenwoordig) "komde". Lang niet alle sprekers van tussentaal gebruiken deze stapelvorm, omdat voor veel dialectgevoelige Vlamingen de verdubbeling als fout wordt aangevoeld. Wanneer de '-de' gebruikt wordt, hoeft de gij niet meer vermeld te worden. 'Zijde' en 'zijdegij' worden dus naast elkaar gebruikt. Deze vorm heeft vaak een algemene betekenis. "Gade" kan dus zowel "je gaat" (wat ook algemeen gebruikt kan worden) als "men gaat" betekenen. Ook de karakteristieke verdubbeling ekik (da kan ekik nie verstaan) is voor veel tussentaalsprekers uit den boze.

Woordgeslacht[bewerken]

De verbuiging van lidwoorden en bijvoeglijke naamwoorden verschilt dikwijls van de gebruikelijke Standaardnederlandse norm. Anders dan in het AN namelijk maakt men in de Vlaamse tussentaal een scherp onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden. Het duidelijkst is dit zichtbaar bij het onbepaald lidwoord "een". In Tussentaal spreekt men van ne(n) man (mannelijk woord), een vrouw (vrouwelijk woord) en e kind (onzijdig woord). Ook onzijdige woorden krijgen dus een ander onbepaald lidwoord in de Tussentaal - in het standaard Nederlands spreekt men immers van "een kind". Het mannelijke ne kent een nevenvorm in nen: nen auto. Dit "nen" komt voor woorden die met een klinker beginnen of met h, b, d, [g] en t: nen Hollander, nen bal, nen gameboy etc. Oostelijker hoort men dan nog wel "nen Hollander" maar "ne bal" en nog oostelijker ook "ne Hollander". Het gebruik kan en wordt soms uitgebreid naar mannelijke woorden die met een andere letter beginnen, bv nen gansen groep. Een soortgelijke situatie doet zich voor bij bepaalde lidwoorden (bv. den boom in plaats van de boom) bijvoeglijke naamwoorden (nen dikken aap in plaats van een dikke aap), bezittelijke (mijne man in plaats van mijn man), ontkennende (genen enkele keer in plaats van geen enkele keer) en aanwijzende voornaamwoorden (dienen auto in plaats van die auto).

Verkleinwoorden[bewerken]

Verkleinwoorden worden in tussentaal gevormd door het suffix -(s)ke. Sprekers van tussentaal maken meestal ook gebruik van verkleiningen op -je, zoals in het AN. Mogelijks hebben de Vlaamse -ke-vormen een zekere bijklank die ze voor sommige Tussentaalsprekers niet algemeen toepasbaar maken - een dubbelzinnigheid zoals ook bv. in "gij bent" in plaats van "gij zijt". Maar ook in bepaalde echte dialecten, zoals het Oost-Vlaams, worden beide verkleinwoord-uitgangen gebruikt.

Ontstaan[bewerken]

Tussentaal is ontstaan bij Vlamingen die zich wilden distantiëren van de dialecten, maar geen Nederlandse standaardtaal konden of wilden spreken.[2] De Nederlandse standaardtaal is in Vlaanderen namelijk wat kunstmatig ingevoerd op het einde van de negentiende eeuw en heeft zich niet op dezelfde natuurlijke manier kunnen ontwikkelen als in Nederland. Vandaar dat Vlamingen vaak meer moeite moeten doen om zich in standaardtaal uit te drukken dan Nederlanders. Doordat de taal kunstmatig is ingevoerd, wordt de Noord-Nederlandse norm bovendien ook door veel Vlamingen als exogeen ervaren. Afzetting tegen die norm is ook een van de ontstaansredenen van het fenomeen tussentaal.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Noten

  1. Na de komst van de commerciële tv-zender VTM.
  2. UGent - Kirsten Rosiers. Tussen taal en tussentaal - De attitudes van leerlingen in het lager en middelbaar onderwijs tegenover talige variatie in Vlaanderen. (PDF) Bladzijden 15-16 (Academiejaar 2009-2010) Geraadpleegd op 10 september 2012

Bronnen

  • Plevoets, Koen (2008). Tussen spreek- en standaardtaal. Een corpusgebaseerd onderzoek naar de situationele, regionale en sociale verspreiding van enkele morfosyntactische verschijnselen uit het gesproken Belgisch-Nederlands. Leuven: Diss. Doct. ([1]).